Vrijdag 23/04/2021

Bekentenissen van een linke rechter

Albert Camus. 'De val'

'Ik ben geen filosoof," beweerde Albert Camus meer dan eens. Maar de nadruk waarmee hij dat herhaalde maakt de uitspraak meteen verdacht. Ook al is Camus in de eerste plaats bekend als de auteur van L'Étranger (1942) en La Peste (1947), deze romans zijn niet los te denken van zijn essays, zoals Le Mythe de Sisyphe (1942) en L'Homme révolté (1951).

Het essay over het absurde, zoals de ondertitel van De mythe van Sisyphus luidt, begint met de stelling dat de filosofie maar één ernstig te nemen probleem kent: de zelfmoord. Dat probleem hangt samen met wat Camus het absurde noemt, "een ervaring die men in deze eeuw keer op keer aantreft". Camus analyseert die ervaring aan de hand van de bekende Griekse mythe van Sisyphus, die door de goden gedoemd was om na zijn dood in de onderwereld een telkens weer naar beneden rollend rotsblok steeds opnieuw tegen een berghelling omhoog te wentelen. Het absurde ontstaat volgens Camus door de spanning tussen mens en wereld, de tegenstelling tussen het irrationele van wat ons omringt en ons onverzadigbare verlangen om het te begrijpen, onze nostalgie naar het absolute en het besef dat wij niet van waarheid, alleen van waarheden kunnen spreken.

De mens voelt zich daarom altijd een vreemdeling. Oog in oog met het absurde is hij een solitair; solidair wordt hij pas wanneer hij tegen het absurde in opstand komt. Dat is het uitgangspunt van L'Homme révolté. De reacties op dit essay (waarin Camus onder meer kritiek uit op het stalinisme) vormden onrechtstreeks de aanleiding voor het schrijven van La Chute (1956), een van Camus' laatste werken. Vooral de scherpe kritiek in Sartres tijdschrift Temps Modernes was hard aangekomen. Sartre had te verstaan gegeven dat Camus een burgermannetje was geworden en in de filosofie altijd wel een dilettant zou blijven. Door deze kwestie kwam het niet alleen tot een breuk tussen beide schrijvers, maar ging Camus zo aan het piekeren over zijn eigen kwaliteiten dat hij de daaropvolgende jaren nauwelijks tot iets creatiefs in staat was.

Tot hij aan De val begon, de 'biecht' van Jean-Baptiste Clamence. Deze "rechter-in-penitentie" begint in een café in Amsterdam over zichzelf te praten tegen een toevallige bezoeker die niet aan het woord komt. De aangesprokene ("u" dus) wordt vijf avonden na elkaar door Clamence rondgeleid in Inferno Amsterdam, de "burgerlijke hel" op het diepste punt der Lage Landen, omcirkeld door grachten. Clamence vertelt over zijn succesrijke loopbaan als advocaat in Parijs, waar hij zich specialiseerde in de verdediging van weduwen en wezen. Voorts deed hij niets liever dan blinden helpen en bloemen kopen voor goede doelen, louter om het goede gevoel, het zelfrespect en de zoete nasmaak van de zelfgenoegzaamheid. "Zo is de mens, monsieur: hij heeft twee kanten; hij is niet in staat tot liefde zonder eigenliefde."

Maar aan het zelfverzekerde en tevreden gevoel komt plots een einde wanneer Clamence op een avond een sarcastisch gelach hoort dat nergens vandaan lijkt te komen. Kort daarna is hij getuige van een zelfmoord: een vrouw spring van een brug in de Seine en hij onderneemt geen enkele poging om haar te redden. Het voorval brengt hem totaal uit zijn evenwicht. Uiteindelijk geeft hij zijn baan als advocaat op en vestigt hij zich als rechter-in-penitentie te Amsterdam. Dit zelfverzonnen beroep is het gevolg van een zonderlinge gedachtengang: hoe meer hij zichzelf beschuldigt, met des te meer recht kan hij over anderen oordelen. Daarom zoekt hij in zijn stamkroeg naar lotgenoten die bereid zijn te luisteren naar zijn bekentenissen.

De oprechtheid van zijn biecht is echter twijfelachtig. Van Sint-Augustinus tot Rousseau hebben bekentenissen tot doel gehad een of andere waarheid aan het licht te brengen; Jean-Baptiste Clamence bekent onomwonden dat hij liegt. Naar het einde toe doet de linke rechter zich voor als profeet (een moderne Johannes de Doper, de laatste der profeten, vox clamans in deserto - roepende in de woestijn), maar hij blijft een advocaat, een Janus, bedreven in de kunsten der retoriek, en zijn zelfgekozen motto luidt: 'Niet te vertrouwen'. Overigens, "cher ami, de waarheid is stomvervelend".

Clamence is ook in het bezit van 'De rechtvaardige rechters', het gestolen zijpaneel van het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Omdat er geen onschuld meer bestaat vindt Clamence het niet meer dan terecht dat de gerechtigheid definitief gescheiden is van het onschuldige lam. "Ach, mon cher, voor wie alleen is, wie geen god of meester erkent, is de druk van het leven afschuwelijk. Dus moet er een meester gezocht, want God is uit de mode." In zijn Amsterdamse kroeg roept hij daarom de goegemeente op om zich te onderwerpen - "lang leve de baas, wie dat ook mag zijn, als hij maar de plaats inneemt van de hemelse wet". Zo houdt hij telkens opnieuw een pleidooi voor de slavernij, die hij dan uiteraard wel moet aanprijzen als de enige ware vrijheid.

Die laatste hersenkronkel is meer dan een bittere sneer aan het adres van Sartre en zijn aanhang, die over vrijheid de mond vol hadden en over wie Camus in zijn notitieboeken schreef: "Als ze zichzelf beschuldigen kun je er staat op maken dat het alleen is om anderen neer te halen." De val is ook een cynisch zelfcommentaar. In De mythe van Sisyphus schreef Camus al dat de zelfgekozen slavernij (door te leven volgens de regels van een god waaraan men zich onderwerpt) een gevoel van vrijheid schept. In De pest had hij geprobeerd om het hoofd te bieden aan het absurde met behulp van de menselijke solidariteit. Maar uiteindelijk kunnen mensen blijkbaar alleen solidair zijn in slavernij, onder het juk van een of andere zondeval, of een laatste oordeel dat ze maar al te graag zelf vellen: "Waarom staan de mensen zo gauw met hun oordeel klaar? Ze zijn bang om zelf te worden geoordeeld."

Een jaar na de publicatie van De val won Camus de Nobelprijs; drie jaar later, op vier januari 1960, stierf hij bij een auto-ongeval. Een van de opvallendste rouwbetuigingen was die van Sartre, die Camus postuum in de traditie van de grote moralisten plaatste en zijn werk rekende tot het oorspronkelijkste van de Franse letteren. Een kwarteeuw later merkte Pierre Mertens op dat de laatste werken van een schrijver door zijn overlijden iets van een laatste wilsbeschikking krijgen. De val is een boeiend, want dubbelzinnig testament; het lokt heel wat tegenstrijdige reacties uit, maar laat niemand koud. Ook al lijkt de roman- of novellevorm bij momenten slechts een excuus om een aantal filosofische ideeën uiteen te zetten, als wrange aanklacht tegen elke vorm van morele pretentie is dit boek actueler dan ooit.

De val werd vertaald door Dolf Verspoor en uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam. De rubriek 'De jaren' verschijnt in 1999 wekelijks. In 52 weken tijd brengen wij een selectie van de opmerkelijkste boeken tussen 1945 en nu. 'De jaren' is afwisselend gewijd aan de Nederlandstalige en anderstalige letteren.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234