Zondag 20/09/2020

KunstInterview

Bendt Eyckermans, de nieuwe chouchou van de kunstwereld: ‘Ik ben nog geen totaalpakket’

Schilder en raskunstenaar Bendt Eyckermans in zijn atelier: ‘Toen ik voor het eerst in het huis van een kameraad ging spelen, zei ik: huh?! Hier staan geen beelden ofwa?’Beeld Joris Casaer

Zijn schilderijen zijn gegeerd tot in China en Amerika. En ondanks zijn prille leeftijd opent hij volgende week al zijn vierde solotentoonstelling. Toch blijft Bendt Eyckermans (25) een toonbeeld van nederigheid. ‘Succes kan heel intimiderend zijn.’

Het vooruitzicht van een XXL-interview in de weekendkrant maakt Bendt Eyckermans tegelijk blij en zenuwachtig. Hij is verheugd over de aandacht die zijn werk krijgt, maar maakt zich zorgen over de woorden die van hem verwacht worden. “Ik praat eigenlijk niet zo graag over mijn schilderijen”, zegt hij. “Je eigen werk ontleden is zoals in de spiegel kijken: het voelt bij momenten nogal ongemakkelijk aan. Waarom zou ik mijn kunst moeten uitleggen? Een chef-kok kauwt zijn gerechten toch ook niet voor in het bijzijn van klanten? De mensen moeten mijn werk zelf maar ervaren.”

Er is nog een bijkomend interviewobstakel: hij vindt naar eigen zeggen niet altijd de juiste woorden om iets uit te leggen. Dat klopt, blijkt even later. “Hoor jij als journalist niet smakeloos te zijn?”, vraagt hij nadat ik hem gezegd heb dat ik van zijn werk hou. Een origineel alternatief voor: “Hoor jij als journalist niet objectief te zijn?” Ik antwoord dat objectiviteit tijdens een gesprek over kunst nogal smakeloos zou zijn en doe alsof ik weet wat ik daarmee bedoel.

Ook zonder verbale krachtpatserij is Bendt Eyckermans erin geslaagd om een van de meest bewonderde Belgische kunstenaars van het moment te worden. Sinds zijn tentoonstelling bij de Vrienden van het S.M.A.K eind vorig jaar en zijn solo in de Londense Carlos/Ishikawa-galerie begin dit jaar is de vraag naar zijn werk exponentieel toegenomen. “Iemand zei me ooit dat mijn werk zowel bij kunstkenners als bij leken aanslaat”, zegt hij in een poging om zijn succes te verklaren. “Of dat waar is, weet ik niet, maar het is een van de mooiste complimenten die ik ooit heb gekregen.”

Eyckermans verbeeldt kleine, alledaagse taferelen op een sterk gedramatiseerde, haast filmische manier. Zelfs een man die voor een geldautomaat staat of een vrouw die aan het telefoneren is, wordt door Eyckermans met de nodige gravitas geportretteerd. “Mijn onderwerpen zijn persoonlijke observaties over mijn eigen leven en de mensen rondom mij”, zegt hij. “Maar ik drenk ze in surrealisme en mysterie. Ik ben niet op zoek naar een narratief, ik wil beeldende poëzie maken.” Voor een zelfverklaard woordenbroddelaar zijn dat taalkundige spijkers met koppen.

We drinken thee in zijn atelier, waar de stilte slechts doorbroken wordt door een zoemende kachel. De buitenwereld, met zijn kakofonie van gerucht en geruis, dringt niet door tot de artistieke stulp van Bendt Eyckermans.

‘Het doffe vuur’, 2019, Oil paint on linen, 100 x 90 x 2,5 cm. Bendt Eyckermans: ‘Ik vind vrolijke kunst niet zo interessant. Ik hou meer van het onheilspellende.’Beeld Bendt Eyckermans

Al slenterend bekijken we de werken die vanaf volgende zaterdag aan de witgekalkte muren van de Gallery Sofie Van de Velde zullen hangen: grote en kleine olieverfschilderijen op doek, maar ook een aantal verbluffende tekeningen op papier. “Mijn werken op papier maak ik met de restjes verf die hier rondslingeren”, zegt Bendt Eyckermans.

“Het zijn mijn ‘en nu ga ik even helemaal loos’-werken. Doeken kosten veel geld: daarop kun je niet zo goed experimenteren. Maar op papier kan ik onbekommerd mislukken, wat erg leerzaam is. Af en toe maak ik tijdens mijn papiersessies tekeningen die echt de moeite waard zijn. Ik beschouw ze als een volwaardig deel van mijn oeuvre.”

Ook in je werken op papier schilder je in wezen banale taferelen: een man die zijn hond uitlaat, een stilstaande auto, twee mensen die elkaar de hand schudden. Wanneer vind jij een tafereel de moeite waard om te schilderen?

“Dat hangt ervan af. Op sommige dagen denk ik: nu heb ik zin om een oor te schilderen waar iemand een vinger in propt. Gewoon, omwille van de schilderkundige uitdaging. Op andere dagen wil ik een bijzonder moment in mijn leven op doek vastleggen. Een schilderij hoeft voor mij niet altijd diep of betekenisvol te zijn. Zolang het de toeschouwer maar prikkelt om zélf een verhaal te creëren. Op een vernissage vind ik het altijd boeiend om te horen welke betekenis de genodigden aan mijn werk geven. Zo leer ik hen een beetje kennen. Wat mensen in een werk zien, zegt namelijk meer over hen dan over mij.”

Dat je schilderijen zo donker en dreigend zijn, zegt dat dan weer iets over jou?

“Ja, dat ik vrolijke kunstwerken niet zo interessant vind. (lacht) Ik hou van het duistere, het onheilspellende. Als ik voor een middeleeuws schilderij sta waarop een bijbels tafereel is afgebeeld, gaat mijn aandacht automatisch naar de hel. Ik ben er zeker van dat al die middeleeuwse schilders meer plezier beleefden aan het schilderen van satanische figuren dan aan het uitbeelden van vrome zieltjes. Getroebleerde schurken zijn altijd boeiender dan fatsoenlijke mensen. In films hebben de slechteriken ook meer diepgang dan de superhelden.”

‘I want my work to be as Belgian as possible’, zeg je in je bio. Je laat je graag en nadrukkelijk beïnvloeden door de Belgische kunstgeschiedenis?

“Ja. Ik heb niet het gevoel dat ik onze culturele erfenis moet vernietigen om er zelf iets te kunnen aan toevoegen. Ik hou van de Belgische kunst van vroeger. Het werk van Bruegel, Rubens of Permeke inspireert mij. Net zoals dat van Velázquez, Otto Dix en George Grosz, trouwens.

“Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat ik wil schilderen zoals zij. Ik wil mijn eigen beeldtaal creëren.”

Je geeft België – of beter gezegd: Antwerpen – ook létterlijk een plaats in je schilderijen.

“Ik verwerk graag lokale elementen in mijn werk, ja. De ene keer is dat de Boerentoren in Antwerpen, de andere keer een huisgevel in mijn straat. Mijn omgeving sijpelt om de een of andere reden altijd mijn schilderijen binnen. Ik heb vorige zomer een maand in Los Angeles gewerkt: er doken meteen palmbomen in mijn werk op. Moraal van het verhaal: zolang ik in Antwerpen woon, zal ik nooit een strand schilderen. Of het moet dat van Sint-Anneke zijn.” (lacht)

Je maakt zo’n vijftien tot twintig grote doeken per jaar. Dat is – met permissie – niet zo heel veel.

“Ik werk graag traag. Zelfs min of meer voltooide werken laat ik graag nog een maand sudderen. Om er vervolgens in extremis nog iets aan toe te voegen of uit weg te laten. Een werk is voor mij pas af als ik het gevoel heb dat ik er echt niks meer aan hoef te veranderen. Ik eis van mezelf het allerbeste schilderij dat ik kan maken.”

Welk type kunstenaar ben jij? Hou je er de gebruikelijke kantooruren opna? Of schiet je pas in actie wanneer de muze roept?

(denkt na) “Ik weet eigenlijk niet of ik mezelf al wel een kunstenaar durf te noemen. In mijn ogen is een kunstenaar iemand die multidisciplinair is. Aangezien ik voorlopig enkel schilderijen maak, noem ik mezelf veeleer een schilder dan een kunstenaar. Ik ben nog niet het totaalpakket dat een kunstenaar naar mijn gevoel hoort te zijn. Maar ik heb wél de ambitie om het te worden. Ooit wil ik zeker sculpturen maken.”

Bendt Eyckermans: ‘Handel drijven is niet mijn ding. Ik zou een werk verkopen voor twee euro.’ (lacht)Beeld Joris Casaer

Dat er in Bendt Eyckermans een beeldhouwer aan het rijpen is, kan nauwelijks een verrassing worden genoemd: hij groeide op tussen de beeldhouwwerken van zijn grootvader Lode en zijn vader Barthold. De bovenste verdiepingen van zijn atelier – een achterhuis dat al decennialang tot het familiepatrimonium behoort – worden volledig ingepalmd door de sculpturen van zijn voorvaders: imposante scheppingen in lumineus wit, omsluierd met een kunstzinnig laagje stof.

“Een tijdcapsule die bewaard is gebleven”, noemt Eyckermans het familiale kunstenaarspand. “Hier komen drie plastische levens samen: dat van mijn grootvader, dat van mijn vader en dat van mij.”

Op de spiegel in zijn atelier zijn de witte afdrukken te zien van twee kinderhanden: de 5-jarige tengels van Eyckermans zelf, die ook als kleuter al in dit gebouw rondhing. “Ik hielp mijn vader soms met het inzepen van mallen of met het gieten van een beeld. Mijn handen moeten nog vuil geweest zijn toen ik ze tegen die spiegel drukte.

“Mijn grootvader heb ik hier nooit zien werken. Ik was vier toen hij overleed. Ik heb hem vooral via zijn beelden leren kennen. Eerst als mens – achter elk van zijn beelden schuilt wel een persoonlijk verhaal – maar later ook als kunstenaar: ik heb in zijn beelden zijn plastische logica ontdekt.”

Moest je zelf een kunstenaar worden om de werken van je vader en grootvader naar waarde te schatten? Of deed je dat als kind al?

“Ik ben hun beelden pas als kunstwerken gaan zien toen ik al aan de academie studeerde. Als kind vond ik ze vanzelfsprekend. Toen ik voor het eerst in het huis van een kameraad ging spelen, zei ik: ‘Huh?! Hier staan geen beelden ofwa?’ (lacht) Pas later ben ik gaan beseffen dat de beelden in dit huis geen decorstukken zijn, maar kunstwerken. Ik kijk er vandaag veel aandachtiger naar. Ik ontdek er nog altijd details in die mij nooit eerder waren opgevallen.”

In het ter ziele gegane Canvas-programma Culture club zei je dat je de familiegeschiedenis met plezier voortzet. Hoort een jonge kunstenaar zijn artistieke stamboom niet om te hakken?

“Nee. Het kunstverleden van mijn familie zit in mijn DNA. Ik vind het fijn om uit de artistieke nalatenschap van mijn voorouders iets nieuws te doen ontstaan.”

Je bent wel gaan schilderen in plaats van te beeldhouwen. Omdat je in de familiekroniek een eigen hoofdstuk wilde opeisen?

“Voor een deel wel. Maar vooral omdat ik dacht dat een schilderopleiding een logisch opstapje was naar een filmcarrière. (lacht) Ik droomde ervan om cineast te worden en had gelezen dat nogal wat regisseurs – zoals Robert Bresson en David Lynch – eerst een tijdje geschilderd hadden voor ze films begonnen te maken. En dus dacht ik: laat ik dat ook maar doen. Ondertussen heb ik begrepen dat films regisseren niks voor mij is. Een cineast moet met andere mensen samenwerken en daar ben ik te koppig voor. Als schilder ben je én regisseur én scenarist én artdirector. Dat ligt mij beter.”

De figuren die je schildert, lijken wel sculpturen. Het is verleidelijk om te denken dat de beeldhouwkunst toch al in je werk geslopen is.

“Ik heb de voorliefde voor het monumentale dan ook met de paplepel meegekregen. Ik schilder eigenlijk zoals mijn vader en grootvader boetseerden. Donkere kleuren breng ik vlak en schraal aan, lichte kleuren dik en pasteus: zo ontstaat er een illusie van diepte. Er wordt mij vaak gezegd dat mijn schilderijen op bas-reliëfs lijken.” (‘halfverheven’ beeldhouwwerken, die slechts over een geringe afstand uit het platte vlak komen, red.)

De beeldhouwwerken van je grootvader waren aanvankelijk realistisch, maar werden mettertijd steeds expressionistischer. Zie jij jezelf ooit van schilderkundig genre veranderen?

“Zeg nooit nooit. Een kunstenaar moet maar één ding: trouw blijven aan zijn eigen goesting. Ik hoop dat de mensen het mij zullen vergeven als ik op een dag zin heb om eens niet-figuratieve schilderijen te maken. Want het is niet altijd makkelijk om je los te rukken van de werken waarmee je bekend geworden bent. Zeker niet als er veel vraag naar is.”

Vrees je dat je succes een ketting zal worden? Dat het je zal verplichten om vast te houden aan de stijl waarin je vandaag schildert?

“Succes kan heel intimiderend zijn. Er zijn kunstenaars die zichzelf te lang blijven herhalen omdat ze het niet durven om potentiële kopers teleur te stellen. Maar ik ga ervan uit dat ik dat zelf níét zal doen. Mijn werk moet integer blijven. Als je als kunstenaar niet achter je eigen werk kunt staan, gaan mensen vroeg of laat beseffen dat het leeg is. (stilte) Waarmee ik natuurlijk niet gezegd wil hebben dat een kunstenaar zichzelf per se moet vernieuwen. Monet is altijd hooibergen blijven schilderen. Omdat hij dat zelf wilde. Niet omdat de kunstmarkt erom vroeg.”

Wordt het – naarmate je als kunstenaar meer kilometers op de teller hebt staan – moeilijker om met je vader over kunst te praten? Of juist makkelijker?

“Mijn vader en ik hebben allebei nogal uitgesproken opvattingen over kunst. Soms zijn die compatibel met elkaar, soms niet. Maar hij heeft me veel geleerd. Dankzij mijn vader ben ik kunststromingen gaan waarderen waar ik initieel totaal geen oog voor had. Daar ben ik hem dankbaar voor.”

Op de tafel voor de kachel ligt een boek met de afmetingen van een ultra-HD-tv: Pieter Bruegels Catalogue of Paintings.

Op de vloer rust een exemplaar van Les dessins: een naslagwerk over de negentiende-eeuwse schilder Gustave Courbet. “Wie bestudeert hoe er vroeger geschilderd werd, is beter gewapend om een eigen stijl te ontwikkelen”, legt Eyckermans de aanwezigheid van de boeken in zijn atelier uit. “Tijdens het eerste jaar aan de academie moest ik eens een werk van Jean Brusselmans kopiëren. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd. Over vormen, kleuren, materialen, technieken... En toen ik klaar was, kon ik zeggen dat ik een bijna-Brusselmans in mijn bezit had.” (lacht)

‘De Tuin van Luciana’, 2019. Oil paint on linen, 180 x 160 x 2,5 cm. Eyckermans: ‘Ik vind het belangrijk om te weten waar een werk naartoe gaat. Dan kan ik vragen of ik het nog eens mag komen bekijken.’Beeld Bendt Eyckermans

De dag voor dit interview had ik Sofie Van de Velde gevraagd om Bendt Eyckermans alvast even voor me te duiden. Ook zij had me gewezen op zijn talent om het verleden in het hier en nu te plaatsen. “Bendt weet alles over de Belgische kunstgeschiedenis en heeft thuis een rijke beeldtaal meegekregen. Maar hij bezit de wijsheid om die kennis om te zetten in iets wat alleen hij kan maken. Dat ik daar als galerist getuige van mag zijn, maakt mij – ik overdrijf niet – ongelooflijk gelukkig.”

Nadat ik hem de lovende woorden van Van de Velde heb overhandigd, vraag ik of het toeval is dat zijn twee galeristen (in Londen werkt hij samen met Vanessa Carlos van de Carlos/Ishikawa-galerie, red.) allebei vrouwen zijn. “Eigenlijk wel, ja. Maar dat neemt niet weg dat ik het heel bijzonder vind om vertegenwoordigd te worden door twee sterke, ambitieuze vrouwen. Sofie en Vanessa hebben een uitgesproken visie op kunst, maar zijn tegelijkertijd heel empathisch. Ze zorgen ervoor dat mijn werk door de juiste mensen gekocht wordt, maar waken er ook over dat ik niet opbrand. Dat ik geprikkeld blijf.”

Kun jij op je 25ste al leven van je kunst?

“Ja. Zij het niet op een jetset-manier.” (lacht)

Bepaal jij mee hoeveel je werken moeten kosten?

“De zakelijke kant van het kunstenaarschap besteed ik met plezier uit aan mijn galeristen. Handel drijven is niet mijn ding. Ik zou een werk verkopen voor twee euro.”

(Fotograaf Joris Casaer:) ‘Ik heb toevallig twee euro op zak, denk ik.’

“Bij wijze van spreken, bedoel ik. Misschien moet je dat van die twee euro maar niet schrijven.” (lacht)

Weet je wie jouw kopers zijn?

“De meesten ken ik, ja. Sommigen onder hen kochten al schilderijen van me toen ik nog aan de academie studeerde. Ze zijn al jaren ambassadeurs van mijn werk en hebben in aanzienlijke mate tot mijn succes bijgedragen. Ik vind het in ieder geval belangrijk om te weten waar een werk naartoe gaat. Al was het maar omdat ik dan kan vragen of ik het nog eens mag komen bekijken.”

Doe je dat soms?

“Ja. En dat levert bijna altijd interessante ontmoetingen op. Het is best boeiend om eens bij een hartchirurg te blijven eten.”

Wat is jouw definitie van succes?

“Succes is liefde. Wanneer iemand mij een compliment geeft over mijn werk, voel ik mij succesvol, zo simpel is het. Ik ga heel erg op in mijn kunst. Als ik vind dat ik overdag goed gewerkt heb, kom ik ’s avonds in een lichte staat van euforie thuis. Maar als ik een slechte dag heb gehad, kan ik behoorlijk onaangenaam zijn. Dan stuurt mijn vriendin me weleens terug naar mijn atelier.”

Je bent goed bevriend met Ben Sledsens, die andere jonge, op talloze boodschappenlijstjes van verzamelaars figurerende schilder. Zouden jullie bij wijze van co-workingspace een atelier kunnen delen?

“Mm, allicht niet. Maar Ben en ik bellen wel vaak met elkaar terwijl we in onze ateliers zitten. Het gebeurt dat we dan over ons werk praten. Het gebeurt ook dat we nadien vergeten op te hangen, allebei verder werken en ons pas herinneren dat we nog in gesprek waren op het moment dat een van ons tweeën een scheet laat.” (lacht)

Ik zie in je Instagramstory’s dat er de laatste tijd regelmatig een puppy door je atelier dendert. Als remedie tegen de eenzaamheid van het kunstenaarsbestaan?

“Die puppy heet Aldo en is eigenlijk de hond van mijn broer, die zich pas na de aanschaf van zijn hond realiseerde dat hij fulltime werkt. (lacht) Ik neem dus nu en dan de baasjestaken van hem over.

“Maar om op je vraag te antwoorden: ik voel me bijna nooit eenzaam. Er zijn kunstenaars die graag in het gezelschap van anderen werken, maar ik ben liever op mezelf. Dan kan ik me beter concentreren. Ik moet alleen nog een manier vinden om dat aan mijn vrienden te vertellen.” (lacht)

‘Na een slechte dag kan ik behoorlijk onaangenaam zijn. Dan stuurt mijn vriendin me weleens terug naar mijn atelier.’Beeld Joris Casaer

We besluiten dat er ondertussen wel genoeg woorden zijn uitgebracht. Terwijl ik mijn bandopnemer opberg, begint het buiten te regenen. Het glazen dak van het atelier versterkt het geluid van de regendruppels met factor tien. “Als het regent, wordt deze ruimte een trommel”, zegt Eyckermans. “Waarschijnlijk is het momenteel maar zachtjes aan het regenen. En toch lijkt het van hieruit alsof er een nieuwe zondvloed op komst is.” Of hoe het atelier van Bendt Eyckermans een beetje is zoals een schilderij van Bendt Eyckermans: een hyperbool van het doodgewone.

Bendt Eyckermans, Blue Shadow, van 30/11 tot 5/1, Gallery Sofie Van de Velde, Antwerpen, sofievandevelde.be

Beeld Bendt Eyckermans
Beeld Bendt Eyckermans
Bendt EyckermansBeeld Bendt Eyckermans
Beeld Bendt Eyckermans
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234