Vrijdag 22/11/2019

Beste Timicheg,

Ik geef toe dat ik een beetje laat ben met mijn nieuwjaarsbrief.

Het zal sommigen zijn ontgaan, maar het is honderd jaar geleden dat je stierf in de voor jou te koude en vochtige Vlaamse klei van 1913. Dankzij het onderzoek van André Capiteyn, medewerker van het Gentse stadsarchief, weten we inmiddels heel wat meer over je trieste lot.

Het is namelijk ook honderd jaar geleden dat in Gent de Wereldtentoonstelling liep, een laatste opflakkering van een in onze ogen nogal bombastisch ogend humanistisch ideaal, dat amper een jaar later zou stranden met de bekende catastrofale gevolgen. De organisatie van deze wereldtentoonstelling had op zich al heel wat voeten in de aarde; er waren aanvankelijk zowel Duitse als Franse belangen mee gemoeid, maar uiteindelijk wonnen de Franse belangen het, mede ondersteund door de Franstalige bourgeoisie in Gent - een opwarmertje voor wat komen zou.

Deze wereldtentoonstelling, waarover het Gentse museum STAM een knappe virtuele maquette online heeft gezet, was van grootse afmetingen. Een oude ansicht, met beeld vanop het imposante 'Koloniaal Paleis' toont beter dan duizend woorden, hoe ongegeneerd trots de toenmalige bevolking was op haar beschavingswerk in verre oorden, waar ze cultureel eigenlijk niets te zoeken had, en waar onbeschaamd economische belangen werden verdoezeld met humanistische kreten.

Jij, Timicheg, behoorde tot een groep Filippijnse Igorot-indianen, afkomstig uit de bergstreken van Bontoc op het eiland Luzon. Jullie waren daar uit jullie dorpen weggeplukt door een ijverige Amerikaan die brood zag in jullie exotische onschuld. Voor je hier aankwam, had je er al een hele tocht op zitten: je was met je landgenoten de Verenigde Staten door gereisd, aangegaapt door steeds weer nieuwe horden onbeschaamd gapende westerlingen die het zeer vermakelijk vonden, jullie een karikatuur van zichzelf te zien opvoeren, gekleed in kleine schortjes, zwaaiend met speer en schild, rauw vlees etend en woeste kreten uitstotend op simpel bevel. Via Marseille waren jullie uiteindelijk in Gent aanbeland. Daar waren jullie dus niet aan jullie proefstuk toe, maar heimwee en kou begonnen na al die omzwervingen te vreten aan de kleine gemeenschap. Sommigen werden ziek en wilden naar huis, anderen hoopten nog even wat meer geld te verdienen. De kranten schreven over wilden, vermakelijke barbaren, menseneters; pure lol, kortom. De Vlaamse schrijver Cyriel Buysse typeerde jullie zeer delicaat als een kruising tussen apen en Mongolen, en hoopte dat, als jullie ooit het stadium van beschaving hadden bereikt en ook een wereldtentoonstelling zouden kunnen bouwen, er dan ook een dorp voor de Vlamingen zou komen. Ik stel me voor dat jullie stek, daar in een deel van de tentoonstelling dat 'Oud-Vlaanderen' heette, ook niet echt een gevoel van cultureel respect met zich bracht. Maar, zo begreep baron Buysse, dat kwam omdat wij onder de Spanjaards toch ook jullie een beetje als kolonie hadden gehad en voegde er meteen aan toe dat wij Vlamingen nu eenmaal altijd, en door talloze volkeren zijn onderdrukt. Enfin, de westerse wereld omarmde jullie zoals hij dat meestal doet.

Na vier maanden in ons voor jou niet erg geschikte klimaat, en in een tijd waarin er nog geen antibiotica bestonden, met voor ons ongekende emoties en herinneringen, raakte je uitgeput en liep je een longontsteking op. Je werd naar het Bijloke Hospitaal aan de Jozef Kluyskensstraat gebracht maar je was al dood voor je er aankwam. Je werd 28 jaar. De Gazette van Gent schreef dat je naar de Velden van de Grote Jager was vertrokken.

Enkele jaren geleden nam het Gentse stadsbestuur het lofwaardige initiatief, om een tunnel nabij het Sint-Pietersstation naar jou te vernoemen. Een Filippijnse ambassadeur kwam een keurig dankwoord uitspreken en spoorbaas en burgervader zagen dat het goed was. Een stralende meizon overgoot gul het feestelijke tafereel. Je had het moeten meemaken. Je werd beroemd.

Beste Timicheg, ik wou je eigenlijk zeggen dat we hier nog geregeld aan je denken. We hebben namelijk heel wat vreemde mensen over de vloer tegenwoordig, we doen daar al lang niet meer zo exotisch over, en al evenmin hol en hoogstaand humanistisch. We beschouwen ze gewoon als gelijken, dat wil zeggen: ze moeten hier geen kapsones komen verkopen, dat doen wij hardwerkende Vlamingen ook niet. Voor tbc hebben we nu drastische geneesmiddelen, en als jullie naar huis willen: geen probleem, we charteren hele vliegtuigen, of je dat nu wilt of niet. Want valse sentimentaliteit, daar hebben wij een broertje aan dood. Wij zijn dan ook veel meer rechtuit dan die snorremansen van een eeuw geleden. Maar goed, ik schreef je, eerlijk gezegd, omdat ik zo nu en dan, en met de winter voor de deur steeds vaker, meen je ergens te zien zitten bedelen langs een van de boulevards van onze hoofdstad. Je draagt nu een petje en goedkope sneakers, tweedehandse homewear die je tegen de kou moet beschermen, en je slaapt op een stevig stuk karton. Geen mens ziet nog naar je om, wij doen niet aan dwaas exotisme. Ik weet niet of je dit een vooruitgang vindt in vergelijking met Oud-Vlaanderen.

Ik hoop hoe dan ook, beste Timicheg, dat het je goed gaat daar op je stuk karton. Indien niet, dan openen we over honderd jaar nog een tunnel met jouw naam. En we drinken cava tot we vallen. Beloofd! Hou de moed erin!

Stefan Hertmans

Stefan Hertmans is auteur van de roman Oorlog en terpentijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234