Donderdag 21/10/2021

InterviewDe Vragen van Proust

Bart Peeters: ‘Heel raar, maar op zulke zware momenten schiet ik niet in tranen’

Bart Peeters: ‘Als je mijn nummers erop naleest zou je denken dat ik al 18 keer gescheiden ben.’ Beeld © Stefaan Temmerman
Bart Peeters: ‘Als je mijn nummers erop naleest zou je denken dat ik al 18 keer gescheiden ben.’Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Twintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: muzikant, presentator en acteur Bart Peeters (61). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“61. (lacht) Ik weet dat het geen spectaculair ­antwoord is. Ik weet ook dat er zoiets bestaat als een gevoelsleeftijd, maar ik probeer me daar minder en minder op vast te pinnen. Soms heb ik de reflex van een achttienjarige, soms van een oude wijze man van in de tachtig. Spijtig genoeg niet altijd op het juiste moment. Ik denk vaak: had ik nu maar de wijsheid van mijn vader...

“Nu en dan ga ik eens te rade bij ons moeder. Je kunt niet geloven hoe slim oude mensen zijn, ­hoeveel levenswijsheid ze hebben. Zelf ben ik daar nog niet. Ik ben nog niet in de terugblikfase.

“Integendeel, ik ben er een tijdlang van verdacht geweest te lijden aan het syndroom van Peter Pan, een jongetje dat nooit ouder wordt. Dat is zeker een tijd zo geweest, maar nu niet meer. Jan Decleir zei ooit: ‘Bart, gij et nen joengen tred.’ Ik was toen al eind de twintig. Je loopt als een dertienjarig jongetje, zei hij. Dat heb ik altijd onthouden. Tot welke chirurg moet ik me nu wenden? (lacht) Onze bassist, een muzikaal genie, zei nog niet zo lang geleden: ‘Toen je de catwalk afcrosste en in het publiek dook en tussen de mensen zwom en intussen maar blééf zingen: dat was niet helemaal pinneke juist, hè.’ (lacht)

BIO • Vlaams muzikant, presentator, acteur • geboren op 30 november 1959 in Mortsel • presenteerde onder véél meer Villa Tempo, Elektron, De droomfabriek, Hoe? Zo!, Mag ik u kussen? Een laatste groet, Voor de leeuwen • maakte furore op radio met Het leugenpaleis met Hugo Matthysen • werd als muzikant bekend bij The Radios en hun hits ‘She Goes Nana’ en ‘I’m into folk’ • drie keer MIA voor Beste Nederlandstalige artiest • heeft met zijn vrouw Anneke twee dochters en een zoon

“Topsporters laden zich fysiek op, ik laad me muzikaal op. Ik loop en fiets wat, maar ik heb nog nooit Roberto Martínez gebeld omdat ik weer moet beginnen gitaar spelen en zingen en springen tegelijk. Hoe doe je dat, vragen mensen zich af, je hebt wéér het podium helemaal afgebroken. Is dat zo? Ik besef dat niet echt.”

2. Wat vindt u een kenmerkende eigenschap van uzelf?

“Mocht ik zelf commentaar op mijn schoolrapport zetten: ‘Vindt niet altijd balans tussen zijn droomwereld en de realiteit’.

“Bijvoorbeeld: vijfentwintig jaar lang, tussen 1984 en 2010, heb ik naar Nederland gependeld. Op een bepaald moment waren er zo veel files dat ik de facto in Amsterdam woonde, waardoor ik mijn gezin nog nauwelijks zag. En waarom? Om te kunnen zeggen: ik heb straffe dingen gedaan in Nederland. Ik heb onlangs heel pijnlijke faxen teruggevonden uit die tijd. Terwijl ik in Amsterdam ‘belangrijke’ tv-­programma’s aan het opnemen was, logeerde mijn vrouw met de kinderen aan zee. Wanneer ik ‘s avonds vanop mijn hotelkamer met mijn vrouw belde, sliepen ze al, want ze waren nog klein, dus maakte ik tekeningen van spelende kinderen op het strand, ik faxte ze door en vroeg hen om ze in te kleuren. Toen ik dan weer thuiskwam hingen ze aan de muur. Het kan niet de bedoeling zijn dat je met je kinderen communiceert via de fax.

“Je kent de paradox. We waren dan eens samen aan zee en mijn kinderen vroegen: ‘Papa, ga je mee­spelen op de dijk?’ En dan zei ik: ‘Nee, want ik moet een liedje schrijven over een papa die met zijn ­kindjes gaat spelen op de dijk.’

“De balans klopte niet. Nog een explicieter voorbeeld: toen we met The Radios zo stom waren geweest om in het Engels te zingen, kregen we plots toegang tot de hele wereld. We speelden tot in Afrika. Ik was nooit meer thuis. Het was simpeler toen we nog geen kinderen hadden, dan ging ­Anneke gewoon mee. Maar nu was ze zwanger van ons tweede kind, en we waren uitgenodigd om op het WK te spelen in het voetbalstadion van Orlando, Florida, na de wedstrijd België-Nederland. De Belgen wonnen en maakten de Nederlanders in. Die avond hebben we gespeeld voor kwade Nederlanders, zatte Ieren, zatte Engelsen en zatte Duitsers. Want dat WK was dan wel in Amerika, maar voor de Amerikanen betekende dat ‘soccer’ helemaal niets. Wij hebben in Amerika dus gespeeld voor Europeanen. (lacht) Fantastisch! Maar toen was het klaar. Ineens kreeg ik iets van: Anneke gaat vroeger bevallen! Ik werd gek. Ik ging de luchtvaart in mijn eentje heruitvinden. Ik ben met een reeks omnibussen naar huis gevlogen en was 24 uur eerder dan de band thuis. Een plotse eruptie dat het toen echt wel genoeg was geweest. Klaar met popster te ­spelen. Op mijn 34ste ben ik daar dan ook mee ­gestopt. Zeven jaar nougatbollen, tot 2001, dan ben ik herbegonnen. Maar ik was wel blij dat ik wist: oef, ik ben dan toch geen applausjunk.”

3. Wat drijft u?

“Ik vrees: iets maken dat er nog niet was. Passie op zich drijft me. Ik vind drive een raison d’être. Mocht ik die niet hebben, dan zou ik me ‘s morgens nog eens omdraaien in bed en denken: we liggen hier goed. (lacht) Maar ja, waar eindigt dat? Het moet niet zomaar een goede plaat worden, maar de béste waartoe ik in staat ben. Ook beseffend dat Prince nog tot een betere plaat in staat is.”

4. Hoe was uw kindertijd?

“Ik kom uit een artistieke familie. Leuke ouders, leuke zus. Het enige wat heel donker was, was het begin van mijn schooltijd. De kleuterklas. Dan spreken we over de jaren zestig. De zusters die ons op de eerste schooldag met een haagschaar tegemoet kwamen en zeiden: ‘Dat is voor de kindjes die praten, om hun tong af te knippen.’ Ik dacht: hé, ik ben nog maar net in leven en het is al welkom in de hel, en ik meende dat nonnen verbonden waren met de ­hemel. Ik vond dat heel vreemd. Het was natuurlijk een soort opvoedkundig trucje. In werkelijkheid is er geen enkele klasgenoot ont-tongd (lacht), maar ik heb wel zeep moeten eten en ben in de kast ­opgesloten. Het was sowieso verkorven. Zo’n vorm van gezag aanvaard ik niet.

“Maar thuis kon er veel. Mijn broer en ik speelden stukken van Shakespeare na in de garage. Op reis hadden we het kasteel van Versailles bezocht, waar we wandtapijten en schilderijen van bloederige veldslagen hadden gezien. Waarom hebben we dat niet bij ons thuis, dacht ik, en ik schilderde de traphal vol met woeste taferelen. Mijn ouders zeiden: ‘O, goed gedaan!’ (lacht) Het huis is nu verkocht, de muren zijn overschilderd, maar die veldslag heeft heel mijn jeugd lang de traphal opgefleurd.

“Mijn moeder was heel nieuwlichterig, heel links. En mijn vader was op een heel mooie manier conservatief. Met de nodige discussies tussen de twee. Mijn vader beweerde dat er na de Griekse tragedies nooit meer iets van belang geschreven was, terwijl mijn moeder Ionesco minstens even interessant vond. Pas achteraf heb ik beseft dat het een ideaal koppel was. Wat ik daar onbewust van meegenomen heb, is: er moet conflict zijn of het is niet interessant.

'Ik denk weleens: had ik het allemaal op voorhand geweten, had ik minder een personage gespeeld.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Ik denk weleens: had ik het allemaal op voorhand geweten, had ik minder een personage gespeeld.'Beeld © Stefaan Temmerman

“Dat is nu in mijn liedjes ook zo. Als je naar een ­concert van ons komt krijg je een goed gevoel, maar eigenlijk is de onderbouw van al onze liedjes ­minstens melancholiek, satirisch of zelfs ronduit somber. Als ik nu relationele songs schrijf, dan ­vertrekken ze altijd vanuit schuring, frictie. In de ­eerste zin heeft het koppel al ambras. Een goed ­begin. (lacht) Als je mijn nummers erop naleest zou je denken dat ik al 18 keer gescheiden ben.”

5. Vindt u het leven een cadeau?

“Op een zonnige dag als deze zeker wel. Maar het zou bijzonder ongepast zijn mocht ik nu zeggen dat het leven een cadeau is als je bedenkt wat er met George Floyd gebeurd is. En gezien mijn leeftijd zou ik evengoed kunnen zeggen: wat er met Rodney King gebeurd is, wat er met Rosa Parks gebeurd is, wat er met Martin Luther King gebeurd is. Racisme voelt voor mij zwaarder aan dan corona. Misschien omdat ik muzikant ben en omdat de beste muziek zwart is. Daar kun je niet omheen.”

6. Waar hebt u spijt van?

“Ik denk weleens: had ik het allemaal op voorhand geweten, had ik minder een personage gespeeld. In de jaren 80 was het logisch, je speelde een typetje. Dat uitte zich in de manier waarop je praatte, de manier waarop je keek, de manier waarop je je schminkte. Je leek beter op Iggy Pop dan op een gewone sterveling uit Boechout. Waarom ben ik pas na mijn ­veertigste beginnen samenvallen met mezelf? Stom.”

7. Wat hing er aan de muur van uw ­tienerkamer?

“Een poster van Bertolt Brecht, een heel mooie tekening van Karl Valentin, een poster van Marcel Marceau, en een van Charlie ­Mingus. Ik was heel erg into jazz. Ik ging als kind met ongelooflijk grote ogen naar Jazz Middelheim. Ik heb Charlie Mingus nog live gezien. En Sarah Vaughan. Ik heb nog een drum clinic gekregen van Max Roach, die natuurlijk wel zag dat er een elfjarige in het publiek stond. ‘You, come to the stage!’ (imiteert drums) Dat was voor mij de hemel die openging. Toen kwam de popmuziek en ik dacht: wat is dat voor flauwekul!” (lacht)

8. Wat was de moeilijkste ­periode in uw leven?

“Ik denk automatisch aan het verlies van mensen. Ik denk dat mijn jeugd officieel geëindigd is bij de dood van Robert Mosuse. Voor de jongere lezertjes: Robert Mosuse was de broer van Ronny Mosuse. Hij was echt een million dollar zanger. Waar hij toe in staat was, dat kunnen alleen Ronny en ik getuigen.

In alle eerlijkheid: al in het begin van The Radios wisten we dat er iets scheelde, maar niet precies wat. Het leek eerst gewoon epilepsie, maar het was een tumor. Ineens waren wij ook sterfelijk. Hij was dertig.

“Ons derde kind was niet levensvatbaar, ook dat. Het rare was dat Anneke en ik toen ook dachten dat we onsterfelijk waren, ons kon niets gebeuren. Niet alles moest gecheckt worden op alle mogelijke ­manieren. Pas de avond voor de bevalling vernamen we dat ons kindje dood was.

“Bij de dood van mijn vader was het anders. Hij was 83 en had een schoon leven achter de rug. Vooral door dementie was zijn leven eigenlijk al voorbij. Ik heb een afscheidsliedje voor mijn vader gemaakt waarna hij nog een half jaar geleefd heeft. Sommige dagen Latijn sprekend, andere dagen zich enkel ­uitdrukkend in liedjes van Armand Preud’homme. Dat was mijn vader niet, echt niet. Maar op een of andere manier kon ik zijn dood aanvaarden. Het was aangekondigd.

'Het geheim van mijn vrouw en ik is dat we op jonge leeftijd beslist hebben: wij willen oud worden met elkaar. Dat is niet enkel het doel, het is ook de beloning.' Beeld © Stefaan Temmerman
'Het geheim van mijn vrouw en ik is dat we op jonge leeftijd beslist hebben: wij willen oud worden met elkaar. Dat is niet enkel het doel, het is ook de beloning.'Beeld © Stefaan Temmerman

“Heel raar, maar op zulke zware momenten schiet ik niet in tranen. Dan speelt het huisvader- en oudste broer-syndroom. Dan wil ik er zijn voor de anderen.”

9. Wat is uw grootste angst?

“Wat iedereen heeft: dat je geliefden iets overkomt. Het is heel egoïstisch, maar ik zou niet kunnen leven zonder mijn vrouw. Praktisch is dat zelfs onmogelijk. Ik heb in mijn leven nog nooit een bankverrichting uitgevoerd. Mijn uitleg is altijd: mijn harde schijf is al vol genoeg. Don’t wanna know.

“Wat het geheim is van zo’n lange relatie? Ons geheim is natuurlijk dat we nooit in een soort sprookjesachtige suikergoedwinkel geloofd hebben. Het gaat echt wel met ups en downs. Ons geheim is ook dat we op jonge leeftijd beslist hebben: wij willen oud worden met elkaar. Dat is niet enkel het doel, het is ook de beloning. Daarom kan ik me verzoenen met mijn oude dag. Het is wonderbaarlijk, maar ik voel dat dat moment steeds dichterbij komt. Ik hoef niet meer het gas te doen branden in allerlei arena’s. Ik mag me terugplooien op wat echte ­mensen doen, samen een kop koffie drinken.

“Voor de rest geloof ik niet in sacramenten en ben ik heel realistisch. Het enige wat we zeker weten is dat we samen oud willen worden. Zal er tijdens die ­marathon al eens ambras zijn en zal de woestijn in brand vliegen? Zeker! Anders zou het ook totaal ­oninteressant zijn. ‘Heaven is a place where nothing ever happens’, schreef David Byrne. Dat moet ­verschrikkelijk zijn.”

10. Welke alledaagse ­gebeurtenis kan u blij maken?

“Ik ben weergevoelig. Als het sneeuwt in de lente word ik droef. Maar als de zon schijnt ben ik blij, want dan kan ik met plezier gaan fietsen. Soms fiets ik met Jan Leyers en dan houden we zware ­filosofische discussies. Van Jan kan je geen enkele discussie winnen, die mens is daar onmetelijk hoog voor opgeleid.

“Soms fiets ik ook met wielertoeristen die ik dan constant probeer bij te houden. Alleen vertel ik er nu niet bij dat het een clubje voor astmatici is.” (lacht)

11. Wat biedt u troost?

“Ik heb een heel innige band met de mensen met wie ik samenwerk. Het zijn allemaal mensen met een handleiding, ik heb de ingewikkeldste. Dat je elkaars handleiding begrijpt, vind ik ­ongelofelijk troostrijk.

“Spijtig genoeg heb ik goed ­geluisterd toen David Bowie zei: ‘Je moet helemaal niet denken dat je gewoon moet doen. Doe iets speciaals en maak het ­verschil.’ Mensen die ook daarin geloven kan ik ­bovengemiddeld beter volgen.”

12. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Huilen is een symbool van machteloosheid. Je huilt omdat je emoties geen andere weg vinden. Als mij iets ergs overkomt, iets wat mij echt droef en terneergeslagen maakt, dan gaat er meteen ook een knopje aan van verantwoordelijkheidszin. Hoe controleren we deze situatie? Een beetje zoals bij dat symbolische beeld van de ploegmaats van Christian Eriksen, die in plaats van in huilen uit te barsten als een blok rond hem gingen staan. De kapitein ging de vrouw van Eriksen omhelzen, een lange tien ­minuten durende omhelzing. Die mannen hadden geen tranen. Er was iets van: hoe controleren we het oncontroleerbare? Een ploegmaat is begonnen met de reanimatie. Als die mannen daar allemaal hadden staan huilen, hadden we heel gênante beelden gezien, en was de defibrillator nog later gearriveerd. Dat betekent niet dat ik nooit huil, maar voor mij is huilen de ultieme esthetische ervaring.

“Ik heb gehuild bij de voorstelling Allemaal indiaan van Arne Sierens. Bij een dansvoorstelling van Ultima Vez. Bij Queen Ida. Bij het nummer ‘Old Love’ van Eric Clapton in de Royal Albert Hall. En onze vrienden maar vragen aan Anneke of er iets scheelde met mij. (lacht) Bij de Scandinavische grammy awards. Je moet dat filmpje eens bekijken: wanneer Toots Thielemans ‘Bluesette’ staat te spelen en ineens ­verrast wordt door Stevie Wonder die invalt. Die twee oneindige grootheden en de speelsheid ­waarmee ze samen musiceren en zich amuseren. Zonder te beseffen dat ze de mensheid verbinden met de oneindigheid. Professor Vander Kerken zei altijd: ‘Daar waar de mens zich verbonden voelt met de oneindigheid, daar situeert zich ook de ­esthetische ervaring’.”

13. Wanneer bent u door het lint gegaan?

“Vaak. Maar de laatste tijd wat minder en ik maak me daar zorgen over. Waar is mijn agressie? Die is wat weg.” (lacht)

14. Aan wie bent u schatplichtig?

“Aan het Sfinksfestival. Het is niet zo logisch dat je op een klein plekje tussen Antwerpen en Lier woont, Boechout, en dat de wereld letterlijk aan je deur komt bellen. Wereldmuziek en folk, dat was mijn jeugd. Die bands speelden in onze achtertuin. Ik heb mijn drumstel nog uitgeleend aan Rockin’ Dopsie, en aan Queen Ida, en aan de drummer van Rubén Blades, en met die muzikanten verbroederd tot een kot in de nacht. Ik heb toen zoveel geleerd. Lang voor Paul Simon de South African Beat verblijdde met zijn popliedjes, kende ik the real thing al.

‘Je relevantie ­eindigt wanneer je er zelf niet meer in gelooft. Zo simpel is dat. Anderen moeten dan maar beslissen of je er ook voor hen nog toe doet, ja of nee.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Je relevantie ­eindigt wanneer je er zelf niet meer in gelooft. Zo simpel is dat. Anderen moeten dan maar beslissen of je er ook voor hen nog toe doet, ja of nee.’Beeld © Stefaan Temmerman

“En ik ben er niet alleen schatplichtig aan, maar ook succesplichtig, in die zin dat een aantal jaar geleden het Sfinksfestival de volgende billing had: Kid Creole and the Coconuts, The Buena Vista Social Club, Youssou N’Dour, en... Bart Peeters en De Ideale Mannen. Een bijzonder rare affiche. (lacht) Maar wat een geweldig feest! Met flamencospelers en Marokkaanse drummers die we mee op het podium hadden genomen. Blijkbaar hadden ook andere organisatoren ons bezig gezien, want ineens werden we uitgenodigd op het grootste festival van Marokko, in Agadir. In het hart van de woestijn hebben we daar dan voor 15.000 man in het Vlaams staan zingen, voor berbers en vrouwen in boerka. (lacht) Het gekke oorzakelijke. Als je bedenkt waar ik mijn ­invloeden vandaan heb, het Sfinksfestival, en daar dan mogen top of the bill’en zo vele jaren later! ­Ongelooflijk.”

15. Waarover bent u de laatste tijd dieper gaan nadenken?

“Over hoe dit afloopt. Ik heb onlangs een heel mooi gesprek gehad met Martine Tanghe waar ik veel aan gehad heb. De media wilden haar enige verbittering toeschrijven na haar verplichte pensionering, maar eigenlijk is zij heel dankbaar voor hoe alles gelopen is. Zij is nu een heel fiere oma.

“Hoe cliché het ook mag klinken, bij mij zal de afloop tot een organisch punt komen als Anneke en ik fiere oma en opa kunnen zijn, en dat zit eraan te komen. Dat is de volgende stap. Ik heb dat gemerkt bij de grote Mark Uytterhoeven. Op een dag was hij ­ermee klaar en werd hij een heel bewuste opa. Dat is ook legaal, hè. Je beslist dat zelf. Je relevantie ­eindigt wanneer je er zelf niet meer in gelooft. Zo simpel is dat. Anderen moeten dan maar beslissen of je er ook voor hen nog toe doet, ja of nee.”

16. Welk boek heeft voor u een bijzondere betekenis?

Alice in Wonderland. Dat ben ik een beetje, ja. Je valt in een soort droomput en voor wat je dan overkomt is het realisme niet van tel en vallen alle wetten van de logica weg. Het is een manier als een andere om een hobbelig parcours goed te praten.” (lacht)

17. Wat vindt u erotisch?

“De erotiek van mannen zie ik niet. Sterke vrouwen. Mijn eigen vrouw is een sterke vrouw, dat zal je ­tussen de regels wel al begrepen hebben.” (lacht)

18. Wat is de speciaalste plek waar u ooit de liefde bedreven hebt?

“In de sneeuw. Niet in Oostenrijk. Hier in Antwerpen City. Schoon. Maar koud. En op den duur nat ook. Ik heb er mijn frak op gelegd. Het was niet op een bedje van sneeuw. Je had een bedje van sneeuw, daarop mijn frak, en dan wij.

“Maar liever in de sneeuw dan op het dak van de VRT. (kijkt ondeugend) Of dat al gebeurd is? In mijn fantasie wel, ja. Heb ik daar enig bewijs voor? ­Helemaal niet.” (lacht)

19. Hoe zou u willen sterven?

“Voor mijn omgeving als in een kroniek van een aangekondigde dood. Bij mijn vader wisten we al een jaar hoe laat het was en konden we ons daarop voorbereiden. Egoïstisch wens ik mezelf eerder een korte maar krachtige dood toe.”

20. Wat zou u wensen als laatste avondmaal?

“Ik ben tot mijn schande niet culinair ingesteld. Ik zou afkomen met pizza Hawaï, de enige pizza waar Italianen echt kwaad van worden. Ananas en pizza, dat combineer je niet. Maar ik vind dat zo lekker, vooral die uit de Rosario in Lier. (lacht) Totaal ­onzinnig.”

Het album De kat zat op de krant komt uit op 1 oktober.

De kat zat op de krant-tour’ vanaf 2 oktober. www.bartpeeters.net

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234