Woensdag 27/10/2021

Bangladesh: de tolerantie van de hongerigen

Het is een van de armste landen van de wereld, en volgens VN-statistieken het corruptste land op de aardbol, het dichtstbevolkte en het meest bedreigde door de opwarming van de planeet. Maar voor radicalisme blijft het, ondanks alles, massaal onbegrip tonen. 'Tolerantie maakt deel uit van onze cultuur.'

Rudi rotthier

Foto's Ian berry / magnum

Het gehucht heet Thakurakona East en ligt in de buurt van de provinciestad Netrokona. Van ver beschouwd, of als je er gewoon door loopt, kan het paradijselijk lijken. De zon heeft de ochtendkou en de nevels verdreven. Kinderen ravotten in een plas bruin water. In de volgende plas water baadt een vrouw. Haar sari is weggezakt en een glanzend bruin lijf duikt in en uit het water. Als ze ons opmerkt, zinkt ze zedig tot de hals in haar openbaar bad. Ze slaat met geopende handen op het wateroppervlak. Ganzen deinen geïnteresseerd op de golven die ze maakt. Een jongetje komt zijn geiten drenken: vijftien geitjes die hij elk via een touwtje bij zich houdt. Mensen en dieren houden hier van water en water is er volop. Groen eveneens.

De auto heeft ons honderd meter eerder gedeponeerd. We lopen over paadjes die geen 30 centimeter breed zijn. We stappen over een spoorbaan, glijden over een slijkheuvel. Achter palmen en bananenbladeren schuilt het andere gezicht van Bangladesh.

Monoara is tweeëndertig, een weduwe met twee dochters. Met haar rechtervoet drijft ze onophoudend een spinnenwiel aan. Het resultaat van haar ijver is miserabel omdat de grondstof niet deugt. Hamouza, Monoara's moeder, haalde afgedankte coconnen op in een nabijgelegen zijdefabriekje, en van wat daar niet aan de normen voldoet, spint Monoara hier garen. De draad is ongelijk en breekt voortdurend. Een dag arbeid levert Monoara gemiddeld 8 taka op (in een euro gaan 60 taka, met 8 taka koop je een halve kilo van de slechtste rijst). Haar buurvrouw prepareert intussen de brandstof. Ze draait koeienstront rond takken en legt de brochetten op haar verhakkelde strodak te drogen. Een naakt kind kakt naast de hoop stront. Een doodmagere hond komt de nieuwe productie besnuffelen.

Monoara is wat wij gehandicapt zouden noemen. Haar linkervoet is onbruikbaar sinds ze door een autoriksja werd geraakt. Die voet doet voortdurend pijn, ze kan er niet voluit op steunen. Een operatie zou ongetwijfeld raad brengen, maar niemand weet hoeveel die kost en waar het geld vandaan moet komen.

De moeder, Hamouza, houdt eigenlijk de familie in leven: haar dochter, de twee kleindochters, en haar ziekelijke zoon. Die zoon leed aan tbc. IIRD, de niet-gouvernementele organisatie die me hier op sleeptouw neemt, heeft voor een behandeling betaald, maar ook na zijn 'genezing' kan de jongeman niet aan werken denken. Hij strompelt duizelig en bleek van krukje naar slaapstee. 'Bloedarmoede' luidt nu de diagnose. De remedie is simpel genoeg: meer en gevarieerder eten. De moeder toont de voorraadpot: leeg.

Wat doet Hamouza voor de kost?

Ze loopt de omgeving af, mijlenver, en ze schooit om rijst. In een goede dag haalt ze 2,5 kilo binnen. Maar het wandelen valt haar met de dag zwaarder. Ze wordt oud, zegt ze. Vijftig, schat ze. Ze is moe.

Hamouza is niet altijd arm geweest. Eens bezat ze zelf land en ze trouwde met een man die meer land bezat dan zijzelf, de toekomst leek toen vrij beloftevol. Maar er ontstond een broedertwist over de exacte verdeling van dat land, en haar echtgenoot verloor een groot deel van wat hij dacht in eigendom te hebben. Hij werd gek, het is niet duidelijk of dat door de verpaupering of om andere redenen gebeurde. Hamouza verkocht wat hen nog restte om hem te laten behandelen. De behandeling mislukte, de man stierf nog voor de onafhankelijkheid in 1971. Sindsdien woont Hamouza met haar kinderen op vier vierkante meter van een oom geleende grond. Althans, tot voor kort was dat zo. Enkele maanden geleden is haar zoon getrouwd. Die woont nu in een aparte hut met Nazma, zijn jeugdige echtgenote, op geleende grond, twee meter verderop.

Wat doet Nazma?

Ze koopt voor 16 taka cakejes in, en ze verkoopt die voor 20 taka. Dagwinst: 4 taka plus wat ze erbij kan bedelen. Ze toont ons haar koopwaar, vier onfrisse muffinachtigen. Hoe onappetijtelijk ze ook lijken, hoe ver ook voorbij hun vervaldatum, ze kijkt er likkebaardend naar. De zin om ze zelf op te eten moet bijwijlen onbedwingbaar groot zijn.

Siddiqur Rahman, de field director van IIRD (Institute for Integrated Rural Development), wijst op enkele verbeteringen die er toch zijn gekomen in het bestaan van deze familie: IIRD heeft het dak van de hut laten herstellen en met golfplaat laten verstevigen, zodat het niet langer binnenregent, IIRD heeft een bed en een muskietennet laten installeren, de (klein)dochtertjes gaan naar een speciale school, Monoara's spinnenwiel is door IIRD geschonken, IIRD heeft latrines en waterputten laten bouwen.

Wat verwacht Hamouza van de toekomst?

Ze denkt niet aan de toekomst, zegt ze, tenzij aan de lege voorraadkom: dat is haar toekomst.

In Thakurakona East houdt IIRD 46 families in de gaten. Zeventien daarvan zijn in de terminologie van de organisatie 'hardcore poor', wat betekent dat ze moeite hebben om aan één maaltijd per dag te geraken. Maar voor IIRD een jaar geleden in het dorp begon te werken was meer dan de helft van deze families 'hardcore arm'.

De vooruitgang is niet lineair. Een man ontving tot twee keer toe een lage rentelening die hem in staat stelde om twee handeltjes op te zetten: een rijdend winkeltje met suikergoed en wat fruit. Hij betaalde de leningen af, hij liet zijn huis moderniseren, en toen werd hij ziek: zijn maag wil niet langer zijn voedsel verteren, hij werd bedlegerig en is volledig werkonbekwaam. Hij heeft uitverkoop gehouden. Hij was van hardcore arm opgeklommen tot gewoon arm, maar nu is hij teruggezakt naar hardcore. Het enige pluspunt is dat hij iets beter woont.

"Je behaalt met onze aanpak geen eindoverwinningen", geeft Siddiqur toe. "We proberen mensen de middelen te geven om zich uit de ellende te werken, maar ze blijven zonder vangnet leven."

De statistieken bewijzen dat de aanpak toch enig resultaat heeft. We kunnen enkele individuele succesverhaaltjes bezoeken. Rejana en Shahana hebben met een IIRD-lening een fietsriksja gekocht. Hij verdient nu 50 tot 60 taka per dag (bijna 1 euro). De lening is al helemaal terugbetaald. Zij verplant groenten en verdient ongeveer evenveel bij. Hun oudste dochter wil niet meer naar school. Ze is dertien, veertien en ze wil trouwen, maar tot nu vragen potentiële schoonfamilies om een bruidsschat van 15.000 taka en daar is, ondanks de toegenomen koopkracht, geen denken aan. De atmosfeer in de familie is evenwel radicaal anders dan een jaar geleden. Toen was ze somber, nu is ze optimistisch, de voorraadketel bevat voor wel drie dagen rijst, Shahana heeft plannen om haar groentetuin uit te breiden.

Is deze familie hindoe? De trouwlustige dochter, met veel te veel rouge op haar lippen, draagt een derde oog, wat bij hindoes doorgaans aan gehuwde vrouwen is voorbehouden. "Wij zijn moslims", preciseert Shahana. Ze haalt een op hout gegraveerd vers uit de koran uit haar kastje om het te bewijzen.

Waarom kleden ze zich dan als hindoes?

Zo'n oog is toch mooi...

"Deze mensen", legt Siddiqur uit, "zijn weliswaar diep religieus, maar de fijnere lijnen zijn nog niet getrokken." Hier zie je, zegt hij, de zo geroemde Bengaalse religieuze tolerantie aan het werk: de moslim die zich kleedt als hindoe.

Vijf passen voorbij deze uiting van tolerantie is het alweer ellende troef. Jabbar, vijfenveertig, werkte als ijsverkoper, tot hij vijf jaar geleden door astma werkonbekaam werd. Zijn vrouw Shahala bedelt, hun tienjarige zoontje wacht op een lokale markt op klusjes. De zoon is echter al drie nachten niet thuisgekomen. Dat is vooral erg omdat zijn aandeel in het familiebudget achterwege blijft en omdat hij de aankopen doet. "We hebben al drie dagen niet gegeten", klaagt Shahala. Om haar woorden kracht bij te zetten wijst ze naar een lege ketel.

In een gebied waar mensen met bijna niets weten te overleven, heeft zij de bodem van de put bereikt. Van bijna niets naar niets. Zij heeft een tijdlang als meid in Dhaka gewerkt. Ze kreeg er te eten, een bed, een afgedragen sari per jaar en 150 taka per maand. Als ze een bevel niet begreep of niet snel genoeg in actie schoot, werd ze geslagen. Ze stuurde haar maandloon naar haar echtgenoot, maar van 5 taka per dag werd die niet beter. De retourtrip met de bus kostte haar een maandloon.

Ook hier valt de vraag naar de toekomst niet goed. De toekomst brengt hopelijk de zoon terug naar huis. Zo niet dreigt de hongerdood. Ze wonen op land dat ze illegaal van de spoorwegmaatschappij hebben afgepakt. Zelfs het lekkende dak boven hun hoofd kan elk moment verdwijnen. Siddiqur vraagt zich, terwijl we wegwandelen, af wat er met weinig middelen kan verbeteren. Hij stelt voor aan Nazma, de schoonzus van de zijdespinnende Monoara, een lening van 100 taka toe te kennen (ruim anderhalve euro). Daarmee kan ze meer cakejes inkopen en ongeveer 25 taka winst per dag maken.

"Je vraagt je af hoe iemand met 5 taka per dag weet te overleven. Het antwoord is: ze hebben geen andere keuze."

Voelt hij zich soms een beetje God? Hij bepaalt wie leeft en wie niet.

Siddiqur begrijpt de vraag niet. "We helpen wie we kunnen helpen."

Deze mensen, zegt hij, als de auto ons naar een volgend dorp voert, zijn onvoorstelbaar consciëntieus bij het terugbetalen van leningen. IIRD probeert de leningen aan te passen aan het incasseringsvermogen van de ontvanger. Voor de aankoop van een riksja wordt een lening van enkele duizenden taka uitgeschreven, maar Nazma moet eerst leren 100 taka te beheren.

Vormen deze mensen geen makkelijke prooi voor predikanten allerhande?

"Dat is niet het voornaamste probleem. Enkele mullahs proberen IIRD (dat onder meer werkt met geld van de Belgische missiehulporganisatie DMOS/Comide en dat misschien in aanmerking komt voor ondersteuning door de Belgische overheid, RR) voor te stellen als een verdoken poging om dit gebied te kerstenen. Maar het gros van de werknemers van IIRD is zelf moslim, en wij praten niet over religie. Religie is onze zorg niet, armoede is onze zorg."

De mullahs worden snel door de bewoners afgewimpeld. "'Als jullie ons tegen dezelfde voorwaarden geld lenen, zullen we van jullie lenen', zeggen ze hen - en daar eindigt het dan."

Een groter probleem vindt Siddiqur "de machtigen" van het gebied. Die hebben deze armelui altijd gebruikt en misbruikt, maar het besef van dat misbruik dringt moeilijk tot de bewoners door. "Stel: een kind heeft dringend een operatie nodig. De ouders gaan bij de grondbezitter aankloppen, die hen het vereiste bedrag leent, maar tegen 10 procent intrest per maand. Dan blijven de ouders hun leven lang de grondbezitter bedanken als degene die hun kind heeft gered. Terwijl hij eigenlijk van hun ongeluk heeft geprofiteerd om woekerwinsten te maken. En zolang de lening niet is afbetaald, zitten de ouders tot op zekere hoogte aan de landeigenaar vast. Ze kunnen niet zomaar bij de concurrentie gaan werken als die een beter dagloon biedt. Ik wil niet beweren dat ze aan het land gebonden zijn - dat bestaat hier niet - maar de eigenaar is in staat zijn geld onmiddellijk terug te eisen als hij zou weten dat ze elders werken, en dat risico lopen ze liever niet."

Andere problemen zijn structureel. Land is extreem verkaveld. Mensen planten rijst op stukjes veld waar je over kunt springen en die vroeger ternauwernood groot genoeg geacht werden om zaad te laten kiemen. Bij gebrek aan andere vangnetten wordt bij elke ramp een deeltje land verkocht. De overheid beweert dat ze gratis gezondheidszorg verstrekt, maar in de praktijk moet je soms smeergeld betalen om tot bij de dokter te geraken en belanden de medicijnen die gratis ter beschikking zouden moeten staan in een zwart circuit.

Het volgende projectdorp toont beter wat IIRD met de armen hoopt te bereiken. Een jaar geleden, vertelt Siddiqur, waren deze mensen even arm als de bewoners van Thakurakona East. Sindsdien werden ze uit hun oorspronkelijke dorpen weggehaald en gerelokaliseerd rond een nieuw aangelegde visvijver. Honderd en twaalf families die elkaar voordien niet kenden, drie kwart moslims en een kwart hindoes, leven nu naast elkaar. Elke familie heeft een groentetuintje, elke familie krijgt een deel van de opbrengst van de karpervangst. Die karpers worden de sociale zekerheid van de bewoners. Elke familie zou jaarlijks 4.000 tot 5.000 taka aan de vissen verdienen. Er is 4 miljoen taka in het project geïnvesteerd, maar die zouden binnen zes à zeven jaar terugverdiend kunnen worden (IIRD krijgt een percent van de visopbrengst).

De families wonen beter, hun huis en grond behoren hen toe, ze eten beter (door de groentetuin), ze krijgen een lening voor verdere activiteiten en er is een schooltje gebouwd waarin de kinderen zich kunnen voorbereiden op de echte school.

De gevonden welvaart is ontroerend: een man toont trots de os die hij met zijn lening heeft gekocht. Het dier is zo weldoorvoed dat de eigenaar meent bij het doorverkopen wel 5.000 taka winst te kunnen maken. De os is beter gevoed dan de meeste bewoners. Kinderen eten, zie ik, nog altijd rijst zonder iets erbij, kleverige witte ballen in de vingers knedend. Maar ze eten.

Het kan toeval zijn, maar in het verpauperde dorp werden we bijna exclusief door vrouwen te woord gestaan. In het vissersdorp daarentegen blazen de mannen verzamelen voor een gesprek en blijven de vrouwen binnen. Een dienstdoende muezzin roept zijn medegelovigen op tot het gebed, terwijl een hindoe me het beeld van Krishna toont dat in een geïmproviseerd tempeltje werd geplaatst. Met de relatieve welvaart is de officiële religie binnengesijpeld en worden vrouwen in traditionelere rollen geduwd.

De mannen ontkennen dergelijke evoluties. Ze werken goed samen, zeggen ze, religieuze voorkeur maakt geen verschil. Ze tonen een zeker optimisme. Van de dertig aanwezige mannen is er slechts een naar school geweest. Maar ze willen nu al hun kinderen naar school sturen, jongens en meisjes, en wie weet zal een van hen een job aan een bureau weten te vinden. Daar dromen ze van, zoals anderen van een bestaan als filmster: van een job met een bureau.

Ook hier, vertellen ze er gauw bij, blijft de redding ongewis. In het afgelopen jaar zijn de huizen al drie keer door stormen of orkanen beschadigd. Er moet een steviger soort constructie uitgedacht worden. De laatste storm heeft de rijstoogst van de lokale grootgrondbezitter vernield, waardoor veel mannen langdurig technisch werkloos bleven (binnenkort wordt in de buurt een nieuwe begraafplaats aangelegd, ze hopen dat ze daar aan de slag zullen kunnen).

Ze klagen ook over de houding van hun buren, die hen als indringers beschouwen en het hele project niet gunstig gezind zijn. De gemeenteraad weigert dit vissersdorp bijvoorbeeld van overheidssteun te laten genieten. Bij de plaatselijke verkiezingen van februari zal het vissersdorp een eigen kandidaat naar voren schuiven. Ze denken dat hij, met alle stemmen van het dorp, een kans maakt om in de gemeenteraad te komen.

Een weeklagende oudere hindoe, te zwak om zijn benen te staan, zwaar hangend aan zijn dochter, komt om assistentie vragen. Hij moet aan een vergevorderde maagzweer geopereerd worden maar de artsen achten hem te verzwakt om de ingreep te doorstaan. Een andere man komt zijn röntgenfoto tonen. Ook hij heeft verdere medische zorgen nodig.

IIRD schat dat 30 van de 130 miljoen Bengalezen extreem arm zijn. In haar eigen werking onderscheidt de organisatie drie niveaus: hardcore armen, heel armen (die twee keer daags kunnen eten) en gewoon armen (die voldoende te eten hebben maar niets overhouden voor andere levensnoodzakelijkheden zoals gezondheidszorg).

De bewoners van dit vissersdorp zijn binnen een jaar van hardcore naar gewoon arm gepromoveerd.

Bangladesh wordt wel eens ngo-stan genoemd. Niet-gouvernementele organisaties proberen zich over de armen te ontfermen. De keuzes zijn levensgroot. Probeer je de dingen structureel te veranderen? Probeer je een middengroep te begunstigen die mettertijd misschien werkgelegenheid kan creëren? Of mik je op de allerarmsten die zonder bijstand sterven? Een tijdlang was microkrediet het codewoord. Met kleine leningen zouden de armen zichzelf kunnen redden. De Grameen Bank van Mohammed Yunus, die bewonderd werd en wordt door de Belgische koning Boudewijn en de gewezen Amerikaanse president Clinton, probeerde die aanpak op grote schaal toe te passen.

IIRD werkt eveneens met leningen, maar Siddiqur gelooft dat lenen alleen niet volstaat. "Microkrediet is een systeem geworden. Je kent de lening toe en je moet er verder niet bij nadenken. Bovendien is het onze ervaring dat van dat microkrediet toch vooral de iets welvarender mensen profiteren en niet de allerarmsten. Wij willen over elk dorp, over elke situatie nadenken en een aangepaste oplossing vinden in samenspraak met de bewoners."

De filosofie achter microkrediet is dat mensen, ook de allerarmsten, in staat zijn om zichzelf uit de put op te werken via een lening. De filosofie van IIRD is dat je aan de allerarmsten een beetje moet trekken alvorens ze uit hun put tevoorschijn kunnen komen.

IIRD bereikt, met een jaarbudget van 1 miljoen euro, ongeveer 62.000 begunstigden. Aan armen is er geen gebrek, met meer geld zou de organisatie meer projecten kunnen uitwerken.

De volgende dag bezoeken we in Netrokona-stad een bidonville van kasteloze hindoes. Ik zie, voor het eerst in maanden, varkens rondlopen tussen verkrotte hutten. De kinderen spelen op de belendende afvalberg. Voor honderd families zijn er twee toiletten en een waterpomp voorzien. Elders is het grootste probleem gebrek aan werk (in de gebieden waar IIRD actief is, vinden dagloners gemiddeld honderd dagen per jaar werk), maar hier woont een gemeenschap die officieel aan de slag is. Deze hindoes worden door de gemeente als veger gebruikt, wat eigenlijk betekent dat ze de toiletten schoonmaken. Ze verdienen 400 taka per maand, een bedrag dat sinds de onafhankelijkheid niet meer is opgetrokken en duidelijk niet volstaat om de lijven te voeden. De vegers gaan geregeld om loonsverhoging vragen. Telkens krijgen ze te horen dat er een aanpassing zal komen en telkens verandert er niets. De vrouwen bedelen, de mannen klussen waar mogelijk bij, maar ten gronde is het einde van de bewoners nabij.

Krijgen ze geen kwalijke reacties op de aanwezigheid van varkens? "Nooit", zeggen ze. "Dat soort dingen is hier nooit een punt geweest." De varkens vormen duidelijk de minste van hun zorgen.

Het is niet duidelijk hoe deze sloppenbuurt, vol vuile, ziekelijke, hongerende kinderen, gesaneerd kan worden. Een bulldozer lijkt de beste optie.

Dit is een land, had een ontwikkelingshelper me enkele dagen eerder gezegd, van 130 miljoen mensen, met een economie voor 30 miljoen mensen. "De resterende 100 miljoen Bengalezen ademen, eten min of meer, en slapen, maar eigenlijk is er geen plaats voor hen." Zij wonen in de bidonvilles van Netrokona.

De ontwikkelingshelper noemde 'incasseringsvermogen' een voorname karaktertrek van de Bengalezen. "Ik was een tijdlang in Afrika. Probeer een Afrikaan met een riksja te laten rondfietsen en die zal het rondweg weigeren. Die zal zeggen: als je per se met een riksja wilt reizen, rijd er dan zelf mee rond. Maar in Bangladesh laten mensen zich hun lot welgevallen. Ze incasseren en blijven incasseren tot ze er bij neervallen."

Lijdzaamheid is een ander facet van hetzelfde. Men is niet enkel tolerant voor religieuze voorkeuren, maar ook voor onrecht dat henzelf te beurt valt.

Sommigen verklaren lijdzaamheid en incasseringsvermogen als verre effecten van het hindoeïstisch-boeddhistische verleden van de regio. Anderen verwijzen naar de extreme armoede, die geen ruimte laat voor protest. Je moet misschien minimaal gevoed zijn om je lot aan te vechten.

Er is een tegengewicht voor de gelatenheid: geweld. Bijna dagelijks berichten de kranten over gruwelijke misdrijven, moorden, verkrachtingen, aanslagen. Vaak hebben ze met de macht te maken. Bandieten die gepatroneerd worden door politici willen hun wet opleggen.

Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld van geweld in Bangladesh treft vrouwen. Mannen gooien hen een bijtend zuur in het gezicht, en met 10 taka aan zuur vernietigen ze zo een heel mensenleven.

Dit soort aanslagen is vrij recent, ontstaan in de jaren tachtig, of misschien bestond het voordien zonder dat erover gerapporteerd werd. Er zouden tegenwoordig, al naargelang van de bron, jaarlijks 150 tot 300 vrouwen worden getroffen. De meesten verliezen hun gezichtsvermogen en de vorm van hun gelaat (het zuur tast de beenderstructuur aan), en zelfs met verregaande chirurgie blijven ze er monsterlijk uitzien. In zekere zin is dit soort aanslagen een gevolg van de emancipatie van vrouwen, zegt Khadija Sultana van de Acid Survivors Foundation. "De vrouwen hebben geleerd neen te zeggen. Neen als ze geen seks willen, neen als ze niet met een man willen trouwen. Maar de mannen hebben nog niet geleerd neen te accepteren." Er zit tevens een sociaal aspect aan vast: de daders zijn rijker, machtiger, de neenzeggende vrouwen zijn armer, machtelozer.

Als vrouw, zegt een vooraanstaande feministe, krijg je altijd de schuld. "Als je mooi bent, ben je uitdagend. Als je toegeeft aan avances ben je een hoer en als je niet toegeeft ben je koppig. De man vindt zichzelf altijd het slachtoffer van de vrouw."

Vroeger bleven vrouwen binnenskamers en toen deed dit soort problemen zich minder voor. Nu komen ze buiten en de pesterijen zijn vaak onhoudbaar."Men zegt", aldus Khadija, "dat het aan de cultuur ligt. De cultuur maakt dat we tolerant zijn, de cultuur maakt dat we gewelddadig zijn. Maar wat is de cultuur anders dan de optelsom van de mensen? Als de cultuur zo is, betekent dat niets anders dan dat ik zo ben. Als de cultuur tot geweld leidt, verander ze dan.

"Ik ben tot de conclusie gekomen", zegt ze, "dat we de mannen moeten opvoeden, dat we hun cultuur moeten veranderen."

Het zuur (goedkoper dan een revolver en veel afschrikwekkender) is tegenwoordig zo populair dat gangsters het ook tegen mannelijke slachtoffers beginnen te gebruiken.

Een nieuwe wet, die snelle actie tegen daders mogelijk moet maken, is sinds een jaar van kracht. Een terugval van het aantal slachtoffers is echter nog niet vast te stellen.

Hoe, vraag ik aan professor Enamul Haque, had hij zich in 1971, bij de onafhankelijkheid, de toekomst van zijn land voorgesteld? Hij lacht goedmoedig. "Dat is gemakkelijk. Ik had gedacht dat we binnen vijfentwintig jaar welvarend zouden zijn, goed opgeleid, democratisch en seculier. Dat we op het ontwikkelingsniveau van België of ten minste van Zuid-Korea zouden zitten."

Waarom is het anders gelopen?

Haque, die in de jaren zeventig het National Museum in Dhaka heeft opgericht en daar decennialang de directeur van bleef, die zelf bij de onafhankelijkheidsstrijd betrokken was en een vooraanstaande rol speelt in het artistieke leven van zijn land, zucht diep. Hij begint een historische uitleg over de achterstand van moslims op het subcontinent. Hij vertelt over de onafhankelijkheidsbeweging, die ongerijpt was. "In 1970 was er niemand die er ook maar aan dacht dat we het volgende jaar onafhankelijk zouden zijn." De repressie vanuit (West-)Pakistan was dusdanig dat de onafhankelijkheidsstrijd niet kon uitblijven, er ontstond een waarachtig nationaal gevoel, een nationaal enthousiasme, maar de invulling bleef achterwege. "Het is nu zover dat er geen eensgezindheid bestaat over de figuren die de onafhankelijkheidsstrijd voerden. Alsof de Zuid-Afrikaanse president Mbeki publiekelijk zou betwijfelen of Nelson Mandela wel een rol gespeeld had in de antiapartheidsbeweging - dat soort uitspraken is in Bangladesh schering en inslag."

De onafhankelijkheidsbeweging had geen uitgewerkte ideologie, het land werd geteisterd door rampen en staatsgrepen. "Er heerste ontgoocheling, verlies van idealen. We hadden geen managers die het land in de goede richting konden sturen, dat moeten we durven toe te geven." De enkele ideologische punten waarover men het bij de onafhankelijkheid wel eens was - democratie, secularisme, socialisme - werden stuk voor stuk in twijfel getrokken of helemaal verlaten.

Volgens Haque vormen de politici het grootste probleem. Politici van alle partijen kopen zich stemmen, ze kopen zich een zetel in het parlement, en dan gebruiken ze die zetel om zichzelf te verrijken. De belangen van de kiezers kunnen hen gestolen worden. "We hebben behoefte aan een leider met visie die dat systeem kan doorbreken." Hij ziet niemand die deze rol kan waarnemen, "maar ik wanhoop niet. In de jaren zestig was het bon ton om de draak te steken met Mujibur Rahman. Een paar jaar later was hij evenwel de onbetwiste en algemeen bewonderde leider van de onafhankelijkheidsbeweging".

De professor maakt zich zorgen over zijn land. Twee kleine religieuze partijen maken sinds een jaar deel uit van de regeringscoalitie. De regering reageert furieus op buitenlandse suggesties dat er zich fundamentalisten, leden van Al-Qaeda, in het land schuilhouden, zo furieus dat velen menen dat de beschuldigingen ten minste een grond van waarheid bevatten.

"Bangladesh is na Afghanistan de zwakste schakel in de moslimwereld", aldus een buitenlandse waarnemer. Niet omdat de Bengalezen zelf zo radicaal zouden zijn, maar omdat die buitenlandse groepen, mits ze het nodige smeergeld betalen, protectie of gedoging kunnen afkopen van de politie.

Enamul Haque weet niet of er fundamentalistische groepen in Bangladesh opereren. "Ik heb geen directe kennis. Ik lees in de kranten over beslagleggingen op wapens, ik lees over de aanslagen tegen cinema's die door fundamentalisten gepleegd zouden kunnen zijn. Maar het grootste probleem schuilt volgens mij in de toename van de madrassa's, de religieuze scholen. Er zijn er nu ruim zevenduizend, ze worden vanuit het buitenland gefinancierd, en degenen die er studeren, spelen een prominente rol in de moskeeën, die ook volop gebouwd worden. Ik maak we weinig zorgen over de Bengalezen, die zijn niet religieus radicaal. Ik zou bijna zeggen dat we religieus onverschillig zijn. Maar via die scholen en de moskeeën wordt ingepraat op minder gegoeden, op mensen die de seculiere intellectuelen, die doorgaans geen voet in de moskee zetten, niet bereiken. Dat kan mettertijd tot radicalisering leiden."

De aanslagen tegen hindoes relativeert Haque. "Ik betreur die natuurlijk van ganser harte, maar het is bijna toeval dat hindoes er het slachtoffer zijn. Gangsters vallen de hindoegemeenschappen aan en verdrijven hen van hun land, en ze doen dat onder een religieus mom. Maar kort daarna verdrijven diezelfde gangsters evengoed arme moslims van hun land. Religie is in dat geval gewoon een dekmantel voor brute hebzucht."

Op dit ogenblik schijnt vooral een deel van de middenklasse onder de invloed van radicale moslims te komen. "Ik krijg elke week bezoek van een jongeman die me uitlegt dat ik mijn geloof verkeerd beleef", vertelt een winkelier. "De eerste keer probeerde ik hem wandelen te sturen, maar daar had hij meteen een antwoord op: de goede moslim moet luisteren naar wie meer afweet van de godsdienst. En dus luister ik maar. Zonder enthousiasme. Ik geef hem elke week een beetje geld mee. Wat moet een mens anders doen?"

De doelwitten van de jongeman zijn de rijken en de armen. De rijken met hun libertijnse, westerse levenswandel, en de armen met hun gebrek aan moreel onderscheidingsvermogen. De winkelier beweert dat velen van zijn collega's de jongeman beginnen na te praten.

Ik probeer enkele lokale mullahs over hun geloof uit te horen, maar zij zijn argwanend. Ze stellen dat in de moskeeën van het land voornamelijk gematigdheid wordt gepredikt: mensenrechten, geboortebeperking, emancipatie van de vrouw, democratie...

Tien kilometer benoorden de havenstad Chittagong lijkt Bangladesh zich voor te bereiden op de komende zondvloed. Ettelijke winkeltjes bieden reddingssloepen, zwembanden en reddingsvesten te koop aan. Een paar honderd meter van de weg, achter een bewaakt hek, aan zee, worden schepen - meestal supertankers - gesloopt en de reddingsartikelen vormen een nevenproduct van de sloop.

Recente negatieve berichten over deze industrie maken het moeilijker om achter de hekken te geraken, maar na een duwtje van een regeringscommissaris mag ik toch binnen. "Schrijf niet te negatief over ons", smeekt Mohammed Kamal Udin, de directeur van Kabir Steel die drie jaar in Antwerpen heeft gewoond. Kabir Steel is een van de grotere slopersbedrijven, misschien het grootste.

Ik kom er op nieuwjaarsdag en het bedrijf werkt op halve kracht, met enkele honderden in plaats van de gebruikelijke 1.500 arbeiders, maar het soort werk blijft hetzelfde. Met brute kracht van handen worden enorme lappen oude ijzer afgebroken en getransporteerd. Onder een stalen balk kermen snel geteld 36 dragers. De werklieden zijn ongeschoeid, halfnaakt, ze glijden weg in de modder - enkel de toezichters dragen laarzen en behoorlijke kleren. Lassers beklimmen het vier verdiepingen hoge geraamte van een Duitse tanker.

In het jaar 2000 maakte een rapport van Greenpeace ophef: geregeld sterven werknemers bij ontploffingen van ongeklaard gas of niet weggespoelde olie. De schepen bevatten giftige stoffen, asbest onder meer, waartegen de arbeiders niet beschermd zijn.

Enkele van de zwoegende werklui zeggen dat ze 8 taka per uur verdienen, wat maakt dat ze maandelijks ongeveer het minimumloon halen van 1.200 taka (20 euro - op regendagen wordt niet gewerkt).

Ongevallen? Ze halen de schouders op: die horen erbij, glijd maar eens weg met een balk van een ton op je rug... Gif is nog de kleinste van hun zorgen.

Directeur Mohammed Kamal Udin legt in zijn kantoortje de logica achter deze industrietak uit. Bangladesh heeft geen ijzermijnen. Liever dan ijzer in te voeren en zelf staal te gieten recycleert het land oud staal. In dit gebied zijn er 33 slopersbedrijven, veel minder dan de 140 die er twintig jaar geleden nog waren. "Zo zie je maar dat de superwinsten die men ons toeschrijft uit de lucht gegrepen zijn." De winst hangt af van de oudstaalprijs. "In september ben ik in Singapore schepen gaan kopen en toen kostten die 150 dollar per ton. Momenteel bedraagt de prijs alweer 190 dollar per ton."

Hoe valt die fluctuatie te verklaren?

"Die hangt samen met de oorlogsdreiging. In september werd de oorlogsdreiging nijpender geacht. Eigenaars verkochten hun tankers omdat ze vermoedden dat het gevaarlijk kon zijn ze in de vaart te houden. Tegenwoordig wordt dat gevaar weer lager ingeschat en stijgt de prijs van oud staal. Maar als de prijs daalt in tijden van oorlogsdreiging, daalt tegelijk de vraag naar staal in Bangladesh. In die zin blijft de winst altijd beperkt."

Kabir Steel sloopt jaarlijks vier supertankers. Op zich zou de wereld Bangladesh (en India en China) dankbaar moeten zijn omdat het land het schrootprobleem aanpakt, vindt Mohammed.

Mohammed is niet blind voor de sociale problemen. Hij wil niet preciseren hoeveel ongevallen er op zijn werf gebeuren en hoeveel doden er vallen, maar dat er ongevallen zijn en doden vallen ontkent hij niet. De meeste werknemers worden door onderaannemers in dienst genomen. "En er is er al wel eens een werknemer die lui is of die niet oplet. Als er dan veertig mannen met een balk in de weer zijn, is het mogelijk dat de hele groep valt."

Kabir Steel compenseert de ziekenhuiskosten, zegt hij, maar hij gaat niet in detail. Wordt er preventief actie ondernomen om de veiligheid te verhogen?

Mohammed wil mechaniseren, hij heeft al een magneetkatrol geïnstalleerd om echt grote stukken te verslepen, wat hier bijna revolutionair is (in overbevolkt Bangladesh lijken machines altijd een bedreiging te vormen voor de werkgelegenheid). Hij heeft een verbod ingesteld om op regendagen te werken, een relatief ineffectieve maatregel zo te zien: voor mijn bezoek heeft het wekenlang niet geregend, maar toch is het terrein drassig en glibberig. Het belangrijkste element, zegt hij, is kennis van zaken. "Wij hebben dertig jaar ervaring. Andere bedrijven beginnen maar op goed geluk aan het schip te snijden. Dan riskeer je echt rampen."

Nadat we thee hebben gedronken met uitzicht op het geraamte van de supertanker maakt Mohammed een einde aan het gesprek. Hij moet weg voor zijn middaggebed.

Dat is de rol van religie in dit land, legt een medewerker uit: "Ze geeft je immer een excuus om je uit de voeten te maken." Bij het buitenrijden van de werf passeren we een werknemer die ingestort is. Hij ligt met het gezicht in het zand. Enkele collega's ontfermen zich over hem, ze trekken hem recht en wachten tot hij tekenen van leven geeft. De man leeft maar ternauwernood. Hij hangt zieltogend tegen een stuk motor: een wrak van een mens tegen de achtergrond van een scheepswrak. "Religie", hoor ik naklinken, "is hier niet het probleem."

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234