Maandag 24/02/2020

InterviewBoeken

Bart Moeyaert: ‘TikTok is leuk, maar kunnen we het alstublieft vooral ook over het plezier van lezen hebben?’

Bart Moeyaert: 'Ik dacht dat ik te raar bezig was en zaken verdedigde die niemand wilde horen, maar ondertussen werd er echt wel naar me geluisterd.'Beeld Thomas Sweertvaegher

‘Ik heb de champagne-industrie een boost gegeven.’ Er lijkt geen einde te komen aan het feestje van Bart Moeyaert (55). Na de gewonnen ‘Nobelprijs’ staat hij nu op de shortlist van de Hans Christian Andersen Award. Een gesprek over je begrepen voelen, het belang van kinderboeken en wat een half miljoen met je doet.

“Ik ben sterker geworden, denk ik”, zegt hij een beetje verontschuldigend, alsof het niet echt gepast zou zijn. “Ik besef het, het klinkt flauw, maar ik voel me gewoon vollediger. In het voorjaar van 2019 hebben ze me echt gezien. Ik werd begrepen. Van die voldoening leef ik nu al maanden, en het gaat maar door. Het is moeilijk om te beschrijven welk gevoel het geeft dat je meer dan dertig jaar aan het werk bent en een jury je opeens doet inzien dat je de dingen al die jaren fout hebt ingeschat. Ik dacht dat ik te raar bezig was en zaken verdedigde die niemand wilde horen, maar ondertussen werd er echt wel naar me geluisterd.”

Negen maanden nadat hij te horen kreeg dat hij de Astrid Lindgren Memorial Award (ALMA) gewonnen had, ook weleens de Nobelprijs voor kinder- en jeugdliteratuur genoemd, geniet Bart Moeyaert duidelijk nog altijd na. Als hij er al tijd voor heeft natuurlijk, want de prijs heeft niet alleen tot een tiental extra vertalingen en een paar nieuwe talen geleid, maar ook tot heel wat promotiereizen, naar Zweden natuurlijk, maar ook naar Italië, Mexico, Noorwegen en Rusland.

Zo’n prijs krijg je geen tweede keer, dacht hij, dus wilde hij er het maximale uithalen en op alle verzoeken ingaan waar hij zin in had. “Vroeger werd ik ook wel eens geïnterviewd”, licht hij toe hoezeer zijn carrière veranderd is, “Een schrijver uit België, interessant, dachten ze dan. Nu is dat anders. De journalisten willen je echt spreken. Ze zijn goed voorbereid en er wordt op een andere manier naar mijn antwoorden geluisterd.”

Maar uiteindelijk zijn het niet alle grote woorden, noch de 470.000 euro die meekwamen met de ALMA die Moeyaert de voorbije negen maanden de grootste voldoening hebben geschonken, merken we. “Weet je wat ik echt overweldigend vind?”, voegt hij er met fonkelende ogen aan toe.

BIO

• geboren op 9 juni 1964 in Brugge • debuut Duet met valse noten (1983) • Zilveren Griffel voor Blote handen (1995) • Gouden Uil voor Luna van de boom • Antwerps stads­dichter in 2006-’07 • was artistiek intendant van de gastlandpresentatie van Vlaanderen en Nederland op Frankfurter Buchmesse 2016 • laatste twee boeken: Tegenwoordig heet iedereen Sorry (Querido, 2018) en de dichtbundel Helium (2019) • zijn boeken zijn in 21 talen vertaald • won de Astrid Lindgren Memorial Award 2019 • is genomineerd voor de Hans Christian Andersen Award. De laureaat wordt op 30 maart in Bologna bekend­gemaakt

“Dat er na een lezing nog steeds mensen op me afkomen om me te zeggen hoe blij ze waren toen ze hoorden dat ik de ALMA gewonnen had, en dat ze toen een fles opengetrokken hebben. Dat is toch mooi? Dat zijn wellicht mensen die me al sinds hun kindertijd of jeugd lezen. Iemand zou er de statistieken eens moeten op nakijken, maar ik denk dat ik de champagne- en cava-industrie in april en mei echt wel een boost heb gegeven.” Terwijl we samen lachen om zijn grapje, besef ik dat Bart Moeyaert nog geen haar veranderd is. We zitten in Heide Statie, het vroegere stationsgebouw van de Kalmthoutse deelgemeente Heide dat, aldus het bord op de gevel, omgebouwd is tot een “eet- en drinkstation”. Moeyaert heeft in Heide samen met zijn vriend een huis gekocht en wat iedereen denkt, zeggen wij maar hardop: aha, dat is er dus met die 470.000 euro gebeurd. “Nee,” lacht Moeyaert. “Mijn vriend en ik hebben de stap al in december 2018 gezet, bijna een half jaar voor de ALMA. Na zes jaar vonden we het tijd worden om te gaan samenwonen.

“Wat het geld betreft kan ik alleen maar zeggen dat er een West-Vlaming in mij zit. Je werkt hard en je gaat slim met je geld om. Ik debuteerde op mijn negentiende en was doodsbang dat ik het niet ging redden. Wacht maar, zei mijn vader, binnen drie maanden sta je met hangende pootjes terug thuis. Daar heb ik mezelf dus altijd tegen willen beschermen. Ik word ouder en dus is de kans almaar groter dat er iets met me gebeurt. Dan heb ik een reserve nodig om op terug te kunnen vallen. Het belangrijkste wat de geldsom verbonden aan de ALMA dus schenkt, is innerlijke rust.”

Waarom wilde u weg uit Antwerpen?

Bart Moeyaert: “Ik merkte de afgelopen drie jaar steeds vaker dat bepaalde zaken me stoorden. Ik woonde in de stationswijk waar het hyperdruk is, en het werd meer en meer aanwijsbaar dat de stad aan het veranderen is. Mijn vriend woonde aan het Sint-Jansplein, volks dus, en zelfs daar werd er geklaagd over het verminderde vertrouwen en de toegenomen onvriendelijkheid tussen mensen.

“Hier ontdek ik een andere wereld. Ik zet ’s nachts het raam open om naar de stilte te luisteren, met dan die ene roepende uil in de verte. Ik verander in het jongetje van twaalf dat ik was. Ik kan me weer verwonderen. Als kind heb ik een boek gekregen, Wij verkennen de natuur. Ik heb het nog altijd, nu komt het weer van pas. Door hier te wonen besef ik hoe vervreemd ik geraakt was van een natuurlijk ritme. Ik zat hele dagen tussen het beton. Er hingen wel eens bloemen in de straat, maar de hartslag van de seizoenen voelde ik niet meer.”

‘Ik dacht dat ik oud en rustig aan het worden was, maar kijk, Astrid Lindgren heeft me weer helemaal wakker geschud.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Hebt u een verklaring voor die verharding van onze maatschappij?

“Groeit die niet uit angst? Er lijkt geen vaste grond meer te zijn, waardoor je niet meer rustig om je heen kunt kijken en nadenken. Alles lijkt los zand geworden, waardoor mensen makkelijker beginnen te schelden en hun mening ventileren. Altijd maar in verdedigingsmodus. Als hij of zij iets hardop mag zeggen, dan mag ik dat ook, dat type redenering.

“Ik denk dat ik zelf de omgekeerde beweging heb gemaakt. Ik zwijg meer en oordeel minder snel. Als ik een vraag krijg over schrijven en boeken, zaken waar ik iets van af weet, dan wil ik daar gerust mijn mening over geven. Niet iedereen zal het ermee eens zijn, en ik zal misschien tegenwind vangen, maar ik ben wel thuis in wat ik zeg. Wanneer ik een mening ventileer over iets waarvan ik maar half op de hoogte ben, denk ik: Bart, je doet nu net wat andere mensen ook doen, je zou beter zwijgen.”

Maar mensen willen toch verschillende opinies horen?

“Ja, dat merk ik ook wanneer ik ergens een lezing geef, dat mensen mijn mening over heel veel zaken willen kennen. We hebben nood aan een kapstok, denk ik dan. Het gebeurt dat iemand tijdens een signeersessie geëmotioneerd reageert en huilt. Je hebt me met dat gedicht geholpen, zegt iemand dan. Ik vind dat heftig, want mijn gedicht had geen bedoeling. Het is heftig om te zien dat iemand het noorden was kwijtgeraakt, en door een tekst weer richting heeft gekregen.”

Dinsdag werd aangekondigd dat u op de shortlist van de Hans Christian Andersen Award staat. Stel dat u die ook wint, dan hebt u alles gehad. Dan kan het alleen nog maar bergafwaarts gaan?

(lacht luid) “Het zou natuurlijk fantastisch zijn, maar ik zou daarna gewoon verder doen. Ik heb nog wel een paar verlangens. Ik heb nog nooit een libretto geschreven, of een filmscenario. Wellicht komt het doordat de schrijver en de mens in mijn geval zo samenvallen dat ik me geen zorgen maak over een mogelijke neergang. Ik kan de twee niet los zien van elkaar. Ik heb geen vaste schrijfuren en beschouw het schrijven ook niet als een job. Schrijven is mijn leven.

“Als je een prijs krijgt omdat je goed aan het leven bent, en je er nog een bovenop krijgt omdat die andere jury dat ook vindt, dan moet je volgens mij zeker je leven niet veranderen. Ik mag gewoon van geluk spreken dat ik ben wie ik ben en de kans heb om op die manier met mijn schrijven om te gaan.”

Uw vader stierf een week nadat bekendgemaakt werd dat u de ALMA had gewonnen, maar hij heeft het nooit beseft. Mist u hem, of hebt u daar door alle verplichtingen verbonden aan de ALMA de tijd nog niet voor gehad?

“Ik denk vaak aan hem, maar niet in termen van gemis. Hij heeft een lege plek achtergelaten die niet meer ingevuld kan worden. Ik ben blij met de manier waarop we afscheid hebben genomen, maar hij heeft het me natuurlijk ook gemakkelijk gemaakt door langzaam in de dementie te verdwijnen. Hij herkende mensen nog, maar was zijn taal kwijt. Wellicht was dat heel heftig voor hem, maar hij kon het niet vertellen. Extra tragisch was dat de man die taal zo belangrijk vond zijn taal verloor en dat zijn zoon ondertussen een prijs kreeg omdat hij zo goed met taal bezig is.

‘Wanneer ik een mening ventileer over iets waarvan ik maar half op de hoogte ben, denk ik: Bart, je doet nu net wat andere mensen ook doen, je zou beter zwijgen.'Beeld Thomas Sweertvaegher

“Misschien mag ik nog een klap verwachten, maar nu heb ik het idee dat ik hem betrekkelijk kalm heb kunnen laten weggaan. Ik heb gehuild, maar wellicht eerder omdat het leven eist dat er mensen doodgaan en we daar niets aan kunnen doen, dan specifiek om hem.

“Wat mijn moeder overkomt, vind ik veel zwaarder om dragen. Zij is ook dement, maar op een andere manier. Zij heeft haar taal nog wel, maar blijft geen tien seconden bij hetzelfde onderwerp. Zij is moeilijker te volgen en het is daardoor ook moeilijker om afscheid te nemen.”

Ziet u uzelf ooit een moeder- of vaderboek schrijven, zoals Tom Lanoye en Peter Verhelst dat deden?

“Ik denk het niet. Ik heb geen behoefte om over de dementie van mijn ouders te schrijven. Misschien heb ik in Broere (2000) alles wat er te vertellen valt over de connectie met mijn familie al verteld. In een paar gedichten in Helium (2019) heb ik het over mijn ouders. Eindigen en herbeginnen was de motor voor de bundel. Eén gedicht heb ik niet kunnen schrijven, over het verlies van taal. Dat wilde ik er heel graag in, maar dat is me niet gelukt. Misschien komt dat nog.

“En misschien doe ik ooit iets met het verleden van mijn moeder, al is het in een novelle. Ze was tijdens de oorlog dienstmeisje op een kasteel in Oostkamp dat in een Kommandantur was ingericht. Haar jeugd is een film. Ik heb vaak met haar over die periode gepraat. Ze vertelde altijd weer de verhalen die ik al kende, en ik raakte daar nooit voorbij. Ik stelde haar voor om een aantal dagen in de buurt van haar lieux de mémoire te gaan rondrijden, maar ze had het daar duidelijk moeilijk mee.

“Ik wist dat ik als schrijver niet verder zou komen. Als ik bijvoorbeeld zei dat ze als meisje van zeventien op zo’n kasteel toch wel eens verliefd had kunnen worden op een soldaat, klapte ze dicht. Er kwam niets, en dat maakte het nog raadselachtiger, want juist doordat ze dichtklapte gaf ze aan dat er misschien iets onverteld bleef. Maar ik kan daar dus niet over schrijven. Dat zou verraad zijn. Misschien moet ik haar eerst als fictie gaan beschouwen voor ik die stap kan zetten.”

In het juryverslag van de ALMA staat: ‘Lindgren komt op voor de eenling, de outsider, en dat doet Moeyaert ook.’ Juist?

“Die quote hangt ondertussen boven mijn bed. Ik vond dat het mooiste compliment dat ze mij konden geven. Toen mijn naam bekendgemaakt werd, ging het dak eraf, daar in Bologna. Die blijdschap, dat hebben we nog nooit meegemaakt, zeiden de mensen van de ALMA achteraf. Dat overweldigende applaus en gejuich heb ik grotendeels gemist. Het eerste dat ik me écht herinner is het moment dat de jury iets zei over wat ik al honderd jaar wist, maar me nooit echt gerealiseerd had. Alsof een ander het moest zeggen voor ik het zelf besefte. Die quote, dus.

“Ik was zo ontroerd dat ik me op mijn bloemen heb geconcentreerd. ‘Hoe krijg ik dit grote boeket ongeschonden naar huis’, heb ik zitten denken, om mijn emoties te beheersen. Het was overweldigend om te horen dat er echt een verwantschap tussen Lindgren en mezelf is, en dat die verwantschap teruggaat naar de boeken die ik van haar las in mijn kindertijd en jeugd.

'Ik heb een paar relaties gehad waarbij ik dacht dat het al geweldig was dat de ander mij accepteerde zoals ik was.'Beeld Thomas Sweertvaegher

“Hoe ongelooflijk belangrijk alles is wat we als kind meekrijgen, ondervond ik ook tijdens de negendaagse reis in Zweden, net voor de uitreiking van de prijs. We bezochten het geboortehuis van Lindgren. Ik zou rondgeleid worden door twee familieleden van haar. Ze vertelden over de kindertijd van de schrijfster, maar beseften niet hoe bijzonder dat voor mij was. Er zijn beelden van gemaakt met mijn smartphone. Ik kan er aan zien hoe overweldigd ik ben.

“Diezelfde week was er een ongedwongen pizzadiner met de jury in het huis waar Lindgren tot haar dood heeft gewoond. Haar kleinzoon gaf me een rondleiding. We stonden bij de schrijftafel van Lindgren, met uitzicht op het park dat zo belangrijk voor haar was. Zei hij tegen mij: ‘Je wil wel even gaan zitten, zeker?’ Ik ging zitten en ik was in de zevende hemel. Hij las mijn gedachten en vroeg me ook of hij een foto van mij aan de tafel moest maken.

“Goed. Sinds Stockholm op mijn 55ste weet ik het wel zeker: kom bij mij niet aanzetten met uitvluchten, als het om kinderen gaat. TikTokken is leuk, en tekenen op de iPad kan ook creatief zijn, maar kunnen we het alstublieft vooral ook over taal en prenten in prentenboeken en het plezier van lezen en voorlezen hebben? Verleden jaar dacht ik dat ik oud en rustig aan het worden was, maar Lindgren heeft me wakker geschud.”

Had u als kind zelf ook het gevoel dat u een eenling was?

“Daar komt het wellicht vandaan, ja. Ik hoorde bij het gezin, maar tegelijkertijd hoorde ik er niet bij. Als er hutten of een vlot gebouwd moesten worden, stond ik aan de kant. Als mijn broers ’s nachts door hun raam naar buiten klauterden om een geheim nachtspel te spelen, lag ik te slapen. Later heb ik de verhalen erover nooit erg gevonden. Het was wat het was. Maar op mijn vijftiende begon het wel te knagen. Mijn broers waren het huis uit, hadden een vriendin en leidden het leven dat ik ook wel wilde.

“Op hetzelfde moment begon ik te beseffen dat ik op jongens viel. In het gezin waarin ik opgroeide was er geen voorbeeld. Het woord homoseksueel viel ook nooit. Dan ben je dus wel een outsider. Dat heeft lang doorgespeeld, ook op mijn twintigste in Brussel. Dat was niet mijn gelukkigste tijd. Ik dacht dat mijn outsidergevoel te wijten was aan het feit dat ik niet zo goed communiceerde en bang was voor het studentenleven op café. Dat ik niet zo sociaal was dus, maar ik denk dat ik gewoon worstelde met mezelf, en dat alle onzekerheden daar vandaan kwamen.

“Niet te geloven hoelang dat is blijven nazinderen. Ik heb geen les gekregen in hoe een relatie in elkaar zit, waardoor ik een aantal keer een verkeerde beslissing heb genomen. Ik heb een paar relaties gehad waarbij ik dacht dat het al geweldig was dat de ander mij accepteerde zoals ik was, om daarna te beseffen dat liefde toch wel meer is dan dat.”

Zocht u daarom als kind soelaas in boeken?

“Boeken boden zekerheid. Ik had ze in de hand. Ik kon doorgaan of stoppen. Ze waren mijn burcht. Je houdt ze voor je gezicht en dat is veilig. Maar in feite vind ik dat een rare vraag. Zou je dat aan een voetballer ook vragen? Ben je geen voetballer vanaf het begin? Van toen je als zevenjarige wel met een bal aan je voet geboren leek te zijn? En geldt dat ook niet voor een schrijver?

“Ik denk dat ik heel veel dingen heb gedaan die alleen maar één richting uitwezen, en dat was de richting van de schrijftafel. Zelfs als ik tekende was dat tekenen bij verhaaltjes die ik schreef. Al mijn hobby’s — dat lelijke woord moeten we afschaffen — waren oefeningen in wat ik later ging doen.”

'Zo wordt lezen jammer genoeg de laatste tijd steeds vaker gezien: doe maar hapklaar. Terwijl het je vormt.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Zonder boeken was u een heel andere Bart Moeyaert geworden?

“Ongetwijfeld. Als ik geen zes broers had gehad, maar twee zussen, was ik iemand anders geweest. Het zou wellicht ook iets creatiefs geweest zijn, maar misschien geen schrijver. Stel dat mijn vader positief geweest was over mijn studiekeuze en ik in Brussel RITCS had mogen studeren, dan zat ik nu misschien in de film, of in de reclame.”

Lezen was meer dan ontspanning?

“Natuurlijk. Zo wordt het jammer genoeg de laatste tijd steeds vaker gezien: doe maar hapklaar. Terwijl lezen je vormt. Ik ben altijd op zoek naar boeken die me veranderen, die me een mep verkopen, zodat ik er een andere richting door uitga. Die boeken kan ik op twee handen tellen, denk ik, maar ze hebben me wel gevormd.”

Bent u dan niet bezorgd dat er steeds minder jeugdboeken worden verkocht, zoals vorige week nog in het nieuws was?

“Na een lezing krijg ik vaak de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat kinderen en jongeren meer gaan lezen. Ik blijf het een merkwaardige vraag vinden. Ga naar huis en geef het voorbeeld, denk ik dan. Wees echt. Als het niet meteen werkt, komt het misschien later. De mensen die mij tot lezen hebben aangezet, zijn niet degenen die me een boek in de hand stopten en met een opgestoken vingertje zeiden dat ik het moest lezen. Want zo werkt het niet.

“Op de kunsthumaniora kreeg ik les van Lieven Tavernier (songschrijver, zanger en schrijver, red.). Hij was een bijzonder inspirerende man, die zijn Nederlands bij wijze van spreken in de laatste vijf minuten van de les gaf, maar eerst wel vijfenveertig minuten had verteld over iets wat hem op dat moment bezighield. Hij maakte mij gretig. Ik kwam uit zijn lessen en dacht: later wil ik iemand zijn als hij.

“Of nog: onlangs kreeg ik in het nieuwe huis in Heide raad van een tuinman. Hij vertelde daarbij ook over zijn zoontje van tien dat niet graag leest. Het toeval wil dat de man een week later nog eens langskomt om een en ander te bespreken en zijn zoontje is erbij. Ik geef het jongetje een boek van mij, maar voor ik het hem overhandig hou ik het omslag een paar seconden onder een plafondspot en pas daarna geef ik het hem. Ik zeg dat het allemaal niet belangrijk is, maar dat het mijn boek is, dat het licht geeft in het donker, en dat hij maar moet zien wat hij ermee doet, maar dat ik het wel leuk zou vinden als hij er iets mee deed. Waarmee ik bedoel: zie verleiden tot lezen niet als een opdracht. De tuinman zei me gisteren dat zijn zoontje het boek intussen voorleest aan zijn zusje. Is dat niet geweldig?

Vorig jaar ontstond er nogal wat commotie omdat u gezegd zou hebben dat een leraar die geen kinderboeken leest een slechte leraar is.

“Ik heb toen heel wat boze reacties gekregen van leraars, maar ook veel positieve, misschien nog wel meer. Het jammere aan de zaak was dat mijn woorden toen behoorlijk ingekort waren tot een quote, maar ik heb er geen spijt van. Eindelijk was er debat. Als je iets gematigd en braaf zegt, let niemand op je. Kinderboekenschrijvers zijn altijd vriendelijk. Maar als je vloekt, schrikken mensen en komt er discussie. Mijn punt is dat wanneer je verondersteld wordt kinderen iets bij te brengen, je hen ook door en door moet kennen. Je moet de kindercultuur begrijpen en volgen. Ik denk dat we op dat vlak vandaag te snel tevreden zijn.

“Mijn vader was schoolinspecteur. Onderwijs was voor hem het mooiste beroep ter wereld, omdat je er dingen kon in meegeven. Het is goed dat er leerplannen zijn, maar ik wil wel dat er een mens voor de klas staat, iemand die niet doet alsof hij een voorbeeldvolwassene is, maar wel een volwassene die ik als voorbeeld zou kunnen nemen. Iemand die echt is dus.

“Ik sprak niet lang geleden op twee studiedagen, een voor mensen die een opleiding volgen om leraar lager onderwijs te worden en een voor toekomstige leraren in het secundair. De zaal zat iedere keer helemaal vol en alles ging fantastisch goed, maar wat onthou ik? Vier meisjes naast elkaar op rij 6 die voortdurend met hun ogen rollen en zuchten en op hun smartphone kijken. Ik zag het hen zo denken: duurt dat hier echt nog veertig minuten? Schat, denk ik op zo’n moment, ik heb het hier over jouw opleiding en jouw toekomstig beroep, en nu al zit je met je ogen te draaien. Je moet niet op die paar ongeïnteresseerden letten, zei iemand me nadien, je moet naar al die anderen kijken die zo enthousiast waren, maar toch struikel ik daarover.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Liever meer aandacht voor literatuur en wat minder trammelant maken over een spelfout?

“Ik geef ‘Schrijven’ aan het Conservatorium in Antwerpen. Schrijven als ambacht, dat is mijn stokpaardje, maar een jaar of tien geleden betrapte ik mezelf erop dat ik te veel vasthield aan klassieke principes. Schrijf, schrap, slijp. Een ambacht is goed, maar je moet wel openstaan voor vernieuwing van buitenaf, door de taal van de rap, bijvoorbeeld. Je kunt volgens mij ook sms- of chatverhalen schrijven.

“Anderzijds kom ik uit een tijd waarin erop gehamerd werd dat het niet ‘geregeld’ was, maar ‘regelmatig’. Ik struikel me soms te pletter wanneer ik merk wat er intussen allemaal veranderd is. Maar misschien was dat voor mijn tijd net zo goed het geval, natuurlijk. Taal zal altijd veranderen. Meer dan aan foute spelling erger ik me trouwens aan het hedendaagse Nederlandstalige lied waarin men al lang niet meer op zoek gaat naar rijmwoorden maar al tevreden is wanneer iets een beetje gelijkaardig klinkt. ‘Leven’ rijmt dan opeens op ‘velen’. Hopeloos gewoon.”

Dat slam poet Seckou de nieuwe Antwerpse stadsdichter is vindt u dus fantastisch?

“Natuurlijk, dat is wat ik bedoel met vernieuwing.”

Zelf was u in 2006 en 2007 stadsdichter. Welke raad zou u Seckou meegeven?

“Dat hij vooral moet doen wat hij vindt dat hij moet doen en dus niet wat hij denkt dat er van hem verwacht wordt. Ik worstelde daar in het begin heel erg mee. Ik was de derde stadsdichter. Mijn twee voorgangers en voorbeelden waren Tom Lanoye en Ramsey Nasr. Een stadsdichter moest dus politiek geëngageerd zijn.

“Ik geloofde echter niet in de macht van de dichter. We zitten tussen onze vier muren te schrijven, was mijn mening. Als ik mijn stempel op het stadsdichterschap wilde drukken, het persoonlijker maken en vanuit mezelf dichten, moest ik dus iets nieuws introduceren, en dat vond ik ongelooflijk moeilijk.

“De reacties die ik kreeg waren veel te heftig voor mijn dunne vel. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik het zo heb aangepakt, maar ik weet ook dat heel veel van het gif dat ik toen heb binnengekregen vandaag nog steeds ergens in mijn lijf zit. En soms breekt het uit. Wanneer ik de hedendaagse verharding om me heen zie, grom ik wat in mezelf: de mensheid is toch wel… (schiet in de lach) Ik zoek het juiste scheldwoord, maar ik vind het niet.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234