Woensdag 25/11/2020

Beelden van de Spaanse Burgeroorlogin ParijsDe macht het geweld, de dood

Is geschiedenis eigenlijk niet in de eerste plaats een parade van beelden in ons hoofd, eerder dan het consistente, na te vertellen verhaal van feiten, oorzaken en gevolgen? Vietnam is een huilend meisje op een landweg, Auschwitz een goederentrein. De Spaanse Burgeroorlog een soldaat die neergekogeld wordt en met gespreide armen achterover valt. Een uitstekende tentoonstelling in Parijs toont beelden van het conflict dat de aanloop was naar de Tweede Wereldoorlog.

Eric Min

Uiteindelijk is ook de Spaanse Burgeroorlog de optelsom van enkele krachtige iconen en een handvol begrippen. De feiten en de data in ons geheugen zijn letterlijk opgehangen aan foto's die we zo vaak hebben gezien tot ze op ons mentale netvlies zijn gebrand - het enthousiasme van gebalde vuisten en het vermoeden dat tenminste deze oorlog 'juist' en rechtvaardig was, een godsgeschenk voor oprechte wereldverbeteraars die eindelijk ook eens mochten dwepen met heroïek en kruitdamp. Generaties goedmenende pacifisten en anarchisten die het gebroken geweer hoog in het vaandel voerden, hebben de burgeroorlog ingehaald als een spannend maar politiek correct jongensboek. Tussen de Internationale Brigades en het Sint-Maartensfonds was de keuze vlug gemaakt. Of in bomen klimmen, vechten en mensen executeren gerechtvaardigd is, hangt immers af van de context (en van de vijand).

Op de republikeinse foto's zien we huilende vrouwen na het bombardement van Lerida en slecht bewapende strijders die zingend naar het front vertrekken. De beelden van de tegenpartij tonen statige generaals en kardinalen, verwoeste kerken of een door de communisten verkrachte vrouw. Van de leugens en het verraad, de overdrijving en de waarheid die allicht ergens onderweg is zoek geraakt, geen spoor. Misschien was de soldaat die door Robert Capa werd gefotografeerd toen hij door een nationalistische kogel werd getroffen - in de jaren zeventig onder de titel 'Why ?' in talloze studentenkamers aan de muur geprikt als icoon van het pacifisme - wel een smeerlap die net een paar onschuldige voorbijgangers had vermoord. Misschien verdedigde hij zijn vrouw en zijn zoontje tegen lieden in uniform die zijn dorp in brand hadden gestoken.

Lang geleden las ik De korte zomer van de anarchie, het eigenzinnige verslag dat Hans Magnus Enzensberger heeft samengesteld uit getuigenissen over het leven van de bankwerker, monteur en anarchistische revolutionair Buenaventura Durruti. Het was een dik, rijk boek dat de geschiedenis van de burgeroorlog, die ik alleen kende uit flarden van verhalen die mijn militante tante vertelde en uit de lessen maatschappijleer op school, in een ruimer perspectief plaatste maar tegelijk ook het begrip 'geschiedenis' presenteerde als een soort van collectieve fictie. Als in een collage knipte en plakte Enzensberger vaak tegenstrijdige commentaren en herinneringen aan elkaar, in de traditie van mondeling overgeleverde sagen. "Geschiedenis is datgene wat we kunnen onthouden en wat geschikt is om verder en steeds verder te worden verteld: een navertelling. De overlevering schrikt voor geen enkele legende terug, voor geen enkele banaliteit, geen enkele vergissing - als daar tenminste een voorstelling van de strijd van het verleden aan vastzit. Vandaar de notoire machteloosheid van de wetenschap tegenover het prentenboek." De dichter noemde zelf enkele krasse beelden op die ons historische bewustzijn vorm hebben gegeven: de bestorming van het Winterpaleis, Danton op het schavot, de Chinese Lange Mars die uiteindelijk niet meer is dan wat er over de Lange Mars wordt doorverteld. Hoe kan iemand het verhaal reconstrueren van de straatvechter Durruti die al zo lang dood is en niet meer dan één stel schoon ondergoed, twee pistolen, een verrekijker en een zonnebril heeft nagelaten? Mogen we de ooggetuigen en hun nakomelingen vertrouwen? Hoeveel waarheid bevatten de leugens en tegenstrijdigheden die ze vertellen? Kan ik, onwetende lezer, meer doen dan het materiaal dat door zoveel handen is gegaan, in mij opnemen om er mijn eigen verhalen mee te maken?

Als kralen aan een ketting laten we de begrippen uit het schrale bestand 'Spaanse Burgeroorlog' in ons geheugen door de vingers glijden. 'No pasarán' ('de fascisten komen er niet door'): een republikeinse strijdkreet aan het adres van de rechtse coalitie van nationalisten, monarchisten en falangisten die in opstand kwam tegen de regering van het Volksfront. 'CNT': Confederación Nacional del Trabajo, de anarchistische vakbond - één miljoen leden en één betaalde kracht in 1936. 'Franco': generaal en later caudillo, een lichtjes burleske term voor dictator, te gebruiken in kruiswoordraadsels en spelletjes op de televisie. 'Volksfront': democratisch verkozen regering die door een staatsgreep van fascistische generaals werd belaagd en in 1939 finaal is onderuitgehaald. 'La Pasionaria': geen lingeriemerk maar een links boegbeeld dat de militanten via de radio een hart onder de riem stak; de vrouw heette Dolores Ibarurri en is heel oud geworden. 'Communisten': gedoodverfde bad guys die de verdediging van de republiek mede door hun stalinistisch gekonkel lieten ontsporen. 'Internationale Brigades': regimenten van in een vijftigtal landen geronselde revolutionairen en avonturiers die de republikeinen te hulp snelden - een episch verhaal van belangeloze inzet en onvoorstelbaar wankele organisatie; de overlevenden van de ongeveer veertigduizend brigadisten werden in oktober 1938 naar huis gestuurd. 'Madrid': de onvoorwaardelijke overgave van de republikeinen op 28 maart 1939, geen drie jaar na het begin van het conflict. 'Federico García Lorca': dichter die aan de goede kant stond en als een hond werd afgemaakt.

Barcelona en Madrid vormden van 1936 tot 1939 het kruispunt waar iedereen opdook die een naam had in progressief-intellectuele kringen. Dichters als César Vallejo, W.H. Auden, Pablo Neruda en Antonio Machado worden vandaag nog met de burgeroorlog in verband gebracht. Tina Modotti, de muze van Edward Weston die later zelf ging fotograferen en zich tot het communisme bekeerde, werd als militante van de Internationale Rode Hulp (een bijkantoor van de Komintern), ingelijfd als verpleegster bij het vrouwenbataljon van het Vijfde Regiment; ze ontmoette Ernest Hemingway en de roodharige fotografe Gerda Taro, die zich langzaam maar zeker losmaakte uit de schaduw van haar vriend Robert Capa - de onverlaat publiceerde onder zijn eigen naam de foto's die ze samen hadden gemaakt (en die naam was dan nog een pseudoniem dat Taro nota bene zelf had bedacht). De razende reporter Egon Erwin Kisch werkte aan het front, naast George Orwell en de Franse filosofe Simone Weil die met de anarchisten optrok. Misschien was de muziek, samen met de fotografie en de journalistiek, wel het beste propagandamiddel dat de republikeinen zich konden dromen. Hanns Eisler componeerde een 'Marcha del 5. Regimiento'. Zijn collega Conlon Nancarrow, die deel uitmaakte van de Amerikaanse Abraham Lincoln-brigade, vond na zijn terugkeer asiel in Mexico, het vaderland van de componist Silvestre Rivueltas, die ook al aan de kant van de republiek stond. Oude Spaanse volksliederen kregen een nieuwe tekst en het Catalaanse volkslied 'Els Segadors' werd de officieuze hymne van het Volksfront. Tot vandaag klinkt de burgeroorlog na in songs van The Ex, Charlie Haden of wijlen The Clash. Zo gaat dat, wanneer de 'goeden' het onderspit moeten delven. Zoals Robin Hood en Nelson Mandela hadden ze iets meer gelijk dan die van de overkant.

De oorlog, die ongeveer een half miljoen slachtoffers eiste, was zowat het eerste grote conflict dat niet alleen op het slagveld werd uitgevochten maar evengoed in kranten en geïllustreerde bladen als Vu, Life (gesticht in november 1936), L'Illustration, Newsweek, Regards of Match. Reportages werden voortaan uitvoerig geïllustreerd met foto's die door correspondenten aan het front waren gemaakt, vaak in levensgevaarlijke omstandigheden - als informatie, manipulatie of mobilisatie. De internationale dimensie van de oorlog, een massale verspreiding van vrij goedkope media en de snelheid waarmee de beelden recht uit de modder in de krant belandden, gaf de iconen vleugeltjes. De beide partijen voerden een verbeten propagandaslag. Wat er in Andalusië en Catalonië gebeurde, was voorpaginanieuws - niet in de laatste plaats omdat grote namen als André Malraux, Hemingway of Orwell zich ermee gingen bemoeien. Alles in de wereld versnelde: handige Leica's, goed georganiseerde persagentschappen en roekeloze reporters zorgden ervoor dat de troepenbewegingen nauwkeurig en in real time werden gedocumenteerd. Zo werd de beroemde foto van Agustí Centelles met militieleden die zich achter het karkas van een paard verschansen, gemaakt in Barcelona op 19 juli 1936, één dag na het 'officiële' begin van de burgeroorlog; op 24 juli stond hij al in La Dépêche. Omdat alles vlug moest gaan, namen vriend en vijand het niet altijd zo nauw met de journalistieke deontologie. Emotie, geestdrift, symboliek en veralgemeningen haalden het van betrouwbare en genuanceerde informatie. Precies zoals de curatoren van de expositie Mémoire des camps over fotografie in de Duitse concentratiekampen een half jaar geleden in hetzelfde Hôtel de Sully, stelt David Balsells i Solé, de conservator van de afdeling Fotografie van het Museu Nacional d'Art de Catalunya in Barcelona en samensteller van deze tentoonstelling (die eerst in Parijs loopt en pas in het najaar naar Spanje trekt) de juiste, wrange vragen. Wat kan een bijschrift met een foto doen? Wat krijgen we echt te zien? Waar beginnen de leugens?

Welk hoger doel heiligt deze recuperatie van het fenomeen fotografie - het heerlijke speelgoed dat ons als geen ander kan laten geloven dat wat we zien ook waar is? Republikeinen en nationalisten vochten niet alleen met geweren en met door Italië en Duitsland aan de ene, door Rusland aan de andere kant geleverde kanonnen, maar evengoed met beelden. Onderschriften werden bijgeknipt of gewoon vergeten. De (linkse) regering van Catalonië richtte al in oktober 1936 een Commissariaat voor Propaganda op, publiceerde een tijdschrift en stelde een fotolaboratorium ter beschikking van de pers. Fotomontages en affiches (zoals de legendarische vrouwenvoet die een gebroken hakenkruis vertrapt) waren efficiënte wapens. De radio deed de rest; Tina Modotti herinnerde zich de opzwepende stem van La Pasionaria op Radio Madrid.

Wie waren de fotografen die de burgeroorlog hebben gevat in talloze krachtige beelden waarvan er in Parijs honderd zestig worden getoond? De eerste categorie bestaat uit avontuurlijk aangelegde of ideologisch bewogen buitenlanders die hun reputatie alle eer aandeden. Robert Capa bijvoorbeeld, de Hongaarse jood die eigenlijk Endre Ernö Friedmann heette en de beruchte opname uit de inleiding van dit stuk maakte: een soldaat die op 5 september 1936 in het heetst van de strijd bij Córdoba werd neergemaaid - de man heet Federico Borell García en is minstens zo beroemd geworden als de vertwijfelde 'Migrant Mother' van Dorothea Lange, al bestond er lange tijd twijfel over de authenticiteit van de opname. Capa's geliefde Gerda Taro, die aan het front bij Brunete werd verpletterd door een republikeinse tank en het leven liet (de Franse communisten bezorgden haar een ontroerende begrafenis op Père-Lachaise, bijna twintig jaar voor haar ex-minnaar Capa in Thai Binh op een landmijn liep). David Seymour alias Chim, die later het fotoagentschap Magnum oprichtte. Het onafscheidelijke duo Hans Namuth en Georg Reisner dat het in de nasleep van hun Spaanse jaren hard te verduren kreeg... Ze zijn veel beroemder geworden dan hun Spaanse collega's die, zoals we in Parijs kunnen vaststellen, onterecht in de anonimiteit verzeilden. De republikeinse strijder van Antoni Campaná, dramatisch belicht en van onderuit gezien zodat hij ons als een goeiige reus in bescherming neemt, heeft het tot affiche van deze tentoonstelling geschopt. Agustí Centelles verzamelde indrukwekkende beelden van zijn ontredderde lot- en landgenoten; na de val van Madrid gooide hij vierduizend negatieven in een koffer die hij toevertrouwde aan een boer uit Carcassonne en dertig jaar later, na Franco's dood, weer ophaalde. De familie Brangulí portretteerde zowel republikeinse militanten met geheven vuisten als de grimmige leiders van de franquistische eenheidsvakbond onder een reusachtig portret van de leider. Het is opmerkelijk dat de foto's uit het linkse kamp vooral de naamlozen tonen - als er ooit een volk bestaan heeft, dan moet het in Spanje omstreeks 1936 geweest zijn. Zelfs van de beruchte Durruti zijn er slechts een handvol portretten bekend; in Parijs duikt zijn hoekige gestalte niet eens op. We kijken naar anonieme, ernstig kijkende mensen (m/v) die achter hun barricaden zwijgend op de vijand wachten: een kantoorklerk in maatpak, een jonge arbeider, iemand met een geweer en een sjofel uniform, een voorbijganger die even komt helpen. Af en toe worden ze door een fotograaf tot een colonne of een rij geregisseerd, maar ze vertegenwoordigen vooral zichzelf en hun buurvrouw. Van de nationalisten krijgen we wél de chefs, de prelaten en de prominenten te zien - ze dragen namen als Queipo de Llano, Davilla of Mola. Hun reputatie zorgde ervoor dat hardleerse democraten tot halfweg de jaren zeventig van vorige eeuw de toeristische costa's meden als de pest. Franco's repressie was ongenadig. Republikeinse bannelingen werden na het debacle van Madrid vervolgd of weggejaagd, tot ze met tegenzin werden opgeslagen in Franse kampen of liefdevol opgevangen door andere Europese kameraden. De verzekeringsmakelaar die één keer per jaar bij mijn ouders langskwam, had een opwindende Spaanse naam. Zoon van, inderdaad.

De fotografen konden niet overal zijn. Pablo Picasso vereeuwigde het bombardement van Guernica door het Duitse Condorlegioen. Moderne schilderkunst leende zich blijkbaar minder goed voor heroïek dan fotografie; we zien een stukgeschoten stad, gespietste paarden en verwoeste levens - geen geheven vuisten of mannen in battledress. Merkwaardig genoeg lijkt het doek wel in zwart-wit uitgevoerd, de kleuren van de foto's in de krant. In het Hôtel de Sully krijgen we eindelijk het echte Guernica te zien, in de vlammen en onder stofwolken. Enkele maanden na het bombardement ondertekenden de Spaanse bisschoppen een brandbrief waarin ze de oorlog tegen de goddeloze democraten vergeleken met een kruistocht; het leverde Franco's regime alvast de steun van de Heilige Stoel op. Madrid en Bilbao waren al zwaar gebombardeerd, Lerida en Barcelona kwamen nog aan de beurt.

Voorpaginanieuws was het alleszins, maar alleen in deze tentoonstelling krijgen we de oorlog in al zijn verschrikking te zien: beelden van stukgeschoten lichamen werden indertijd slechts mondjesmaat vrijgegeven maar ook David Balsells ging uiteindelijk omzichtig met de gruwel om. Alleen wie goed naar de kleine contactafdrukken in de vitrines kijkt, treft echt schokkende beelden aan. De pijn en het verdriet belandden enigszins geësthetiseerd in de krant, geïncarneerd in de vertwijfelde blik van een huilende vrouw tussen het puin. Ik vraag Balsells of zijn expositie geen oude wonden zal openrijten, en hij ontkent het niet. In Spanje heeft elke familie haar eigen verhaal, maar na de dictatuur van Franco is het verleden in alle stilte begraven. Vooral de zeldzame beelden uit Toledo, met het stukgeschoten Alcázar, zouden vandaag voor controverse kunnen zorgen. Balsells heeft er trouw de oorspronkelijke bijschriften, die door de nationalistische censuur zijn goedgekeurd, naast gehangen: "Dit is de oorlog in al zijn wreedheid. De rode horden hebben de trotse torens van het Alcázar tot puin herleid, maar de moedige troepen van Franco hebben Spanje een heldhaftige zegepraal bereid." Meer dan beelden tonen kan Balsells ook niet doen. Het verhaal moet zo volledig mogelijk opnieuw verteld worden; ik denk onwillekeurig aan Enzensbergers systematische wantrouwen tegenover de geschiedenis. Toch is ook deze expositie een wijze tussenoplossing die in een wijde boog rond de echt onverdraaglijke beelden loopt. Jammer genoeg zijn er echter geen foto's uit de (communistische) kampen waar anarchistische militanten werden opgesloten, geen opnamen van trotse republikeinen die kerken inrichtten als pakhuizen of Christusbeelden executeerden.

In de kelder van het Hôtel de Sully lichten de foto's op in het halfduister. Elke afbeelding werd gevat in één lichtbundel: het zou een mooie metafoor kunnen zijn voor de eigen waarheid, de eigenwaarde, het persoonlijke verhaal van de beelden en hun makers. De enige rode draad is de chronologie, van de onlusten in Asturias en Catalonië in 1934 tot de epiloog (de voorlopige 'ontknoping') in 1954, wanneer de Spaanse Oostfrontstrijders, overwinnaars van de burgeroorlog, eindelijk door de Sovjet-Unie werden vrijgelaten en met het schip Semíramis in Barcelona aanlegden. Tussen deze twee ijkpunten volgen de taferelen zich op. Vreemd genoeg doen deze afdrukken tegelijk onbekend en vertrouwd aan. We kennen de droeve ogen van vluchtelingen en slachtoffers uit de berichten over de Balkan in ons eigen fin de siècle, maar gaandeweg moeten we ons taalgevoel bijstellen: de 'opstandelingen' uit de bijschriften zijn niet de sympathieke schurken uit het republikeinse kamp maar de vier generaals die zich niet neerlegden bij het democratische verdict. Agustí Centelles vatte de verkiezingen van februari 1936 in twee opnamen: kiezers in de rij voor het stembureau in een volkswijk kijken guitig en hoopvol in de lens, terwijl norse priesters en boze burgers uit een karikatuur van Jacques Brel aanschuiven in een betere buurt. Negentien juli van hetzelfde jaar: jonge falangisten in Pamplona oefenen de groet met gestrekte arm - moet het links of rechts? Dezelfde dag in Barcelona: geheven vuisten en lachende gezichten, want het Volksfront heeft het gehaald. Gespannen rust bij een barricade in Madrid, waar de kazerne bestormd wordt om de bevolking wapens te geven; de doden liggen als speelgoedsoldaatjes over de binnenplaats uitgestrooid. Een journalist uit een Kuifjesboek, strikje en pijp in de aanslag, interviewt een soldaat die zich overgeeft. Capa en Centelles fotograferen talloze lachende vrijwilligers die naar het front trekken en kinderen die hun eigen kleine oorlog uitvechten, als mascotte van een republikeins regiment of op het braakland van de Montjuich-heuvel in Barcelona, waar we op een verbijsterende opname een vuurpeloton in miniatuur te zien krijgen, een handvol jongens met houten geweertjes dat drie tegenstanders executeert. Zodra de oorlog echt begint, zijn de foto's gecodeerde, gemakkelijk leesbare boodschappen geworden. Republikeinse strijders aan het front worden doorgaans geïsoleerd in beeld gebracht, met hun wapen in de aanslag en van onderuit gezien - om hun vastberadenheid in de verf te zetten of omdat de fotograaf beschutting zocht in de loopgraaf, dicht tegen de aarde? Ook relatief nieuw was de 'bewogen' opname; zowel Capa, Seymour, Centelles als het duo Namuth & Reisner hebben onbeschaamd mislukte maar dynamische beelden gemaakt, in de hitte van het gevecht of desnoods vanuit een rijdende vrachtwagen. Kon je het geweld en de snelheid van de aanval efficiënter in beeld brengen? Zoals altijd leiden de bijschriften onze blik. Een dode vrouw en haar baby zijn slachtoffers van 'fascistische bombardementen'. "Het leger dat trouw bleef aan de regering en de milities zetten hun opmars in de Sierra voort. Bewonder hoe ze een vijandige positie innemen!" De overkant kon er ook wat van: bij de intocht van generaal Mola in San Sebastian mogen we in gedachten meeluisteren naar het vrolijke gebeier van de klokken. In vitrines worden de prentbriefkaarten uitgestald die de strijdende partijen uitgaven, naast enkele tijdschriften (een nummer van Life uit juli 1937 met teksten van Hemingway, bijvoorbeeld). "Kijk", fluistert Balsells in de laatste zaal bij een fotootje van de inhuldiging van een fascistisch monument in 1939, "de fotograaf was republikein maar werkte om den brode voor kranten en tijdschriften. Hij kon de fascistische groet niet aanzien en heeft de foto dan maar in spiegelbeeld afgedrukt: alle armen wijzen naar de verkeerde kant."

Balsells eigen jeugd was doordrenkt van rechtse symboliek. Als zoon van een anarchist moest hij ervaren hoe het franquisme zijn kinderjaren heeft gekleurd: iedereen moest portretten van de leider op straat groeten, en Catalaans spreken was een heikele onderneming waartegen de gedachtepolitie streng optrad. Op een foto zien we hoe wielrenners met gestrekte arm aan de start van hun wedstrijd verschijnen.

Misschien is het handvol foto's dat Walter Reuter en Robert Capa in oktober 1938 maakte bij het vertrek van de Internationale Brigades uit Barcelona wel de mooiste illustratie van de ontgoocheling die zich meester maakte van al wie ooit even in een betere wereld heeft geloofd. Bloedige broedertwisten tussen communisten, trotskisten en anarchisten, het opportunisme en de onverschilligheid van de grootmachten en de steun van openlijk fascistische staten als Italië en Duitsland aan Franco hadden de utopie van een rechtvaardige en geweldloze samenleving voorgoed de grond in geboord. De schrijver Albert Camus krijgt ook in Parijs het laatste, wijze woord: "In Spanje heeft mijn generatie geleerd dat je gelijk kunt hebben en toch het onderspit moet delven, dat geweld je diepste overtuiging kan verwoesten en dat moed niet altijd beloond wordt. Dat moet de reden zijn waarom zoveel mensen in de hele wereld het Spaanse drama hebben ervaren als een persoonlijke tragedie."

De tentoonstelling 'La Guerre civile espagnole - Des photographes pour l'Histoire' loopt tot 23 september in het Hôtel de Sully, rue Saint-Antoine 62, Parijs (4e arrondissement, metro Saint-Paul). Ze is elke dag behalve maandag open van 10 tot 18.30 uur. De toegangsprijs bedraagt 25 Franse frank. Naar goede gewoonte publiceert uitgeverij Marval een mooi verzorgd boek met dezelfde titel (192 p., 350 Franse frank). Zie ook: www.patrimoine-photo.org.

'In Spanje heeft elke familie haar eigen verhaal, maar na de dictatuur van Franco is het verleden in alle stilte begraven'

Soldaat Federico Borell García wordt nabij Córdoba neergemaaid, 5 september 1936. © Robert Capa / Magnum

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234