Woensdag 26/06/2019

Brief van de week

Beste Dirk De Wachter, ik denk – ga even zitten – dat ik een klimaatdepressie heb

Dirk De Wachter Beeld Studio Caro

In het weekend schrijft Joël De Ceulaer een boze, bezorgde of blije brief aan de (m/v/x) van de week.

Beste Dirk De Wachter,

Ik schrijf u deze brief omdat ik ten einde raad ben. Ik zit in de put en zou niet weten hoe ik mij ooit nog een weg naar boven kan banen. Er brandt geen licht meer aan het einde van de tunnel – zeer gunstig qua energieverbruik, maar slecht voor de levenslust.

Ik wend mij tot u omdat ik u altijd bewonderd heb. U bent de man die Vlaanderen heeft verzoend met de gewonigheid, met de soms beklemmende banaliteit van het leven en de bijbehorende tegenslagen. U leerde ons om af en toe een beetje ongelukkig te zijn. Wie het dipje niet eert, is de tevredenheid niet weerd: het klinkt als een inspirational quote om op te schieten, maar als u het zegt, wordt het een bezwerende formule. Er zit iets in uw toon dat zalvend en genezend is. Als een andere psychiater zegt dat we vaker moeten gaan wandelen, begint iedereen te geeuwen. Als u dat zegt, klinkt het alsof u een tekst citeert die werd aangetroffen op een geheim perkament dat eeuwenlang verborgen zat in de piramide van Cheops. Zelfs als u een klein bruin gesneden bestelt, klinkt u wellicht alsof u een diepe waarheid omtrent de menselijke existentie blootlegt.

Ik heb altijd uw adviezen gevolgd, mijnheer De Wachter. Ik koester het gewone, ga vaak wandelen en probeer af en toe een beetje ongelukkig te zijn. Maar de laatste tijd word ik verzwolgen door duisternis en angstaanvallen. Ik sta hyperventilerend op en ga afgemat weer slapen. Ik sleur mij door de dagen. En nee, er is niets mis met mijn persoonlijke of professionele leven, daar ligt het allemaal niet aan. Het is iets Anders, iets Groters, iets Wezenlijkers. Ik denk, dokter – ga even zitten – dat ik een klimaatdepressie heb.

Menig cynicus barst nu in lachen uit, maar als vakman weet u waarover ik het heb. Ze staan tegenwoordig elke dag in de krant, de symptomen en syndromen waar je zoal last van kunt hebben als geëngageerde burger: benevens de klimaatdepressie zijn dat nog de milieumelancholie, de vliegschaamte, de landschapspijn en de ecorexia – aan dat laatste lijden mensen die echt niets meer durven te consumeren, uit vrees voor de bijbehorende uitstoot aan koolstofdioxide die ze daarmee teweegbrengen.

En láp. Dat heb ik dus. Toen ik dat deze week ineens besefte, was het alsof er een gletsjer op mijn hoofd viel. Van de weeromstuit besloot ik om bij u hulp te zoeken. 

Kwikschrik en vliegverdriet

De ellende begint voor mij doorgaans in de loop van de nacht, als ik badend in het zweet het bed verlaat en begin te slaapwandelen, omdat ik een nachtmerrie heb gehad over de stijgende zeespiegel – mijn vrouw heeft al drie keer de brandweer moeten bellen om mij van het dak te halen, waar ik wellicht beschutting wil zoeken voor het wassende water. Bij het ontwaken val ik dan meteen ten prooi aan ademangst. Ik weet ook wel dat mijn bijdrage aan de wereldwijde uitstoot verwaarloosbaar is, maar dat argument aanvaard ik dus niet meer, ook niet van mijzelf. Voor de planeet zou het beter zijn mocht ik nooit hebben bestaan. In mijn zwartste momenten vervloek ik de dag dat ik geboren ben. Ja, ofschoon ik een 54-jarige man ben, kamp ik nu met een postnatale depressie.

Ik heb, mijnheer De Wachter, geprobeerd om op eigen kracht wat rust te zoeken in het hoofd. In de kelder bouwde ik, met louter hernieuwbare materialen, een klimaataltaar, opgedragen aan de heilige drievuldigheid Greta, Kyra en Anuna. Daar doe ik elke dag aan spijbelexegese en lees ik in het evangelie volgens Nic Balthazar. Maar het helpt me voor geen meter. Bij alles wat ik gebruik en consumeer in deze neoliberale hel grijpen de angsten mij om beurten bij de keel: zo ga ik nu al gebukt onder kwikschrik, vliegverdriet, smulschroom, biefstukberouw, plasticpaniek, poolkapparanoia, autorexia – en de teller blijft tikken. Mijn leven is één grote koolstofkramp geworden. Ik schaam mij zelfs voor de streek waar ik ben opgegroeid: was ik vroeger trots dat mijn roots in de industriële Umicore-cité liggen, dan is dat paradijselijke oord nu mijn schaamstreek geworden. Ik lijd, kortom, aan uitstootgêne, als was ik een lid van het directiecomité dat middenin een belangrijke vergadering plots last krijgt van extreme winderigheid.

Wat me eraan doet denken: boontjes uit Kenia eet ik uiteraard ook niet meer. Sinds ik heb geleerd dat die gigantische koelkasten in de Colruyt ook enorm veel uitstoten, eet ik zelfs helemaal géén fruit en groenten meer – weg met de rauw-, wat zeg ik: rouwkost die onze planeet onrechtstreeks aan het verstikken en versmachten is. 

En dan moet het ergste nog komen. De factuur voor al dat klimaatkwaad. Die zal mij, en vele anderen, echt naar de rand van de afgrond duwen. Ik voel een fiscusfobie opdoemen en verwacht een Calvo-claim en Almaci-aanslag waarbij de Turteltaks zal verbleken. 

Nu is dit mijn vraag, dokter: hoort al dat ongeluk nog bij de gewonigheid van het leven of mag ik toch eens – geheel klimaatneutraal, dat spreekt – bij u op de sofa komen liggen?

Uitstootvrije groet,

Joël De Ceulaer

Joël De Ceulaer / © Eric de Mildt. All rights reserved Beeld Eric de Mildt
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden