Woensdag 12/05/2021

Beestige satire

Politieke en maatschappijkritische dierenstrip met gevatte oneliners, dialogen en herkenbare situaties

Stripklassieker 27: Pogo, Walt Kelly (1942)

Bij zijn eerste optreden in 1942, als nevenfiguur in Animal Comics, maakte de latere, door heel krantenlezend Amerika op handen gedragen, maatschappijkritische Pogo maar een lome indruk. De opossum zag er uit als een verwaaid, levensloos spitsmuisje. Warrige haardos, droeve blik in de ogen en een hemd met te lange mouwen.

Kleur en persoonlijkheid kreeg Pogo pas toen hij vier jaar later later terechtkwam in zijn eigen reeks en daardoor verhuisde naar het Okefenokee-moeras, een plek die hij moest delen met zo'n zeshonderd bewoners, vaak toevallige passanten, maar ook de kring van residentiële hoofdrolspelers was bijzonder omvangrijk. Tot de belangrijkste behoorden onder meer Pogo's boezemvriend Albert Alligator, de schildpad Churchy LaFemme, de zelfingenomen uil Howland Owl, het trouwe hondje Beauregard en Barnstable Bear, een beer die wel wil schrijven, maar niet eens kan lezen. Niet zozeer hun grappen en grollen vielen op, maar veeleer de manier waarop ze aantoonden hoe de menselijke waarden en normen zouden evolueren als ze voortgaan op instinct in plaats van op economische en weldoordachte omgangsvormen.

Dat de geestelijke vader Walt Kelly vermenselijkte dieren verkoos als karakters, was niet eens zo onlogisch. Zes jaar, tussen 1935 en 1941, was hij actief geweest als animator in de Disney Studios, en die ervaring kwam hem goed van pas in zijn door critici en publiek als een grafische tour de force omschreven strip. Kelly was erin geslaagd, zo klonk het, om satire, karikatuur, slapstick en spot met elkaar te verzoenen. Op zijn hoogtepunt verscheen zijn Pogo-reeks in liefst zeshonderd kranten.

De tekenaar introduceerde over de jaren heen slechts uitermate langzaam zijn vier- of tweepotige figuurtjes. In de eerste afleveringen stond de fascinatie van de moeraspopulatie om elkaar op te eten nog centraal, later werden de karakterrollen uitgediept en werd aangetoond hoe het gezelschap zich ontwikkelde onder een leider om, uiteindelijk, de morele waarden te bepalen.

In de jaren vijftig, zestig was de Kelly's (politieke) engagement nog ondergeschikt aan de humor, maar dat zou snel veranderen. In de jaren zeventig zou zelfs de humor plaats moeten ruimen voor vaak anarchistische standpunten. Pogo's ingekleurde, op de Sunday Pages gedrukte belevenissen waren echter nogal braaf en verstoken van enige politieke of maatschappelijke kritiek. Opzet was om op die manier nieuwe krantenabonnees te winnen en de reeks ook aantrekkelijk te maken voor kinderen.

De rest van de week kreeg Kelly echter carte blanche. Hij deindsde er niet voor terug namen te noemen en was er vooral op gebrand de belangrijkste machtshebbers van die tijd, als J. Edgar Hoover, Richard Nixon, Nikita Chroesjtsjov, Joe McCarthy of Fidel Castro, te rediculiseren. Zo merkte onder meer de goede verstaander op dat het vraaggesprek tussen Turtle (een schildpad) en de fascistische Ku Klux Klan-aanhanger Mole (een mol), in feite een allusie was op de door McCarthy georganiseerde communistenjacht. 'Wat voor een uil ben je?', vroeg Mole. Turtle antwoordde gepikeerd: 'Ik ben geen uil, ik ben zelfs geen vogel.' Mole bleef aandringen: 'Was je dan ooit een vogel of denk je erover er eentje te worden?'

Kelly's partijdigheid bleek vaak al in de manier waarop politici werden afgeschilderd. Castro was een geit, Hoover een bulldog en Chroesjtsjov een varken. Zijn meest geliefde figuur was echter Richard Nixon, die hij op zeker moment bedacht met de naam Sam en een uiterlijk meegaf van een spin in de vorm van een theepot. Naast politiek liet hij zijn figuren ook maatschappijkritische commentaar ('We have met the Enemy and he is us') of kosmische overpeinzingen ('God is not dead, he is merely unemployed') debiteren.

Pogo's stand- en twistpunten waren bijzonder in trek op universiteiten en bij de intelligentsia, die zich de gevatte oneliners, dialogen en herkenbare situaties maar al te graag lieten smaken. Kelly zelf verfoeide die highbrow-attitude en verklaarde zelf allesbehalve een intellectueel te zijn. "Ik ben een highbrow lowbrow ben."

Toen Kelly in 1973 op zestigjarige leeftijd stierf, slaagde zijn weduwe er met veel knip- en plakwerk in om de reeks nog een jaar overeind te houden. Daarna bleek de kaars opgebrand. Althans, voor even, want begin januari 1989 vierde de possum zijn comeback in zowat driehonderd Amerikaanse kranten dankzij schrijver Larry Doyle en tekenaar Neal Sternecky. Twee jaar later ging die laatste solo en een jaar later namen Kelly's kinderen Pete en Carolyn over. Nog eens een jaar later werd Pogo echter definitief te grave gedragen.

Een Nederlandse vertaling in albumvorm heeft nooit het daglicht mogen zien. De lage landen konden een tijdlang enkel kennismaken met Pogo door de in Donald Duck en Stripschrift gepubliceerde platen.

Geert De Weyer

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234