Zaterdag 19/10/2019

Voetbal

Birger Verstraete (AA Gent): “Ik vond me lange tijd beter dan de anderen. Maar ik heb geleerd nederig te zijn”

Beeld Geert Van De Velde

Hij was 15 toen hij een akkoord met Anderlecht had, maar hij ging er uiteindelijk niet naartoe: te veel een mama's-kindje. Zondag hervat Birger Verstraete (24) de competitie met AA Gent tegen datzelfde Anderlecht, ambitieuzer dan ooit sinds hij geselecteerd werd voor de Rode Duivels. Weg is de speelvogel die zich onaantastbaar waande, door Michel Preud'homme op zijn plaats werd gezet en vervolgens door een diep dal ging. “Ik heb lang gedacht dat het leven een spel was. Tot ik met mijn kop tegen de muur liep.”

Was 2018 je beste jaar tot nog toe?

Birger Verstraete: “Ik ben wel verplicht om dat te zeggen, zeker? (lacht) Nu, ik hoop dat 2019 nog beter wordt. Het worden spannende maanden: na dit seizoen gaat mijn contract het laatste jaar in, en er is de Beker van België. Ik heb altijd gezegd dat ik Gent niet wil verlaten zonder prijs. Wel, we staan in de halve finales: Gent móét die beker pakken.” 

2018 was ook het jaar waarin je Rode Duivel werd: in het oefenduel tegen Schotland in september liet Roberto Martínez je invallen. Was je verrast?

“Ik zie me hier nog zitten in het spelershome, uitzinnig van vreugde toen de Rode Duivels de Brazilianen klopten. Nog nooit had ik een WK zo intens gevolgd. Drie maanden later was ik zelf Rode Duivel, ik deelde de kleedkamer met diezelfde spelers en ik maakte mijn debuut. Dan knijp je jezelf wel in de arm: wauw!

“Ik had er niet op gerekend. We hadden met Gent de donderdag ervoor in Bordeaux voor de Europa League gespeeld en werden uitgeschakeld. De sfeer was bedrukt toen we 's anderendaags op het vliegtuig stapten. De bondscoach zou zijn selectie om 12 uur bekendmaken, net op het moment dat wij zouden opstijgen. Ik ging ervan uit dat ik zou afvallen, maar bij het vertrek was er nog niets bekend. Daar hing ik dan twee uur lang in de lucht, terwijl ik naar Netflix keek. Bij de landing ontplofte mijn telefoon. Op het tarmac in Oostende heb ik direct mijn mama en mijn stiefvader gebeld.”

Martínez noemde je 'tactisch interessant' omdat hij voor jouw positie maar over één speler beschikt: de onvermijdelijke Axel Witsel.

“En Youri Tielemans en Moussa Dembélé dan? Akkoord, zij spelen misschien wat hoger, terwijl ik graag de wedstrijd controleer, vooral bij balverlies. Witsel is ook zo: hij verdeelt het spel van achteruit en laat anderen beter spelen. Het is leuk dat de bondscoach mij ook in die rol ziet.”

Wat heeft Witsel dat jij niet hebt?

“Ervaring. Je ziet aan alles dat hij in de Bundesliga op een hoger niveau speelt. Om dat te bereiken moet ik nog veel stappen zetten. Neem nu Eden Hazard: je denkt dat je hem kent omdat je hem elke week op tv ziet. Tot je op training een wedstrijdje met vier tegen vier speelt en oog in oog met hem komt te staan. Dan pas merk je hoe snel en wendbaar hij is. Die jongens behoren tot de besten van de wereld. Dat ik met hen mocht meetrainen, was ronduit fantastisch.”

Toch riep Martínez je niet meer op voor de volgende interlands.

“We zaten niet in de beste periode met Gent: we hadden met 0-4 verloren tegen Club Brugge, en met 1-5 tegen Genk. Ik had het wel verwacht. Ik raakte ook geblesseerd: afgescheurde ligamenten van de enkel. Dan kan hij me moeilijk oproepen, hè. Bovendien kwamen er met Hans Vanaken en Dennis Praet twee kandidaten bij. Mijn kansen zouden zeker groter zijn als ik in een grotere competitie zou spelen. Maar ik heb het makkelijk van me kunnen afzetten, ik ben een nuchtere kerel - naast het veld (grijnst). De buitenwereld kijkt nu kritischer naar mij, maar dat mag. Die selectie voor de Rode Duivels heeft mij in ieder geval niet veranderd. Ik heb te veel meegemaakt om nog te gaan zweven.”

Hoe gaat het nu met je enkel?

“Bij het opstaan is hij nog wat stijf, en kort naar links draaien is moeilijk. Vooral bij koud weer en op harde velden voel ik dat ik minder wendbaar ben. Maar ik ken mijn lichaam, ik maak me niet snel zorgen. Ik had nog nooit een blessure gehad, het was mijn eerste.”

Toen je pas opnieuw speelde, ging je zelf met gestrekt been naar de enkel van Anderlechtspeler Mohammed Dauda. Je had hem kunnen breken.

“In slow motion leek het erger dan het was, maar ik heb meteen toegegeven dat het een verdiende rode kaart was. Nu, volgens mij had die fout op mij een hoger horrorgehalte: je ziet mijn been een heel onnatuurlijke boog maken. Toen ik mijn Twitter-account opende, las ik meteen de gruwelijkste diagnoses: scheenbeenbreuk, zes maanden out... Jongens, dacht ik, ik zit drie minuten in de kleedkamer en jullie kennen de diagnose al? Ik had vrij snel door dat het de ligamenten waren, met een beenbreuk kun je niet wandelen.”

Ik vond het verbijsterend dat je zo'n overtreding beging, kort nadat jou hetzelfde was overkomen.

“Als ik me zou afvragen of ik me niet moet inhouden, verlies ik 20 procent van mijn kwaliteiten. Het zit in mijn spel om op het scherpst van de snee in duel te gaan. Soms is het erover, maar bewust op iemands enkel gaan staan zal ik nooit doen. Het gebeurt in een fractie van een seconde en achteraf denk je: misschien had ik beter... De volgende keer dat er een bal tussen jou en een tegenstander belandt, moet je weer een drempel over. Ik kan aannemen dat sommige spelers gaan twijfelen, maar ik probeer het niet te doen. Ik was ook niet zo lang buiten strijd. Als je maandenlang van een beenbreuk moet revalideren, kan ik me voorstellen dat het sneller in je hoofd kruipt.”

Je raakte geblesseerd in de eerste wedstrijd onder jullie nieuwe coach Jess Thorup. Een slechte timing.

“Na 12 minuten al, ja. Ik heb nog niet veel plezier beleefd onder Thorup: eerst die blessure, dan die rode kaart. Jammer. Ik speel nu ook op een andere positie: niet langer voor de verdediging, maar iets hoger. Onder Yves Vanderhaeghe was ik de controleur die achteraan de opbouw op gang bracht. Thorup ziet in mij iemand die goed is aan de bal. Dat wil hij benutten: ik moet het spel hóger in het veld verdelen en in de box van de tegenstander komen.”

Er zijn er genoeg die dat kunnen bij de Rode Duivels. Voor jouw selectiekansen is dat geen goed nieuws.

“Dat is waar.”

Heb je een idool?

“Andrés Iniesta.”

Hij is meer een spelmaker dan een controlerende middenvelder. Misschien ben jij dat ook en heeft Jess Thorup wel gelijk.

“Als jeugdspeler was ik een zuivere nummer 10, dat klopt. Ik kwam in de box, ik had een goed afstandsschot, een prima kopspel en een neus voor waar de bal zou vallen. Pas bij de Brugse beloften ben ik op de 6 gaan spelen. Dat ben ik zo gewend dat het weer een hele aanpassing is.”

Hein Vanhaezebrouck, je eerste trainer bij AA Gent, vond je te speels voor een centrale positie.

“Hij had een punt. Ik kwam van Kortrijk en had nog iets impulsiefs in mij. Ik maakte fouten op plaatsen waar dat niet hoefde. Ik had ook altijd op mijn talent geteerd, en plots zat ik bij een topploeg waar iederéén talent heeft. Hij probeerde een rist spelers uit op het middenveld, maar mij nooit. Misschien heeft hij zich ondertussen al eens achter het oor gekrabd, maar toen zag hij in ieder geval een flankspeler in mij. Ik was het daar niet mee eens en liet dat ook blijken, maar ik heb er nooit een drama van gemaakt. Toen Yves het roer overnam, stelde hij me direct gerust: 'Ik ga jou niet op rechts zetten, jij bent een middenvelder.'”

Yves Vanderhaeghe haalde jou drie jaar geleden naar Kortrijk, en onder zijn hoede raakte je in de nationale ploeg. Toeval?

“Ik heb die selectie zeker ook aan Yves te danken. Hij heeft me veel vertrouwen gegeven, en het respect was wederzijds. Ons eerste contact dateerde van toen hij me na een oefenwedstrijd met Club tegen Kortrijk zei dat hij me wilde. Ik heb toen de stap gezet, maar de inkt van mijn handtekening was nog niet droog of hij vertrok naar Oostende. Dat was een domper. Daarom was het zo fijn om hem weer tegen te komen bij Gent.”

Het duurde even voor je voet aan de grond kreeg bij Kortrijk, en later ook bij Gent.

“Ik moet warmte voelen voor ik ergens mijn weg vind. En het klinkt misschien melig, maar ik moet nog altijd mijn ma zien voor een wedstrijd.”

Een gevoelige jongen?

“Dat zou je niet zeggen, hè (lacht).

Een laatbloeier ook?

“Absoluut. Ik heb lang gedacht dat het leven een spel was. Ik plande niets. De toekomst? Lag ik niet wakker van, ik leefde van dag tot dag: 'We zien wel hoe het loopt.' Ik was 17 toen ik mijn eerste contract bij een topclub tekende, en 18 toen ik mijn debuut maakte. Ik kreeg alleen maar lof, maar wat weet je op die leeftijd van het leven? Ik had altijd gehoord hoe moeilijk het was om profvoetballer te worden en ineens was ik het, zonder dat ik er veel voor had moeten doen. Alles ging vanzelf. Ik teerde op mijn talent en speelde ook: ik was zeven matchen op rij basisspeler in het eerste elftal van Club Brugge. Tot ik met mijn kop tegen de muur liep en Club me naar Moeskroen stuurde.”

Volgens je stiefvader had je vedettenallures: je vond jezelf het mannetje.

(lachje) “Het ging te snel en te makkelijk. Ik waande me onaantastbaar: 'Wie doet mij wat? Ik ga hier nooit meer uit de ploeg!' Dat is als een boemerang in mijn gezicht teruggekeerd.”

Onder Michel Preud'homme vloog je uit de ploeg.

“Preud'homme is niet iemand die dat kan hebben, hè (lachje). Hij heeft mij er meermaals op aangesproken, maar hoe gaat dat? Je bent jong... Drie maanden later zat ik in Frankrijk.”

Moeskroen was op dat moment een satellietclub van het Franse Lille, waar het ook trainde.

“Ik reed elke dag 128 kilometer van Oostende naar Lille en terug. Het zat daar vol spelers uit de tweede ploeg van Lille, en hun Franse trainer had het niet op de Vlamingen begrepen – ik druk me nog voorzichtig uit. De enige reden waarom ik en een paar anderen daar waren, was dat Moeskroen zeven Belgen op het wedstrijdblad moest hebben. Het werd me zelfs verboden om met de invallers te spelen, want als ik geblesseerd raakte, konden ze me niet op de bank zetten. Het was de hel! Ik heb vaak gedacht: het is genoeg geweest. Maar in de moeilijkste periodes kom je jezelf tegen. Door dat jaar in Moeskroen heb ik ingezien dat het roer om moest. Daarom ook blijf ik nu zo nuchter bij mijn nieuwe status als Rode Duivel.”

Beeld Geert Van De Velde

Club Brugge ging ook niet vrijuit: je kreeg een Mercedes terwijl je niet eens een rijbewijs had, en een smartphone die je volgens je stiefvader niet nodig had.

“Ik snap dat wel: een club moet zijn jonge spelers laten voelen dat ze in hen gelooft. Alleen: ik kon er niet mee om en besefte het niet.”

Heb je getwijfeld aan jezelf?

“Tijdens dat jaar bij Moeskroen wel, ja. Het was vijf voor twaalf: 'Wordt dít het niveau van mijn carrière?' Je kunt als jonge kerel één seizoen verliezen, maar geen twee. Dan krijg je het stempel van eeuwige belofte en dat wilde ik niet. Ik raapte al mijn moed bijeen en draaide een knop om: nu ga ik alle twijfelaars laten zien dat ze zich vergist hebben! Ik heb vaak gelezen: 'Verstraete? Te weinig voor de top.' Ik was ervan overtuigd dat ik het wél aankon. Met Club kwam ik overeen dat onze wegen zouden scheiden: zij hadden mij niet meer nodig, en ik hen niet.”

Daarna volgden Moeskroen, Kortrijk en Gent: ver ben je nog niet geraakt.

“Altijd dicht bij mijn mama gebleven, hè (lacht).”

Je stiefvader noemt je een mama's-kindje.

“Dat is ook zo. Mijn ma is de eerste die ik na een wedstrijd bel. En de avond voor een wedstrijd móét ik haar zien en wil ik dat ze eten voor mij klaarmaakt. Toen ik een jaar of twee geleden een appartement had gekocht omdat ik vond dat ik op mijn eigen benen moest staan, ben ik snel naar huis teruggekeerd. Het ging niet. Sinds vier maanden woon ik weer alleen, maar ik ga vier, vijf keer per week bij haar eten. Ze doet mijn was en maakt mijn huis schoon, en we kijken samen naar tv. Naast mijn ma in de zetel naar Familie liggen kijken, daar gaat weinig boven – ik ben een familieman én een Familie-fan (lacht). Met mijn vriendin kijk ik naar Gent West, mijn andere guilty pleasure. Ze woont in Antwerpen, doet modellenwerk en studeert ook nog: een bezige bij, maar zo heb ik het graag. Ze is af en toe bij mij, maar de dag vóór een match slaap ik alleen. De wedstrijd is heilig, daar moet alles voor wijken (lacht).”

Heimwee naar zee

Je was 15 toen je KV Oostende verliet voor Club Brugge.

“Al toen ik 6 was, stonden Anderlecht, Club Brugge en PSV in de rij. Maar voor mijn stiefvader was er geen denken aan. Hij is jeugdtrainer bij Oostende en weet hoe het jeugdspelers vaak vergaat. Ze worden snel opgehemeld, maar zijn even snel weer vergeten. Al die jaren heeft hij de boot afgehouden, ook omdat ik er in zijn ogen niet klaar voor was. Als ik naar Anderlecht trok, moest ik bij een gastgezin gaan wonen. 'Maar als hij zijn ma drie uur niet heeft gehoord, wordt hij zot: wat gaat zo'n jongen in Brussel doen?' Toen ik 15 was, mocht het toch. Ik had een akkoord met Anderlecht en zou bij de mama van Oleg Iachtchouk gaan wonen. Maar mijn mama stond er niet echt voor open, en ik ook niet. Naar Brugge kon ik met de trein – samen met Brandon Mechele, trouwens. Ik ging er naar de topsportschool, en 's avonds sliep ik thuis. Ideaal.”

Toch had je na enkele maanden al heimwee.

“In Brugge kwam ik voor het eerst in contact met concurrentie, jongens die op dezelfde positie speelden als ik. Ze praatten niet met mij en ook tussen de ouders heerste er rivaliteit. Weg waren de vriendelijkheid en de warmte van bij Oostende. Daar moest ik aan wennen.”

Viel je moeilijke aanpassing in Brugge ook niet samen met het overlijden van je grootmoeder?

“Dat maakte het nog moeilijker. Als 5-jarige ging ik al naar de voetbalschool in Oostende, en mijn oma bracht me overal naartoe. Geen uithoek was te ver. Ze zag al mijn wedstrijden en miste geen enkele training. Het was haar droom dat ik profvoetballer zou worden. Dat zei ze me ook, dat ze hoopte mij ooit in een eerste ploeg te zien spelen. Maar toen werd ze ziek, kanker, en is ze overleden. Het is het enige waar ik spijt van heb: dat zij nooit een wedstrijd van mij op het hoogste niveau heeft gezien.”

Je noemde haar 'mijn beste vriendin'.

“Dat was ze. Ik ben geen tatoeageman, maar ik heb haar beeltenis op mijn dij laten zetten. Zo is ze elke wedstrijd bij mij.”

In de halve finales van de Beker van België speel je met AA Gent tegen Oostende. Heb je nog altijd een abonnement bij KVO?

(verrukt) “Jaja! Wij woonden op 10 meter van het stadion. Toen ze nog in de derde klasse voor vierhonderd man speelden, ging ik met mijn oma kijken. Ik speelde er als kind, mijn stiefvader is er jeugdtrainer en mijn ma springt soms bij als ze hulp nodig hebben in de kantine: ons hele leven draait om KVO. Ik ben zelfs een tijdje techniektrainer geweest bij de jeugd, en ik help mijn stiefvader soms met zijn ploeg.”

Je hebt de club ook zien veranderen.

“Marc Coucke, hè (lacht). Oostende mag hem dankbaar zijn, ze hebben supertijden beleefd. Nu moeten ze de broekriem aanhalen. Vroeger was Oostende de vissersploeg, onder Coucke werd het een glitter and glamour-ploeg. Het is goed dat het oude DNA nu weer naar boven komt.”

‘Oog in oog met Eden Hazard merk je pas hoe snel en wendbaar hij is. Die jongens behoren tot de besten van de wereld.' (Foto: Birger Verstraete tussen Dries Mertens, Eden Hazard en Vincent Kompany.) Beeld PhotoNews

Zul je ooit de kuststreek kunnen verlaten?

“De zee zal alleszins nooit uit mij weggaan. Wij woonden op 100 meter van het strand. Bij mooi weer deed ik niets liever dan vroeg opstaan en met mijn maten op het harde zand gaan tennisvoetballen, uren aan een stuk. En 's winters sjotten we met echte doelen, dik aangekleed. Of ik maakte een strandwandeling met de paarden: de max!”

Páárden?

(lacht) “Ik heb een enorme passie voor paarden. Altijd gehad. Bij mijn vader in Bredene woonde ik dicht bij een manege. Van 's morgens tot 's avonds hing ik daar rond. Ik stond op om de gangen schoon te maken, bracht de paarden naar de wei, voederde ze en reed ermee. Dat heb ik gedaan tot mijn transfer naar Club Brugge: daar lieten ze niet toe dat ik nog een tweede sport beoefende, en zeker geen paardrijden. Véél te gevaarlijk. Erg jammer vond ik dat, ik heb er veel goede herinneringen aan. Ik maak soms een ommetje naar die manege – het is maar vijf minuutjes rijden van waar ik nu woon – en wandel er dan rond. Maar er is zeker geen groot ruitertalent aan mij verloren gegaan (lacht).

Over je biologische vader heb je het zelden.

“Ik was 2 jaar toen mijn stiefvader in mijn leven kwam en heb het nooit anders geweten. Wij waren een warm gezin, en mijn zus en ik hebben een degelijke opvoeding gekregen. Ik was een je m'en fous-type, maar mijn mama en stiefvader waren streng, ook al hadden ze natuurlijk niet alles in de hand. Toen ik op een appartementje in Brugge woonde, had ik mijn eigen auto en een eigen bankrekening. Als jonge kerel weet je hoe je dingen verborgen moet houden voor je ouders (lachje).

“Mijn zus is nu 19, de leeftijd waarop het bij mij grondig fout begon te lopen. Ze is erg trots op mij, maar ze vindt me vaak ook te streng. Daar maken we weleens ruzie over. Als ze wil gaan feesten of hoge hakken wil dragen, mag ze niet van mij. Mijn ma moet dan altijd lachen, ik was op die leeftijd een deugniet: 'En nu zit jij op je zus te vitten? Doe maar normaal.' Maar ik ben bezorgd om de mensen om wie ik geef, en zeker om mijn zus. Ik zie haar 's nachts liever niet alleen op straat rondlopen.”

Beeld Geert Van De Velde

Je staat sterk in je schoenen. Van wie heb je dat geleerd?

“Van mijn stiefvader. Hij is erg bezig met psychologie. Als puber stond ik daar niet voor open: 'Jij met je filosofische boeken, laat me met rust!' Tot ik in Moeskroen mentaal aan de grond zat en die boeken mij er mee door hebben gesleurd. Ik heb er hooguit vijf gelezen, maar hij zeker vijfhónderd.”

Noem eens een boek.

De monnik die zijn Ferrari verkocht van Robin Sharma. De titel zegt het al: het gaat over iemand die zich gelukkig waande door al de rijkdom waarmee hij was omringd, maar gaandeweg besefte hij dat hij gelukkiger was met een normaal leven en een focus op het nu, niet op morgen, want morgen kan het te laat zijn.”

Probeer maar eens onthecht in het voetbalwereldje rond te lopen.

“Ik heb niks met dure merkkledij, en shoppen interesseert mij niet. Vraag me niet wanneer ik voor het laatst schoenen heb gekocht: ik weet het niet. Ik rijd graag met een mooie auto, daar ga ik niet flauw over doen. Maar ik steek mijn geld niet in kleren of een dure reis.”

Val je niet uit de toon tussen al die andere Rode Duivels?

(lachje) “Die jongens hebben het wellicht nog honderd keer beter dan ik.”

Hoog EQ, laag IQ

Wat heb je opgepikt op de schoolbanken?

“Oei! De school was niets voor mij. Ik was verre van een fantastische student en heb me erdoor geworsteld. Ik heb een hoog EQ, maar een laag IQ (lacht). Ik praat liever over het leven en hoe je erin moet staan. Dat deed ik lang verkeerd, ik vond me beter dan een ander. Maar ik heb geleerd nederig te zijn en ik probeer steeds beter te worden door hard te werken. Als je hard genoeg werkt, word je op een dag beloond. Dat geloof ik echt.”

Veel hardwerkende mensen krijgen geen loon naar werken. Kijk maar naar de gele hesjes.

“Daar ben ik me van bewust. Voetballers leiden een bevoorrecht leven, ook al zien mensen vaak alleen maar de mooie kanten: een chique auto, een mooi loon, volle stadions. Mensen denken nogal snel dat wij een makkelijk leventje leiden. Ik klaag ook niet, maar het komt niet vanzelf: ze zien niet hoeveel werk je erin steekt.”

Hoever reikt je ambitie?

“Ik wil zover mogelijk raken, verder nog dan in mijn stoutste dromen. Wat dat is? De Champions League winnen, maar ik weet niet of dat realistisch is (lachje). Daarom is het een droom. Eerst wil ik een prijs pakken met Gent. Daarna zie ik wel wat mijn pad kruist. Nu vertrekken, midden in het seizoen, lijkt me niet verstandig. Maar soms heb je het niet in de hand. Waarschijnlijk gaat de volgende stap in mijn carrière richting buitenland. Daar moet ik goed over nadenken, samen met mijn vriendin, want zij gaat natuurlijk mee.”

Spannend.

“Ja, want ik val doorgaans graag terug op wat me vertrouwd is. Mijn vrienden zijn nog altijd die uit mijn jeugd in Oostende. Ik ben geen moeilijke jongen en gedraag me vriendelijk tegen iedereen, maar zoals mijn mama weleens zegt: ik ben niet de meest sociale kerel. Ik kan een ontspannen avondje beleven met vrienden, tot er iemand bij komt staan die ik niet ken - dan klap ik dicht. Daarom ook heb ik het moeilijk met mensen die mij nu plots aanspreken of opvallend vriendelijk doen.

“Sinds mijn debuut bij de nationale ploeg word ik overstelpt met berichten via Instagram of Twitter. Iedereen heeft mijn nummer – vraag me niet hoe – en iedereen is mijn copain. Waar zaten al die zogenaamde vrienden in mijn donkerste dagen bij Moeskroen? Allemaal mijn nummer verwijderd, zeker? Nu, ik trek het mij niet meer aan. Ik hecht alleen nog belang aan de mening van mensen die het goed met mij voorhebben.”

Dat heb je met vallen en opstaan geleerd.

“Vroeger stond ik niet open voor goede raad, nu luister ik er wel naar. Zelfs van mijn vriendin, ook al kent zij niets van voetbal (lacht). Nu, ik ben wel zelfkritisch. Ik zal niet gauw van mezelf zeggen dat ik een goede wedstrijd heb gespeeld. Zoals het nu gaat met Gent, kan het zeker beter. En die tien minuutjes bij de Rode Duivels? Ik heb geen enkele bal verloren en kon er één recupereren: dan is het wel goed, zeker? Na die wedstrijd was ik vooral blij. En trots: dat truitje ligt toch maar mooi in mijn kast, dat pakken ze mij niet meer af.”

De Cup: AA Gent - KV Oostende, Canvas, donderdag 24 januari, 20.30 uur

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234