Zondag 28/11/2021

Bert Wagendorp: Lance Armstrong is een trompe-l'oeil

Vermoedelijk ging het allemaal al mis met Arthur Linton, de vermaarde wielrenner uit Aberaman in Wales. Op 24 mei 1896 won hij de monsterrace van Bordeaux naar Parijs. Volkomen uitgeput kwam hij over de finish, met een voorsprong van 1 minuut en 2 seconden op de Fransman Rivière. De Duitse favoriet Fischer moest opgeven nadat hij in Chaunay was gevallen door een overstekende hond.

Ruim acht weken later, op 23 juli, overleed Arthur Linton, net 24 jaar oud.

Doping, zeiden de mensen. Was Linton niet getraind en begeleid door James Edward 'Choppy' Warburton, die we gerust de Michele Ferrari van zijn tijd mogen noemen? En was het niet algemeen bekend dat Choppy er niet voor terugdeinsde zijn renners strychnine toe te dienen of, als dat zo uitkwam, nitroglycerine, ter bestrijding van uitputting en wanhoop? Verdict duidelijk, zaak gesloten. Beeldvorming in gang gezet: zie je iets op twee wielen met een zwetende vent erop, dan is de dope nooit ver weg.

Beeldvorming en geloofwaardigheid waren nog niet aan elkaar gekoppeld. Toen de gebroeders Pélissier, Henri en Francis, er in 1924 in de derde etappe van de Tour de brui aan gaven, en in Café de la Gare in Coutances tegenover journalist Albert Londres een boekje opendeden over doping, werd de geloofwaardigheid van de sport geen seconde in twijfel getrokken. Integendeel, het gevecht en het lijden in de wielersport werden er alleen maar geloofwaardiger op: Les forcats de la route - 'De dwangarbeiders van de weg' - stond er op 27 juni boven het stuk van Londres in Le Petit Parisien.

Duivel

Je zou Londres de David Walsh van de jaren twintig kunnen noemen. Zij het dat het Angelsaksische sportmoralisme en de daarbij behorende verontwaardiging Londres vreemd waren - hij kon het wielerleed relativeren, had vermoedelijk te veel échte ellende gezien tijdens zijn journalistieke werk búiten de sport. De broers Pélissier lopen leeg, Londres noteert. Als een journalist, niet als een grootinquisiteur.

In 2004 werd Arthur Linton, tijdens een antidopingforum te Sydney, Australië, officieel uitgeroepen tot de eerste dopingdode in de historie van de sport. Inmiddels was de beeldvorming onlosmakelijk aan de geloofwaardigheid gekoppeld: Lintons zege in Bordeaux-Parijs kon bij het oud vuil: niet behaald volgens de zuiverheidswetten van de 21ste eeuw.

Wij hebben de werkelijkheid het liefst simpel en hapklaar. We willen weten wat goed is en wat kwaad en we hebben geen behoefte aan twijfelzaaiers die beweren dat er meer grijs is dan zwart en wit tezamen. We hebben de werkelijkheid bij voorkeur handzaam en overzichtelijk. De werkelijkheid hanteerbaar maken is een belangrijke taak van de media. Zeker op de sportpagina's en in de sportprogramma's, die wij consumeren ter verstrooiing: simpel graag.

Wij hebben het immense spiegelpaleis van de topsport gecreëerd, waar niets is wat het lijkt. Een wereld waarin we de artiesten toejuichen zolang ze onze illusies maar in stand houden. En als ze door de mand vallen, blijken we plotseling moralisten pur sang, prekers van zuiverheid en het schone. We weigeren in de spiegels onze eigen hypocrisie in de ogen te kijken.

Beeldvorming zoals we die wensen: Lance Armstrong is de duivel. Het stond in november boven een artikel in De Morgen, tussen aanhalingstekens, want het was een uitspraak van Betsy Andreu, de echtgenote van Armstrongs voormalige ploeggenoot Franky Andreu en 'de vrouw die Lance Armstrong ten val bracht' - ook beeldvorming.

In de affaire-Armstrong ging een groot deel van de media moeiteloos mee in de versimpeling van de werkelijkheid, in het gemakkelijke oordeel, het goedkope gemoraliseer, de snelle beeldvorming. Er sprak een zekere opluchting uit de honderden stukken die werden gepubliceerd naar aanleiding van het Usada-rapport: eindelijk was alles duidelijk en hoefde er niet meer te worden nagedacht.

Helder: Armstrong was niet alleen een grootgebruiker, hij was ook de duivel die de renners in zijn ploeg had gedwongen doping te gebruiken. Dat slachtoffers van die praktijken, zoals Hamilton, Landis en Heras, werden betrapt nadat ze zijn ploeg al hadden verlaten, en dus kennelijk geen dwang nodig hadden, bleef buiten beschouwing. En ook dat geen van de voormalige ploeggenoten over de kwalijke praktijken van The Boss had geklaagd tot zij dat onder druk van justitie en Usada (en met strafvermindering in het vooruitzicht) wél deden.

De vraag of in de sport zoiets als vrije wil bestaat en of de ene renner de andere wel tot dopinggebruik kán dwingen, werd niet gesteld. Het beeld van de alles en iedereen manipulerende Armstrong was kennelijk veel te aantrekkelijk om te worden genuanceerd.

In maart 1986 ging ik voor het eerst als journalist naar een profkoers, de laatste etappe van de Driedaagse van De Panne. Die eindigde in een sprint tussen Eddy Planckaert en Eric Vanderaerden, Planckaert won. "Vanderaerden kneep in de remmen", zei een collega. "Opmerkelijk. Eddy Planckaert moest zeker winnen."

"Denk het wel", zei ik. Ik wist al dat in het wielrennen niet alles was wat het leek. "Vanderaerden het eindklassement, Planckaert de etappe. Iedereen blij." Het kwam niet bij me op dat het wielrennen nu niet meer geloofwaardig was omdat je er nooit zeker van kon zijn dat de winnaar inderdaad de sterkste was.

Het grote zwijgen

Geloofwaardigheid hangt sterk af van de voorwaarden die je eraan stelt. De Tourzeges van Lance Armstrong zijn bijvoorbeeld ongeloofwaardig verklaard. Doping, luidt het moderne credo, vernietigt de geloofwaardigheid.

Die is in de topsport lang beschermd door het grote zwijgen. Wanneer een wielrenner sprak over de manier waarop een wedstrijd was beslist, deed hij dat uitsluitend in geaccepteerde formules: keihard afzien, een grote mate van slimmigheid en de hulp van de ploegmaats. Nooit een woord over manipulatie.

Soms werd er iemand op doping betrapt. Joop Zoetemelk bijvoorbeeld, of Michel Pollentier. Tastte dat de geloofwaardigheid van de sport aan? Niet wezenlijk. Ook kwam wel eens een verhaal naar buiten over een verkochte koers. Lag niemand van wakker. Het publieke geheim van het wielrennen was dat niet elke uitslag volgens de regels van het padvindershandboek tot stand kwam. Maar volledige zuiverheid en absolute eerlijkheid waren nog geen dwingende voorwaarden voor geloofwaardigheid.

Die liberale houding had alles te maken met de vrij algemeen geaccepteerde cultuur van het wielrennen. Een zekere schimmigheid heeft daarvan altijd deel uitgemaakt. De fans hadden daar geen moeite mee. Integendeel: de schelmenverhalen over de koers droegen bij aan de duistere maar ook aantrekkelijke romantiek van de sport. Het leven was niet eerlijk, het wielrennen evenmin, maar het leverde tenminste wel gespreksstof op voor aan de toog.

De liefhebber wist van oudsher dat hij naar een schouwspel keek waarin het niet altijd volstrekt duidelijk was waar de werkelijkheid ophield en de verdichting begon. Dat was de realiteit van het cyclisme. De afspraak tussen publiek en renner luidde: het publiek - of zijn afgevaardigde, de journalist - tracht schaduwen te ontdekken, de renner doet er alles aan die verhullen. En zodra er iets van de onderliggende waarheid boven water komt, ontkent de renner uit alle macht. Want ook dat behoort tot de regels van het spel. Met stip op één: de renner die verklaarde dat het eten van een gedrogeerde postduif hem noodlottig was geworden.

De geloofwaardigheid in het wielrennen was heel lang de geloofwaardigheid van de toneelspeler. Het is niet de echte Hamlet die we horen zeggen: "There is nothing either good or bad, but thinking makes it so." Het is een toneelspeler. Maar de afspraak is dat we, zolang het spel duurt, geloven dat hij de koning is.

Dat is niet zomaar iets, het is een van de grote verworvenheden van de spelende mens die het leven buitengewoon veel aangenamer maakt: de verbeelding, de fantasie, het geloof - de afspraak dat iets geloofwaardig is, ook als het elementen van gespeelde werkelijkheid bevat.

Soms komt er, na jaren, een waarheid achter de illusie naar boven. Die verhalen vormen een apart genre binnen het wielrennen en ze voegen eerder iets toe dan dat ze afbreuk doen. Ze benadrukken dat de wereld van het cyclisme een gecompliceerde wereld is, waar schijn en werkelijkheid soms onontwarbaar door elkaar heen lopen. Zo vreemd is dat niet: het is in de echte wereld buiten het wielrennen niet anders.

De Nederlandse coureur Gerben Karstens die na een zege in de Ronde van Lombardije positief werd bevonden omdat de van zijn chauffeur geleende urine niet schoon bleek - de man had er ook een pil in gegooid.

Protestants keurslijf

Met de komst van de Angelsaksische coureurs deed ook de Angelsaksische moraal zijn intrede. Daarmee verloor het wielrennen niet alleen zijn verbeelding, maar ook zijn zwarte humor. Ervoor in de plaats kwam de doodsaaie, kale waarheid van fundamentalisten als WADA-voorzitter Dick Pound. Misschien zou je kunnen zeggen dat de Engelstaligen een poging doen het rijke roomse wielerleven in een strak protestants keurslijf te persen.

Voorjaar 1986: 's avonds zit ik in hotel Stella Maris in De Panne aan tafel met ploegleider Jan Raas, ex-wereldkampioen, klassiekerkoning. Raas zegt het volgende, nadat we hebben afgesproken dat de rest van het gesprek off the record is: "De afgelopen tien jaar is geen enkele wereldtitel op een normale manier veroverd, afgezien van die van Joop Zoetemelk." Opmerkelijk: Raas zegt dat ons beeld van negen van de tien laatste wereldkampioenschappen, dat van hemzelf incluis, deels een illusie zijn. Hij gaat niet in op de details, hij zegt alleen dat wat wij zagen niet was wat we zagen, hij grijnst er zijn Raasgrijns bij en hij bestelt meer pils.

Het is, al weet ik dat dan nog niet, de oerles van het wielrennen: niets is wat het lijkt. Dat voegt iets toe, namelijk de feestelijke ruimte voor speculatie en vermoedens. Veel later hoor ik trouwens dat er ook aan de zege van Zoetemelk haken en ogen zaten.

Geloofwaardigheid, volgens de definities van de zuivere sport, is in het wielrennen niet het hoogste goed. Ook de gemanipuleerde waarheid is in het cyclisme geloofwaardig, omdat manipulatie er al sinds de vroegste tijden tot de geaccepteerde strijdmiddelen behoort.

Alleen de fantasieloze moralist stelt als eis dat hij wil kunnen geloven dat in elke wedstrijd de beste renner wint: de immense ambtenarensaaiheid van dat verlangen ontgaat hem.

In 2008 deed ene Stuart Stanton onderzoek naar de dood van Arthur Linton. Hij kwam tot de conclusie dat doping niet de oorzaak was geweest. Linton overleed volgens hem aan tyfus en de naweeën van totale uitputting.

Dit is een ingekorte en aangepaste versie van een artikel dat deze week verschijnt in de 'Lancegate-editie' van De Muur, literair wielertijdschrift voor Nederland en Vlaanderen. www.demuur.nu

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234