Dinsdag 27/07/2021

Bijna zeventigduizend mensen nog steeds in tenten, groot deel van rampgebied heeft geen schoon, stromend water

Naarmate de frustratie over de traagheid van de wederopbouw groeit, groeit ook die irritatie. Een jaar na dato wordt in Banda Atjeh alleen nog maar smalend gesproken over die buitenlanders die rondrijden in hun dure auto's, feestjes houden, godbetert zelfs gaan surfen op het strand van het verwoeste Lhok Nga

Een jaar na de tsunami begint eindelijk de reconstructie van Atjeh

De reconstructie van Atjeh krijgt, een jaar na de verwoestende tsunami, een heel klein beetje vaart. Dat is laat. Te laat, zeggen ook de belangrijkste hulpverleningsorganisaties in de getroffen provincie. Volgens Claude St. Pierre, vertegenwoordiger van Oxfam, is de provincie twaalf maanden na de ramp nog niet eens het stadium van 'noodhulp' te boven. Het vele geld dat Atjeh binnenstroomde, blijkt het herstel eerder vertraagd dan versneld te hebben.

Van onze correspondent

Michel Maas

Banda Atjeh

Zevenenzestigduizend mensen zitten nog altijd in tenten. Een groot deel van het rampgebied is nog altijd verstoken van schoon, stromend water. De bouw van permanente huizen begint nu pas, en dan nog met mondjesmaat.

Excuses voor de traagheid waarmee de Atjehse overlevenden onder dak worden gebracht, zijn er genoeg. De omvang van de ramp was nooit eerder gezien. Niet alleen zijn er 160.000 huizen verwoest, ook bruggen en wegen zijn weggespoeld, hele gemeenschappen zijn weggevaagd, en de overheden functioneerden niet meer omdat de meeste ambtenaren dood waren. De ramp kostte alleen in Atjeh aan meer dan 130.000 mensen het leven. Vijfendertigduizend anderen gelden officieel nog als vermist.

Honderden organisaties streken neer in het rampgebied. Bij gebrek aan enige coördinatie deed iedereen vervolgens wat hem het beste leek. "Zij renden rond als kippen zonder kop, plantten hun vlaggetjes, dropten hun spullen en vlogen rond in hun helikopters. Zij vlogen van hot naar her en gooiden geld uit het raam", zegt Linda North. North was voor de tsunami directeur van IMC (International Medical Corps) in Indonesië. Zij is getrouwd met een Atjeër en woonde in Lamjabat, een van de verwoeste dorpjes aan de rand van de hoofdstad Banda Atjeh. Zij vloog onmiddellijk na het nieuws van de tsunami terug naar Atjeh en kwam terecht in een absolute chaos. "Iedereen rende rond en dropte zijn zakjes en doosjes waar zij mensen tegenkwamen. Zij wisten niet waar mensen zaten, hoe zij ze moesten bereiken, of wat de mensen nodig hadden. Zij deden maar wat."

De Atjeërs werden bedolven onder bergen goedbedoelde kleding en koekjes. Hulpverleningsorganisaties liepen elkaar bij de uitdeling niet zelden voor de voeten. Het gebeurde dat in een tentenkamp drie ziekenhuisjes werden gebouwd. Artsen die kinderen wilden vaccineren ontdekten dat anderen hen voor waren geweest, maar die anderen hadden verzuimd gegevens achter te laten over wat zij hadden gedaan.

Als bij wonder bereikte de hulp desondanks binnen enkele weken alle hoeken van de getroffen provincie. Het duurde niet lang of alle overlevenden hadden tenten, voedsel en water. Bijna niemand kwam om van de honger, en het hele jaar zijn nergens in Atjeh besmettelijke ziekten uitgebroken. De noodhulp werkte, op enkele uitzonderingen na, zo goed dat VN-vertegenwoordiger Jan Egeland deze week de reactie op de tsunami "de beste reactie ooit" op een ramp durft te noemen.

Na de eerste 'noodfase' begonnen de hulporganisaties zich te vestigen, zoals ze dat overal ter wereld doen. Honderden organisaties hadden plotseling huizen nodig, kantoren, kamers in een stad waar de helft van de huizen was verwoest of onbewoonbaar geworden. Zij betaalden wat er werd gevraagd, en joegen de huizenprijzen op tot belachelijke hoogte. De huizenjacht was januari algauw belangrijker dan de hulpverlening.

"Ik heb een prachtig nieuw kantoor gevonden, een compound met een 4 meter hoge muur eromheen en prikkeldraad", meldt een UNHCR-baas op 23 januari triomfantelijk aan een ondergeschikte. IOM heeft een zwembad, zeggen ze. Huren vertienvoudigen. Het record staat op 1,2 miljard rupiah (120.000 euro) per jaar. Atjeërs worden uit huurhuizen gezet om plaats te maken voor buitenlanders. Ook de huren voor de Atjeërs gaan omhoog. Iedereen die Engels spreekt wordt ingehuurd, voor salarissen die een veelvoud zijn van hun lokale lonen. Buitenlanders vullen al gauw de beste restaurants die spontaan hun prijzen verdrievoudigen. Prijzen van bouwmaterialen bereiken astronomische hoogte. Tot november bedraagt de inflatie in Atjeh ruim 36 procent - een drievoud van de inflatie in de rest van Indonesië.

Dat is maar een neveneffect van de hulp, maar het is een effect dat Atjeërs irriteert. Naarmate de frustratie over de traagheid van de wederopbouw groeit, groeit ook die irritatie. Een jaar na dato wordt in Banda Atjeh alleen nog maar smalend gesproken over die buitenlanders die rondrijden in hun dure auto's, feestjes houden, godbetert zelfs gaan surfen op het strand van het verwoeste Lhok Nga, en in het weekeinde hun betaalde duikuitstapjes maken naar Sabang.

Linda North kan zich er elke dag kwaad over maken. North begon haar eigen organisatie, de Yayasan Lamjabat, die zich vooral inzet voor kinderen. "Wij wilden in het begin vooral bemiddelen tussen gemeenschappen en de organisaties. Als een dorpshoofd naar een kantoor van zo'n VN-organisatie stapte, kwam hij niet voorbij de bewaker. Wij hadden relaties, en probeerden die te gebruiken om de mensen te helpen aan wat zij nodig hadden."

North bevestigt wat je overal in de tentenkampjes kunt horen: "Organisaties sturen hier expats naartoe die geen enkele kennis hebben van Atjeh, of zelfs Indonesië, of zelfs Azië. En de roulatie van personeel is gigantisch. Toen de aardbeving in Pakistan was, zijn er een hele hoop weer daarheen gegaan. Anderen kwamen hier. Telkens weer zijn er nieuwe managers, die allemaal weer hun eigen stempel op de programma's willen drukken. Oude projecten verdwijnen dan weer in de prullenbak. "Sorry, een verandering van policy", zeggen ze dan. Ik heb mijn hele leven in hulporganisaties gewerkt. Ik was directeur, bekeek de zaak van bovenaf. Nu bekijk ik de zaak van de andere kant, en zie hoe belachelijk het allemaal is. Het werkt gewoon niet."

Het vele geld dat Atjeh binnenstroomde, heeft de situatie er niet eenvoudiger op gemaakt. Particulieren, regeringen en wereldwijde organisaties schonken meer dan zeven miljard euro. Dat is meer dan er nodig is voor de wederopbouw, die door de Indonesische regering is becijferd op vijf miljard. Al dat geld moet worden besteed, en elke hulporganisatie wil zijn deel. Een woordvoerder van een middelgrote Amerikaanse organisatie: "Er komt zoveel geld binnen. Het is onvoorstelbaar. De organisaties zijn alleen maar bezig met dat geld. Hun belangrijkste doel is: groeien. Zij moeten groter, hun projecten moeten groter, want hoe groter zij zijn, hoe meer geld zij kunnen vragen. Maar hoe groter de projecten, hoe langer het duurt voordat ze worden uitgevoerd. Die uitvoering is eigenlijk hun laatste zorg."

Op 26 juni, een half jaar na de ramp, verklaarde de vertegenwoordiger van de VN dat de wederopbouw, na een wat trage start, "nu gaat beginnen". Eind september verklaarde het hoofd van de Organisatie voor Reconstructie en Rehabilitatie (BRR), Kuntoro Mangkusubroto, opnieuw dat het moment voor herbouw van de huizen eindelijk is aangebroken. Een jaar na dato zegt de BRR, dat "2006 het jaar van de huizenbouw" wordt.

De BRR is pas vier maanden na de ramp opgericht. De organisatie kreeg het mandaat om de totale reconstructie van de ramp te overzien en de besteding van het geld te coördineren. Voor die tijd was de coördinatie in handen van een minister, die nauwelijks bevoegdheden had. Het duurde twee maanden voordat Mangkusubroto zijn organisatie enigszins had opgezet en echt aan de slag kon. Voor die tijd waren er al maanden verknoeid doordat iedereen wachtte op een 'blauwdruk' die de Indonesische regering maakte voor het herstel van de provincie. Niemand kon aan de slag, omdat niet duidelijk was waar verwoeste dorpen moesten worden herbouwd. Aanvankelijk wilde de regering de overlevenden 5 kilometer landinwaarts verhuizen. Toen bleek dat de mensen niets anders wilden dan teruggaan naar hun oude dorp, werd daar van afgezien, maar intussen waren weer drie kostbare maanden verstreken.

Ook daarna ging het niet veel sneller. Niet dat er niets gebeurde. Het puin werd geruimd, en wegen werden schoongeveegd. Dat alleen al was een enorm karwei. Andere problemen moesten worden overwonnen. Een belangrijk struikelblok was het eigendomsrecht van de grond. Vaak berustte het eigendom louter op gewoonterecht: grond was van de familie die van generatie op generatie op een plek had gewoond. Niemand had nog eigendomspapieren. Dat eigendom moest worden geregistreerd voordat met nieuwbouw kon worden begonnen. Wegen en bruggen moesten worden hersteld. Alles was ingewikkelder en kostte meer tijd dan verwacht.

"Reconstructie na rampen gaat bijna altijd langzamer dan verwacht, vooral omdat wij niet beseffen hoe problemen met elkaar samenhangen en zich vermenigvuldigen", zegt Andrew Steer, vertegenwoordiger van de Wereldbank in Atjeh, deze week in het weekblad Tempo. "Wij maken onze programma's alsof eigendomsrechten, havens, wegen en stroom er nog zijn, en alsof ambtenaren plotseling hebben leren meewerken zoals ze nog nooit in hun leven hebben gewerkt."

Het feit dat meer dan zestigduizend mensen nog steeds in tenten zitten, is een bewijs dat de hulpverlening heeft gefaald, zegt Steer. Die wilde geen geld steken in tijdelijke huisvesting, die over twee jaar toch weer wordt afgebroken.

Een jaar na de ramp is het stof wat gaan liggen. Projecten krijgen vorm. De eerste resultaten worden zichtbaar, maar nog steeds gaan organisaties vooral hun eigen gang. St. Pierre van Oxfam signaleert deze week dat het nog altijd ontbreekt aan coördinatie. "De BRR moet de leiding nemen van alle facetten van de reconstructie", suggereert hij. Linda North beaamt dat: "Organisaties zijn niet geïnteresseerd in wat anderen doen. Ik heb een kaart gevraagd waarop staat aangegeven welke organisatie wat doet en waar. Zo'n kaart is er niet."

Ondanks alle kritiek, en in weerwil van alle gebrek aan samenwerking en coördinatie, is er ontzettend veel gebeurd in Atjeh. USAid heeft 110 bruggen gebouwd en 240 kilometer weg verbeterd. Ruim 400.000 overlevenden zijn ondergebracht in barakken en tijdelijke woningen. Iedereen heeft voedsel en medische verzorging. De eerste elfduizend permanente huizen zijn klaar, veertienduizend andere zijn in aanbouw. Dat is niet veel minder dan het voor 2005 geplande aantal van dertigduizend.

En herbouw heeft zijn tijd nodig, zegt Steer: "Het zou sneller zijn geweest een stel aannemers te huren en het cement te brengen, maar overleg met de Atjeërs overtuigde de plannenmakers ervan dat het minstens zo belangrijk is gemeenschappen opnieuw op te bouwen als huizen. Als de mensen zelf hun huizen bouwen, helpt dat bij hun genezing en herstel."

Twee miljard is er in 2005 uitgegeven aan noodhulp en reconstructie. Volgend jaar wordt eenzelfde bedrag besteed aan de wederopbouw. Dat wordt het jaar van de waarheid, zegt Steer: "Als wij toepassen wat wij het afgelopen jaar hebben geleerd en onze inspanning verdubbelen, kan de wederopbouw van Atjeh ons misschien een nieuwe, en betere manier leren om in de toekomst soortgelijke operaties aan te pakken. De tweede verjaardag zal de verjaardag zijn die ertoe doet."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234