Donderdag 14/11/2019

Beste Belgische voetbaltrainer ooit overleden

Raymond Goethals, Witte Duivel met rosse bles

Met de dood van Raymond Goethals verliest het Belgische voetbal de enige landgenoot die in het moderne voetbal op het allerhoogste niveau echt meetelde, en in binnen- en vooral buitenland erkend werd als internationale top. Raymond Goethals hoort in het rijtje van Rinus Michels, Brian Clough of Hennes Weisweiler: geniale succestrainers, en daarom ook wel onbegrepen, of soms de gevangene van hun eigen inzichten. Zo was ook Raymond Goethals: een man met een kararkterkop, een kettingroker, een Brussels ketje, maar bovenal de slimste, knapste en verstandigste voetbalanalist die België ooit zag. 'Raimundo', applaudisseerden de Brazilianen. 'Raymond la science', overdreven de Fransen. Walter Pauli

In deze tijden waarin zoveel Belgische eersteklassers hun toevlucht zoeken tot een trainer die ook als voetballer naam maakte, bij een topclub en/of de Rode Duivels, zou de figuur van Raymond Goethals toch een lichtend voorbeeld moeten zijn.

In zijn jonge jaren was Raymond Goethals zonder discussie een van de allerslechtste doelmannen die ooit in een ligaploeg aan een contract geraakte, vandaar dat hij doorgaans reservedoelman was. Die keeper derde keus groeide echter uit de allerbeste trainer die België ooit had. Grote successen met Anderlecht en Standard, een mooi palmares met de nationale ploeg (Guy Thys deed beter, maar bouwde voort op zijn werk), internationale faam bij Olympique Marseille tenslotte, dat hij uitbouwde tot de beste ploeg van Europa, en dus van de wereld. Een mens zou bijna vergeten dat die successen ook mogelijk gemaakt werden door twee schokkende omkoopaffaires: eerst bij Standard, en bij Marseille.

Maar zeggen dat alles bij Sint-Truiden begon. Brusselaar Goethals debuteerde immers om en rond de Limburgs-Luikse taalgrens, in boerenbuiten-clubs uit Haspengouw: FC Hannuit, Stade Borgworm, vanaf 1959 tenslotte de kersverse eersteklasser Sint-Truiden. Met Goethals als trainer kreeg het Limburgse ploegje ambitie. Goethals was voor de Belgische competitie was de befaamde Helenio Herrera van Inter Milan was voor het internationale voetbal: veruit de verstandigste van alle trainers, omdat ze overwinningen afdwongen door een reorganisatie van de verdediging, niet van de aanval. Herrera voerde het catenaccio (zeg maar: anti-voetbal) uit, Goethals deed het met een variant ervan: de lijnverdediging, oftewel de buitenspelval. Dat zou zijn hele loopbaan lang zijn sterkte blijven: hij vertrok vanuit een solide verdediging. De rest volgde wel.

De Belgische voetbalpers ergerde zich doodblauw aan een ploeg die de wedstrijd om de haverklap deed stilleggen door de vijandige spitsen 'off-side' te laten lopen, maar het kleine Sint-Truiden werd wel een hele meneer, zo goed als nooit uit de top-vijf weg te slaan.

En Goethals zou Goethals niet zijn als hij niet voor extra spektakel zou zorgen. De voetballogica leert dat een buitenspelval alleen gespeeld kan worden met hyper-intelligente verdedigers. Nu was de achterlijn van Sint-Truiden meer 'Haspengouwse klei': mannen als Boffin of Lemoine, onder Goethals beiden international, stevig en sterk, maar niet meteen verfijnd. Dus deed Goethals het anders: hij zorgde voor een meer-dan-spektakelrijke doelman, Bosmans. Die speelde achter zijn risicovolle verdediging de facto vliegende keeper - in eerste nationale! Maar het werkte, zeker omdat Goethals over twee formidabele aanvallende spelers beschikte. Lon Polleunis was de absolute strateeg - aartslui, maar wel een weergaloze voetballer - en Frits Van der Boer een soort Dikke Bertha met verschroeiend kaliber. Dribbelen kon hij niet, maar als hij in stelling gebracht werd, kogelde hij de ballen binnen.

En de sfeer zat erin. In zijn columns heeft Jan Mulder, toen een Anderlecht-spits, bij herhaling in zeer plastische beschrijvingen uitgeweid over de verplaatsingen naar Staaien. Hoe de locale boeren de bus van Anderlecht opwachtten met tractors, ze met rieken zwaaiden, de bus met fruit bekogelden, moedwillig files organiseerden, zodat de Brusselaars slechts nipt op het tijd het stadion konden bereiken, en hoe tijdens de match back Boffin (geen familie van Danny) meteen op spits Mulder kwam afgestormd, hem meteen een doodschop verkocht, en dan de hand uitstak: 'Aangenaam, Boffin'.

Dat was onder Goethals de manier van visite-kaartjes uitwisselen. O ja: in die jaren won Anderlecht nooit op Staaien. Volgens Mulder omdat de Brusselaars wel wijzer waren: ze wilden ongedeerd terug naar huis. Dat Mulder in zijn stukjes een ietsiepietsie overdreef, het zal wel. Maar wat niet overdreven is, zijn de foto's van Staaien in die tijd: drommen volk tot vlak aan de kalklijnen. Wat ook gewoon feiten zijn, is dat Goethals met Sint-Truiden in 1966 zelfs vice-kampioen werd, na het zeker toen ongenaakbare Anderlecht. Wie dit palmares kan voorleggen, zou best wel eens uit het goede hout kunnen gesneden zijn.

Dat vond Constant Vanden Stock ook, toen nog niet bij Anderlecht, wel selectie-heer bij de nationale ploeg. Hij stelde Goethals aan als adjunct-coach van bondstrainer Tuur Ceuleers. Toen die brave man geen resultaten behaalde, nam Goethals over. De job van trainer van de Rode Duivels was natuurlijk belangrijk, maar niet zonder risico's. In de jaren zestig waren de Belgen de zelfverklaarde 'wereldkampioen van de vriendenmatchen'. Zo klopten ze wereldkampioen Brazilië met 5-1, maar slaagden ze zich er wel nooit in om zich te plaatsen voor de eindronde van een groot tornooi. Met Raymond Goethals zou dat veranderen. Hij wilde dat er een einde kwam aan het 'juffrouwenvoetbal' - die term verwees naar de technisch knappe spelers van Anderlecht, mannen als Van Himst, Hanon of Puis, die evenwel nooit een vuist konden maken.

En dus timmerde Goethals aan ploegen zoals hij ze graag zag. Dat wil zeggen: relatief weinig spelers oproepen. Goethals had het voor een speler, of niet. (Zo had hij het niet op Jean-Marie Pfaff. Hij vond dat een fratsenmaker. Goethals' favoriet was Christian Piot, de talentvolle reus van Standard. Hij riep die al op in de nationale ploeg toen Piot amper titularis was bij Standard. Hij hield die ook in het doel, toen Piot als half-invalide was, en nauwelijks nog kon lopen, laat staan springen). En hij had behoefte aan twee soorten spelers. Eén: intelligente voetballers, één in elke linie. 'Zijn' trouwe garde bestond, naast doelman Piot, uit libero Nico Dewalque van Standard, middenvelder Wilfried Van Moer (ook Standard) en aanvallers Paul Van Himst (Anderlecht) en Raoul Lambert (Club Brugge).

Achteraan koos hij wel eens voor been, maar dan ook béénharde mannen, zoals Jean Thissen, een beer met voetbalschoenen, en het infame duo Jeck en Beurlet (alledrie Standard) - Jeck en Beurlet hadden zelfs geen voornaam. 'Jeck en Beurlet', en was zoveel als 'je bal of je leven'. Het einde van die selectiepolitiek zag men op het WK 1970, toen België zich moest proberen te kwalificeren tegen thuisland Mexico, en Jeck na amper een kwartier nogal onbesuisd tackelt in het strafschopgebied. Penalty, heel België razend ('Zo doet Jeck toch altijd: hij had toch ook de bal'), maar het werd wel 1-0, die stand bleef onveranderd. België eruit.

Maar België had toen wel de WK-eindronde bereikt, ook al moest daarvoor een voetbalgrootheid als Spanje uitgeschakeld worden. Maar in Mexico 1970 bleek, met de woorden van de toenmalige bondsvoorzitter, "onze trainer wellicht de enige professional uit de groep". Goethals wilde winnen, de toenmalige Witte Duivels zo snel mogelijk terug naar huis. Gelukkig werd de eindronde van het Europees Kampioenschap 1972 in België zelf gespeeld, en toen waren de meeste spelers wel vooruit te branden. Goethals schakelde in de voorronde (het gastland was toen nog niet automatisch gekwalificeerd) zowel Portugal als superfavoriet Italië uit. Dat gebeurde in bikkelharde wedstrijden. Wilfried Van Moer werd zonder pardon een beenbreuk getrapt. Goethals maakte op de bank zo'n stampei, dat de carabinieri hem manu militari uit het stadion moesten verwijderen (hij was natuurlijk niet spontaan ingegaan op het bevel van de scheidsrechter zich naar de kleedkamers te begeven). België speelde weergaloos voetbal, tot in de halve finale tegen West-Duitsland het geniale duo Netzer-Muller te sterk bleek. Nochtans hadden de Belgen weerom op ijzeren wijze verdedigd, en had Gert Muller amper vier ballen kunnen aanraken, "beide voeten meegeteld". Maar hij legde er wel twee binnen.

Goethals was in die tijd minstens zo'n attractie als zijn spelers. De mooiste beschrijving van hem komt uit het verslag van een interland tegen Frankrijk en is van de hand van toenmalig Het Nieuwsblad-journalist Mark Dheedene, het stuk behoort tot de journalistieke klassiekers: "Met drie Goethalsen krijg je zelfs in een open vlakte sfeer. Terwijl de spelers oerkalm de wedstrijd afwerkten, voerde de Belgische bondstrainer een show op die in elk Parijs cabaret jarenlang voor een uitverkochte zaal zou zorgen. De wisselspelers kennen hun mannetje. Ze hadden hem de uiterste rand van de bank gegeven, om zelf nog iets van de match te kunnen zien en niet te veel blauwe plekken op te lopen als invaller. Onder een beregend blauw kapje vertoonde Raymond aan recordtempo alle mogelijke menselijke en onmenselijke gelaatsuitdrukkingen. Hij leverde meer fysieke inspanningen dan zijn elf spelers samen. Hij hielp, tot grote woede van de lijnrechter, de buitengelopen ballen oprapen en verhoogde nadien nog eens de ergernis van de man in de rode vlag door hem in één van zijn sprinten achteruit in het natte gras te duwen."

Als een buitenaards wezen in 'Star Trek' betastte hij zijn oren, klopte hij op zijn en op nabij gelegen billen, krabde hij zijn haren in nog grotere verwarring, wipte hij op en neer, zwaaide hij met de armen in alle windrichtingen, balde hij de vuisten, huilde en juichte hij. Naast hem was een brave Franse tv-cameraman aan het werk. Na een brutale fout op Raoul Lambert, de lievelingszoon van Raymond, sprong de vader dol van woede recht. De ref reageerde echter niet en Goethals ging uithuilen met het hoofd tussen beide ellebogen, op de camera. Na de match gaf Goethals zijn indrukken op de manier van iemand die pas ontwaakt is na een afgrijselijke nachtmerrie."

Die nachtmerrie werd de jaren nadien werkelijkheid en heette Nederland. Goethals bracht een team tussen de lijnen dat even goed was als Oranje - en dat wil wat zeggen, want het ging om het grote Oranje van Cruijff, Van Hanegem, Haan, Rensenbrink, Neeskens, Rep, Krol en co. Goethals had zijn oude kern behouden, en aangevuld met meer gesofisticeerde voetballers, fijne verdedigers als Maurice Martens en Erwin Vandendaele (twee Gouden Schoenen), felle mannen als Gilbert Van Binst, en technisch knappe zwoegers (dat bestond toen) als Jean Dockx en Jan Verheyen. Ze haalden tijdens de voorronde voor het WK 1974 evenveel punten als Nederland - en ze hadden eigenlijk moeten winnen, want in Nederland werd, kort voor tijd, een beslissend doelpunt van Jan Verheyen onterecht afgekeurd wegens buitenspel.

Vervolg pagina 6

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234