Donderdag 19/09/2019

Bestaat de wereld écht?

Oorlog tussen exacte en humane wetenschappers

Recensie door Geert Lernout

Keith M. Ashman en Philip S. Baringer

After the Science Wars

Routledge, Londen, 224 p., £ 15,99.

Ian Hacking

The Social Construction of What?

Harvard University Press, Cambridge, 261 p., £ 11,50.

Ze overdrijven natuurlijk altijd een beetje, de Amerikanen: science wars, zo noemen zij het conflict tussen 'harde' wetenschappers en hun 'humane' collega's. Niet dat er in die 'oorlog' niet met scherp wordt geschoten: de exacte wetenschappers beweren dat de menswetenschappers niets interessants te zeggen hebben en de laatsten menen dan weer dat hun tegenstanders doodsbang zijn. De Franse wetenschapssocioloog Bruno Latour schreef zelfs dat de exacte wetenschappers hun humane collega's nodig hebben als vijandfiguur - nu de koude oorlog voorbij is en ze meer moeite moeten doen om fondsen aan te boren, zijn de postmodernen een godsgeschenk: "Frankrijk is voor die wetenschappers een nieuw Colombia geworden, een land waar harddrugs worden gemaakt, derridium, lacanium, waartegen Amerikaanse doctorandi al even weinig opgewassen zijn als tegen crack."

Beide partijen zouden het graag anders zien, maar de 'oorlog' was niet meer dan een schermutseling en is ondertussen weer voorbij. De strijd ging natuurlijk niet tussen alle exacte wetenschappers aan de ene en alle humane wetenschappers aan de andere kant. De overgrote meerderheid van de exacte wetenschappers lag er niet van wakker; het zou mij zelfs erg verwonderen als meer dan een tiende van de exacte wetenschappers in Europa van het bestaan ervan afweet. Ook het andere kamp bestaat uit een minderheid. De aanval van de exacte wetenschappers was dan ook in de eerste plaats gericht tegen één bepaalde groep humane wetenschappers. In de jaren zeventig werden de exacte wetenschappen zelf het onderwerp van studie. Historici onderzochten op basis van correspondentie, dagboeken, brieven hoe belangrijke onderzoekers als Galilei, Newton en Einstein hun ontdekkingen hadden gedaan en sociologen gingen naar de laboratoria om zelf te zien wat daar gebeurde. De nieuwe disciplines wetenschapstheorie en wetenschapssociologie probeerden te achterhalen wat wetenschappers in werkelijkheid doen; een beetje zoals antropologen de zeden en gewoonten van een vreemde volksstam in kaart brengen.

Tot zover niets aan de hand. Thomas Kuhn had met zijn boek The Structure of Scientific Revolutions deze nieuwe disciplines niet alleen een handboek bezorgd, zijn studie was een van de meest geciteerde werken van de eeuw. Maar vijfentwintig jaar geleden sloeg de wetenschapsstudie een radicalere weg in. Onder invloed van het Franse poststructuralisme stelde men het 'harde programma' van de wetenschapsstudie op. De vertegenwoordigers van dit programma geloven in een heel radicale vorm van sociaal constructivisme, van het idee dus dat niets in de wereld natuurlijk is en dat alle feiten en begrippen het gevolg zijn van maatschappelijke interventies. Er zijn echter twee varianten: ofwel heeft dit inzicht te maken met de manier waarop mensen de wereld bekijken en dan is het een probleem van de epistemologie, ofwel gaat het over de manier waarop de wereld bestaat en dan hebben we het over ontologie. In deze laatste, extreme vorm kan men dan zeggen dat de planeet Pluto in de zeventiende eeuw nog niet bestond en dat het de deeltjesfysici zijn die de quark hebben gemaakt.

Het praktische gevolg is dat de exacte wetenschap kan worden bestudeerd door onderzoekers die zelf geen enkele notie van fysica of chemie hebben. En theoretisch gezien maakt het dus helemaal niets meer uit of de conclusies van de onderzochte wetenschappers juist waren of niet. Wetenschap is gewoon een van de vele mogelijke manieren om naar de werkelijkheid te kijken. Zoals Einstein in Buiten de Zone het al uitdrukte: "Het is allemaal relatief, hè mannen."

Deze uiterst sceptische en uiteindelijk nihilistische houding is al even oud als de Grieken en filosofisch gezien verschilt ze niet van het principe van bisschop Berkeley (1685-1753), esse est percipi: zijn is waargenomen worden, of anders gezegd, wat niet wordt waargenomen bestaat niet. Zo kun je het bestaan van de dingen wel betwijfelen maar niet bewijzen, en het is dan ook niet verbazingwekkend dat exacte wetenschappers met dezelfde frustratie reageren als Samuel Johnson op de vraag hoe hij het idealisme van Berkeley zou weerleggen: "I refute it thus, Sir", zei hij, en schopte tegen een steen. Geen filosofisch houdbare weerlegging, zelfs niet als je er de voet van Berkeley zelf voor zou gebruiken.

Toen Paul Gross en Norman Levitt met hun boek Higher Superstition. The Academic Left and Its Quarrels with Science (1994) het eerste salvo in de wetenschapsoorlog afvuurden, was hun belangrijkste vijand vooral deze groep van wetenschapsfilosofen die niet alleen de wetenschap als 'een verhaal' beschouwden, maar die ook nog eens beweerden dat de enige functie van het wetenschappelijke verhaal het onderdrukken van minderheden was. De term science wars werd voor zover ik weet het eerst gebruikt door het postmoderne kamp, in een speciaal nummer van Social Text, waarin de belangrijkste vertegenwoordigers van de sociale constructivisten antwoordden op de kritiek van Gross en Levitt. In datzelfde nummer stond maar één artikel door een exacte wetenschapper en dat bleek een paar weken later een wrede grap te zijn. De fysicus Alan Sokal had een onleesbare parodie bij elkaar gepend waarin alle clichés van het genre waren verwerkt. De redactie van Social Text was erin gestonken: blijkbaar was men zo blij dat er eindelijk een fysicus was opgestaan die ook dit soort van proza kon produceren dat men de aperte wetenschappelijke nonsens in het artikel er dan maar bijnam.

De controverse haalde de pers aan beide kanten van de oceaan. Iedereen deed zijn zegje, de een met al wat meer kennis van zaken dan de ander. Een redacteur van Social Text meende te weten dat Sokal het stuk eerst gemeend had maar daarna van idee was veranderd. De literatuurprof Stanley Fish (een van de best betaalde mensen in de business) maakte een vergelijking met baseball: net als ballen en strikes zijn quarks zowel echt als sociaal geconstrueerd. Daarbij vergat hij dan wel dat de fundamentele vraag juist is of quarks onafhankelijk van mensen bestaan - dat er zonder mensen geen ballen en strikes zijn zal niemand betwijfelen.

Samen met zijn Belgische collega Jean Bricmont publiceerde Sokal een boek over wat ze in de Engelse titel onverbloemd Fashionable Nonsense noemden (Intellectueel bedrog. Postmodernisme, wetenschap en antiwetenschap, 1998). Daarin deden ze twee verschillende dingen: ze gingen in discussie met de sociale constructivisten en ze stelden misbruik aan de kaak dat modieuze filosofen maken van (exact-)wetenschappelijke concepten.

Ondertussen is het dus heel wat stiller geworden in de oorlog. Bij dit soort van conflicten is het niet altijd gemakkelijk om uit te maken wie gewonnen heeft, maar er is een website waarop je kunt stemmen voor of tegen Gross en Levitt en 55 procent van de deelnemers is het 'helemaal' met hen eens. Maar de website vertoont heel wat lege plekken en dat wijst erop dat de interesse grotendeels verdwenen is. Het is dan ook geen verrassing dat begin dit jaar een boek uitkwam bij de modieuze uitgever Routledge met als titel After the Science Wars.

Dit boek is het enige waarin beide kampen aan het woord komen. Een van de redacteurs van Social Text, Andrew Ross, gaf vijf jaar geleden een boek uit dat gewoon Science Wars heette en waarin, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, alleen bijdragen van menswetenschappelijke kant waren opgenomen. Keith Ashman en Philip Baringer zijn evenwichtiger, zo evenwichtig dat de tweede in zijn inleiding schrijft dat dit boek voor iedere lezer wel minstens één stuk bevat dat totaal onaanvaardbaar is, zo onaanvaardbaar dat de lezer het hele boek misschien wel door de kamer zou willen keilen.

Dat klopt inderdaad - niet per se letterlijk, maar er is altijd wel iets dat je de bomen injaagt. Hier is dat een tekst van Gabriel Stolzenberg, die wel een heel arsenaal aan stilistische artillerie inzet, maar desondanks helemaal niets nieuws te vertellen heeft. Stolzenberg vindt blijkbaar dat het volstaat om te beweren dat critici van Derrida en anderen hier en daar niet helemaal accuraat zijn als ze deze auteurs van het schrijven van nonsens beschuldigen. Maar zou iemand die deze auteurs wil verdedigen niet beter kunnen uitleggen hoe we hun ingewikkelde uitspraken dan wel moeten begrijpen? En meteen ook maar eens verklaren waarom een en ander zo moeilijk of dubbelzinnig geformuleerd moest worden dat een heleboel slimme mensen het er zelfs niet over eens raken of er überhaupt iets in meegedeeld wordt? Maar met boeken gooien doe ik niet.

Over beide takken van het sociaal constructivisme worden hier heel interessante dingen verteld, door zowel voor- als tegenstanders. Voorstanders leggen eindelijk eens ondubbelzinnig uit dat de meeste wetenschapsfilosofen ook wel weten dat de wereld echt bestaat, maar dat het in sommige omstandigheden nuttig kan zijn om te laten zien dat er naast verlangen naar kennis en exploratiezin ook andere factoren kunnen meespelen in de manier waarop wetenschappers te werk gaan.

In dat verband is ook een heel interessante studie van Ian Hacking relevant. Zelfs als we het strong programme van de wetenschapssociologie toepassen en zijn boek dus niet lezen, kunnen we al concluderen dat The Social Construction of What? erin geslaagd is om op een of andere manier een vrijplaats tussen de strijdende partijen in te scheppen. Op het achterplat staan lovende citaten van Richard Rorty, een van de vaders van het Amerikaanse poststructuralisme en typisch genoeg een van die filosofen die een leerstoel vergelijkende literatuur bekleden, en van de fysicus en Nobelprijswinnaar Steven Weinberg, die in scherpe stukken in The New York Review of Books alle pomo-nonsens naar de duivel wenste. Hacking zelf behoort zeker tot het kamp van de menswetenschap: hij is filosoof en lid van het Institute for the History and Philosophy of Science and Technology in Toronto.

Vooral in de eerste helft van zijn boek bezoekt Hacking de wondere wereld der constructionisten. Hoewel hij enerzijds de nadruk legt op de noodzaak om aan te tonen dat sommige dingen 'sociaal geconstrueerd' zijn en dus met recht en reden aan een kritische analyse onderworpen moeten worden, laat hij anderzijds zien dat de term de laatste tien jaar last heeft van metaalmoeheid. In sommige gevallen is hij nauwelijks nuttig (iedereen weet dat geld en taal sociaal geconstrueerd zijn) en in andere gevallen dient de modieuze uitdrukking alleen maar om antirationalistische sentimenten de vrije loop te laten.

De kerngedachte van The Social Construction of What? staat in de titel en heeft opnieuw te maken met de vraag of de dingen en de wereld nu bestaan of niet. Wat wordt er nu eigenlijk sociaal geconstrueerd: de feiten zelf of ons idee van die feiten? Als Andrew Pickering schrijft dat quarks geconstrueerd zijn, bedoelt hij dan dat deze subatomaire deeltjes door wetenschappers gemaakt worden? Zelf beweert hij dat hij het niet heeft over "de idee van" quarks, hoewel Hacking het liever anders had gehad. Die laatste wil namelijk niet zozeer de twee posities dichter bij elkaar brengen als wel proberen te begrijpen waarom ze van mening verschillen, en dat zou heel wat eenvoudiger zijn als beide partijen het er ten minste over eens konden zijn dat alleen ideeën door mensen 'geconstrueerd' kunnen worden. Maar de constructivisten maken het hem dus zeker niet makkelijk.

Zoals Hacking ook opmerkt bestaat een kleine minderheid van de sociale constructivisten uit regelrechte wetenschapshaters. Met die houding staan ze niet alleen: ook de new-agebeweging is tegen de wetenschap. Ernstige wetenschapsfilosofen betreuren het dan ook dat Gross, Levitt, Weinberg en Sokal een kleine groep sociologen, filosofen en literatuurwetenschappers meenden te moeten aanvallen terwijl er op de wereld meer dan genoeg antirationalisten rondlopen die wél een grote invloed hebben. Vooral in de Verenigde Staten heb je met de religieuze rechterzijde een machtige lobby die een eigen bijbelse en dus antiwetenschappelijke agenda heeft. Maar daarnaast heb je een hele dierentuin vol met therapeuten en andere verkopers van dure levenswijsheid die allemaal tegen het materialisme van de wetenschap fulmineren.

Wat hen onderscheidt van de rechtse christenen is dat de new age, net als het poststructuralisme, niet openlijk tegen de wetenschap is. Volgens hen heeft de geavanceerdste wetenschap juist bewezen dat er geen zekerheden zijn en dat alle waarheid subjectief is. Als bewijs maken zowel de filosofen van het poststructuralisme als hun collega's uit de new age gebruik van steeds dezelfde reeks ideeën uit de wiskunde en de fysica. Het is interessant eens te kijken welke wetenschappelijke inzichten dat zijn die steeds weer misbruikt worden.

Boven aan de lijst staan zeker het onzekerheidsbeginsel van Werner Heisenberg, de chaostheorie, en het onvolledigheidsprincipe van Kurt Gödel. In al deze gevallen gebruikt men het prestige van de wetenschap om de rationele en wetenschappelijke visie op de wereld onderuit te halen door te beweren dat ieder van deze inzichten eens en voorgoed de objectieve en materialistische manier van denken heeft ontkracht. Wetenschap is blijkbaar alleen aanvaardbaar als ze de basisfilosofie van de wetenschap tegenspreekt. Of lijkt tegen te spreken, want in nagenoeg alle gevallen gaat het hier om een beschamende karikatuur, die Gödel noch Heisenberg zou herkennen.

In zijn ongelooflijk populaire boeken beweert de Amerikaans-Indiase sjamaan Deepak Chopra dat zijn geneesmethode gebaseerd is op de quantummechanica, en volgens celestijn James Redfield zou Einstein ons geleerd hebben dat de allerfundamenteelste elementen in het heelal energieën zijn die door mensen kunnen worden beïnvloed. Uiteindelijk doen de antiwetenschapsfilosofen die menen op de hogere wiskunde, de chaostheorie of de quantummechanica te kunnen steunen om een anti-objectieve of antirationele filosofie te propageren net hetzelfde als deze new-agekwakzalvers: zij verkopen dezelfde hoop die mensen vroeger in de godsdienst vonden. Dat het leven niet eindigt met de dood, dat wie de juiste dingen doet door bovenwereldse krachten wordt beschermd, dat de wereld een betekenis en een richting heeft.

Sommige menswetenschappers verdedigen hun poststructuralistische en postmoderne collega's met het argument dat exacte wetenschappers toch geen monopolie hebben van het gebruik van wetenschappelijke termen en dat er in principe niets tegen is om een term uit een bepaalde wetenschap op een andere manier te gebruiken. Wie weet; maar het is toch wel heel merkwaardig dat deze pomo's hun terminologie juist uit de moeilijkste en minst begrepen delen van de wiskunde en de fysica betrekken. Wat heeft het voor zin om een of ander literatuurwetenschappelijk of filosofisch idee te verduidelijken door middel van termen uit de quantumtheorie als Nobelprijswinnaars in de fysica vertellen dat je die theorie moet toepassen, maar verder vooral niet moet proberen ze te begrijpen?

Het grote verschil tussen pomo-auteurs en exacte wetenschappers lijkt te zijn dat de eersten blijkbaar de bedoeling hebben iets heel eenvoudigs heel ingewikkeld te maken, terwijl er wetenschappers zijn die erin slagen in populair-wetenschappelijke werken heel ingewikkelde dingen op een eenvoudige manier uit te leggen. Misschien is dat wel het enorme voordeel van de wetenschappelijke manier van denken: de ingewikkeldste bevindingen kunnen ontleed worden in inzichten die via logische stappen steeds eenvoudiger worden en die uiteindelijk teruggaan op wat we om ons heen kunnen waarnemen. Hetzelfde kan bepaald niet gezegd worden van het werk van de postmoderne goeroes.

Als Hacking erin geslaagd is duidelijker uit te leggen op welke manier de exacte wetenschappen en de sociaal-constructivisten juist van mening verschillen, is het de verdienste van de uitgevers van After the Science Wars minstens één stuk te publiceren met een ernstige kritiek op de aanvallen van Gross, Levitt, Sokal en Weinberg. De socioloog David Norman Smith toont in een heel heldere analyse aan dat het niet volstaat te klagen dat filosofen en sociologen de bevindingen van de wetenschap verkeerd weergeven en zich in antiwetenschappelijke avonturen storten. Hij laat zien dat de romantische reactie tegen rationaliteit en wetenschap nagenoeg even oud is als de wetenschap zelf. Maar ook bewijst hij overtuigend dat heel wat exacte wetenschappers romantische maar domme dingen hebben gezegd en geschreven. Vooral in de jaren twintig en dertig waren er in Duitsland en elders genoeg natuurkundigen die in het voetspoor van filosofen als Oswald Spengler de principes van causaliteit, objectiviteit en rationaliteit in twijfel trokken, en niet de geringste: Smith noemt Erwin Schrödinger en Niels Bohr. Misschien hebben zelfs in de studie van elementaire deeltjes wetenschappers soms last van de Zeitgeist.

Wetenschap op zich beschermt een mens dus niet tegen irrationele ideeën. Smith schrijft in het laatste deel van zijn bijdrage dat de pomo-filosofen alleen maar de recentste manifestatie zijn van een irrationalisme dat al eeuwen oud is en dat het postmodernisme van Lyotard en Derrida in wezen niet verschilt van het antimodernisme van het begin van de vorige eeuw.

De allereerste wetenschappelijke vereniging ter wereld was de Engelse Royal Society. Haar devies was en is nog steeds Nullius in verba, een verwijzing naar Horatius' Nullius addictus jurare in verba magistri, 'niemand is verplicht te zweren bij de woorden van welke meester ook'. Dit is het centrale punt van de wetenschappelijke methode: de oorspronkelijke leden van een koninklijke vereniging beloofden hier trots dat ze zich door niemand (en dus zelfs geen koning) lieten opleggen wat ze moesten denken. En dat was dubbel zo mooi omdat het oorspronkelijke citaat afkomstig is uit een brief van Horatius aan Maecenas, de vader van alle geldschieters.

De romantische reactie tegen rationaliteit en wetenschap is nagenoeg even oud als de wetenschap zelf, maar heel wat exacte wetenschappers hebben ook romantische maar domme dingen gezegd en geschreven

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234