Dinsdag 11/08/2020

Bange uren in La Louvière

Fabrieken zijn er ouder dan de kerken, er waren meer schoorstenen dan bomen. La Louvière rook naar steenkool, staal en arbeiderszweet. Maar de economische realiteit heeft de mythe allang ingehaald. Bedrijf na bedrijf ging op de fles, nu ligt ook het vlaggenschip van de zware industrie op de intensive care. Begin volgende week kennen we het lot van de Usines Gustave Boël. Heel La Louvière houdt de adem in. Verslag van een beslissende dag uit de geschiedenis van een industriestad.

Warempel, de regisseur heeft overdreven met de sfeerschepping. De snijdende wind en dreigende sneeuwlucht waren heus niet nodig. Ook zonder omineuze hemel is deze episode van het Boël-drama een onvervalste thriller. Groepjes arbeiders slenteren over het immense fabrieksterrein, allemaal met hetzelfde doel: de uitzonderlijke personeelsvergadering die in de Franstalige media als l'assemblée de tous les dangers werd aangekondigd. Niet eens overdreven, want het resultaat van de meeting zal het aanzien van deze omgeving bepalen. Ofwel wordt de traditie voortgezet. Als vanouds zullen de péniches langs het Canal du Centre naar La Louvière opstomen, tot zinkens toe geladen met ijzererts dat hier tot staalplaten en staaldraad wordt omgeturnd. Geen werk voor broekjes, in het Franse woord sidérurgie resoneren witgloeiende hitte, hels lawaai en giftige stoomwolken. Je moet een staalfabriek hebben bezocht om de legendarische trots van de métallos te begrijpen. Zij zijn de helden die deze infernale machine in bedwang houden. Maar hoe lang nog? De kans bestaat dat vandaag een punt wordt gezet achter honderd vijftig jaar sidérurgie in La Louvière.

Een auto scheurt tegen hoge snelheid voorbij. De arbeiders hebben de chauffeur herkend en spreken zijn naam met veel verachting uit. Het is de hoofdingenieur, een van de weinigen die vanmorgen in de hoedanigheid van werkwillige is komen opdagen. Sinds maandag ligt de staalfabriek lam, een spontane reactie op de plannen van de Waalse investeringsmaatschappij SWS (Société Wallonne pour la Sidérurgie) en kandidaat-overnemer Duferco. De onderhandelingen op het kabinet van de Waalse premier Collignon werden in het grootste geheim gevoerd. Boël krijgt een kapitaalinjectie van 4 miljard frank (99 miljoen euro) waarvan het Waals Gewest ongeveer een vierde voor zijn rekening neemt. De investering zal onder meer worden aangewend voor de modernisering van de walserij en de bouw van een nieuwe galvanisatielijn. Meteen wordt de appetijt van Duferco voor de afgeleefde staalfabriek duidelijk. Vorig jaar nam de Italiaans-Zwitserse groep ook al de failliete Forges de Clabecq over, een hoogoven die half afgewerkte staalproducten aflevert. Met Boël hoopt Duferco de nodige capaciteit te verwerven om de productie van Tubize in eigen huis af te werken.

Maar het zijn niet de financiële en industriële plannen die de arbeiders naar de noodrem deden grijpen, wel het sociaal kostenplaatje dat eraan vasthangt. Inkrimpen van het personeelsbestand van 1.338 tot 839 eenheden, dat hadden ze zien aankomen. Veel minder begrip hebben ze voor de afschaffing van een reeks premies voor weekend- en nachtwerk. Onaanvaardbaar, net zoals de gouden handdruk van 500.000 frank, niet eens de helft van de uitstappremie die tot vorig jaar werd betaald. Duferco kondigt een gemiddelde loonsverlaging van 12 procent aan, maar daar gelooft Franco Rizzo geen snars van. "Mon oeuil", zegt hij. "Het wordt veel meer dan 12 procent. Nu verdien ik redelijk, 50.000 tot 55.000 frank in de maand. Maar zonder weekend- en nachtpremies kan ik net zo goed gaan stempelen. Ik ga me niet afbeulen voor een loon dat nauwelijks hoger ligt dan een uitkering." Franco steekt een sigaretje op, dat helpt tegen de bijtende kou. Hij wijst de gebouwen aan waar hij werkt. Staalplaten laden op vrachtwagens, ik wil graag geloven dat het hard labeur is. "Twintig jaar geleden ben ik begonnen", zegt hij. "Toen liep hier nog vijfduizend man rond, nu ben je al blij als je iemand tegenkomt. Het gaat allang slecht met Boël."

De staking is geen lichtzinnige onderneming. Franco en zijn collega's beseffen het maar al te goed: het voorstel van SWS/Duferco is de laatste reddingsboei voor een bedrijf dat een schuldenlast van 9 miljard torst en iedere maand 250 miljoen frank verliest. Nog steeds wappert de vlag van Hoogovens boven de fabriek. Het is een bedrieglijk zicht, want de Nederlandse multinational heeft zich de facto uit La Louvière teruggetrokken nadat een drastisch herstructureringsplan door de vakbonden en de Waalse gewestregering werd afgewezen. Sinds eind maart draait Boël onder concordaat, de rechtbank van koophandel heeft twee commissarissen aangeduid om de fabriek te beheren terwijl SWS en Duferco hun overnameplannen smeden.

Amper twee jaar hebben de Hollandais het in La Louvière volgehouden, een passage waaraan alle betrokkenen gemengde gevoelens overhouden. "De Nederlanders hebben zich miskeken op de lokale bedrijfscultuur", klapt een bevoorrecht waarnemer anoniem uit de biecht. "Hoogovens is hier met steile ambities neergestreken. Ze wilden de machines moderniseren en tegelijk een nieuw arbeidsklimaat invoeren. Makkelijker gezegd dan gedaan, de Nederlanders zijn van de ene verbazing in de andere gevallen. In een gezonde onderneming worden hooguit tien loonschalen gehanteerd. Bij Boël daarentegen bestonden maar liefst zeshonderd looncategorieën, niemand raakte er nog wijs uit. Met dat soort toestanden wilde Hoogovens radicaal komaf maken. Ze hadden een recept om de veranderingen door te voeren: een permanente dialoog tussen arbeiders en management moest sociale conflicten voorkomen. Dat overlegmodel werkt blijkbaar in Nederland, maar niet in de zware industrie van Wallonië, waar de arbeidsverhoudingen nog uit de negentiende eeuw stammen. Vooral bij Boël heerst nog steeds het strijdsyndicalisme, in de ogen van de arbeiders blijft de patron de vijand, de uitbuiter van het proletariaat. Initiatieven van de directie zijn a priori verdacht, de mentaliteit is oerconservatief. Volgens mij heeft Hoogovens ook de macht van de vakbonden lelijk onderschat. Boël telt niet minder dan dertig afgevaardigden die voltijds voor één van de drie vakbonden werken. Vooral FGTB-leider Roger Leclercq heeft grote invloed. Hij is geen volksmenner zoals Roberto D'Orazio, maar wel een onbuigzaam onderhandelaar die zijn achterban in een ijzeren greep houdt. Het sociaal klimaat wordt overigens al jaren vergiftigd door de rivaliteit tussen de twee grote bonden. Vroeger was het socialistische FGTB oppermachtig, maar vier jaar geleden is een grote groep ontevreden militanten naar het christelijke CSC overgelopen."

Vandaag valt er geen barst te bespeuren in het verenigd vakbondsfront. Roger Leclerq voert het woord, zevenhonderd arbeiders luisteren met gespannen aandacht. De vakbondsleider is geen brulboei zoals D'Orazio, maar hij kan een syndicale speech afsteken. Bij sommige passages stijgt dreigend gemor op, een enkele keer ontploft een voetzoeker. Het zijn kleine ontladingen die Leclercq bewust uitlokt om een fatale explosie te vermijden. De vakbonden zijn als de dood om de controle over hun achterban te verliezen. In geen geval mag deze personeelsvergadering eindigen in een pandemonium of een wilde fabrieksbezetting. Geen bruggen opblazen, luidt het devies. Tenslotte is Duferco de enige gegadigde die de weg naar La Louvière heeft gevonden. Leclercq haalt zijn slag thuis. Het sociaal plan van Duferco wordt unaniem verworpen, maar tegelijk krijgen de vakbonden het o zo cruciale mandaat om verder te onderhandelen. Het wordt een race tegen de tijd: op 20 april verzamelen de schuldeisers op de rechtbank van koophandel in Bergen. Als er dan geen akkoord met Duferco is, wordt een faillissement onvermijdelijk en verschrompelen de kansen op een overname. In La Louvière staat niemand te springen om de lijdensweg van de Forges de Clabecq nog eens dunnetjes over te doen.

Net als Rome koestert La Louvière een wolvin als symbool. Maar Romulus en Remus kwamen er niet aan te pas, de Henegouwse stad dankt haar ontstaan aan steenkool. Tot diep in de jaren vijftig was La Louvière het kloppende hart van le Centre, het industriegebied tussen de Borinage en Charleroi. Steenkool, staal, machinebouw, chemie, in deze hoek van Henegouwen stonden meer schoorstenen dan bomen. De crisis van de zware industrie heeft hier dan ook lelijk huisgehouden. In 1973 ging de laatste mijn dicht, de streek leerde leven met spectaculaire fabriekssluitingen waarbij telkens honderden arbeiders op straat kwamen te staan. Maar dit sociaal conflict is anders, de naam van Boël ligt op eenieders lippen. Er is natuurlijk de symboliek. De Usines Gustave Boël is de kathedraal van La Louvière, duizenden families hebben er generatie na generatie hun brood verdiend. Is het denkbaar dat zo'n machtig complex weldra tot industrieel erfgoed wordt herleid? Boël is trouwens het laatste restant van de zware industrie in La Louvière, een faillissement wordt hier gevreesd als een genadeslag. Het is ook niet niks, 1.338 banen schrappen in een streek waar laaggeschoolden amper werk vinden. Gelukkig biedt de sport verstrooiing. Straks vertrekt de Waalse Pijl, Jean Lenoble heeft in het Palais de la Bière alvast een goede startpositie ingenomen. "Ik heb 29 jaar gewerkt", zegt hij. "Bij Mercantile, een fabriek van buizen. In 1995 werd de zaak opgedoekt. Daar stond ik dan, 44 jaar en geen schijn van kans op een nieuwe baan." Jean bestelt nog een pale ale, echt ongelukkig ziet deze werkloze kroegtijger er niet uit. "Ach ja", zegt hij. "Voor schoolverlaters is het nog veel erger, die komen nergens aan de bak. Ik heb geluk dat mijn vrouw nog werkt. Hier vlakbij: Royal Boch, ze produceren vaatwerk. Ga daar eens kijken, dat is pas hallucinant. Vroeger werkten er 1.300 arbeiders, nu nog een stuk of zeventig."

Hallucinant is het juiste woord. De drieënzeventig arbeiders en zeventien bedienden van Royal Boch leven op grote voet. Hun fabriek lijkt berekend om vliegtuigen te monteren. In werkelijkheid worden er borden, schotels en theeserviezen geproduceerd. Puike kwaliteit, Royal Boch mag zich leverancier van het Belgische hof noemen. Toch enkele tips voor wie het Musée de la Faïence wil bezoeken. Spreek de naam uit als Royal Bok en niet Royal Bôche, sinds de jongste wereldoorlog ligt dat nogal gevoelig. De neiging om tijdens het bezoek een helm op te zetten, is begrijpelijk maar overbodig. De reusachtige fabriek oogt misschien bouwvallig, maar echt instortingsgevaar is er niet bij. Royal Boch bestaat sinds 1841. Zo oud is chef-ontwerper Calojero Mirasola niet, maar hij heeft wel de gloriedagen gekend. Vierenveertig jaar geleden begon hij als modelleur, een vak dat hij op de Arts et Métier had geleerd. "Een staatsschool", zegt hij. "Maar we kregen wel les van kaderleden van Royal Boch. Zo ging dat toen, onderwijs en industrie waren twee handen op één buik. Het was toen ook zo gemakkelijk. Je stapte recht van school een fabriek binnen en een halfuur later was je aan het werk. We konden zelfs eisen stellen. Voor een halve frank per uur meer werd er van werk veranderd. Zo ging dat in La Louvière." Tot vandaag woont de Siciliaanse Belg in de rue Victor Boch, in een rijhuis gebouwd door de fabriek. "Royal Boch heeft hele wijken opgetrokken", vertelt Calojero. "Zo was er een rue des Allemands, daar woonden alleen Duitse vaklui die door de familie Boch werden aangetrokken om de kwaliteit op te krikken. Ook Nederlandse keramisten kwamen hier massaal werken. Zoals mijn voorganger, monsieur Jongen, een van de laatste Hollanders bij Royal Boch." Vierenveertig jaar dienst, het pensioen wenkt. Calojero doet geen moeite om zijn nostalgie te verbergen: "Vroeger was deze fabriek een bijenkorf. Nu kun je er een kanonskogel doorjagen zonder een arbeider te raken."

Arbeider van vader op zoon, zo ging het vroeger vaak. Ook Angelo Mirasola treedt in de voetsporen van zijn vader, alleen heeft hij de stofjas voor een streepjeshemd geruild. De jonge bedrijfseconomist is commercieel directeur bij Royal Boch, intussen herleid tot een bescheiden kmo die langzaam uit de rode cijfers klimt. Het geloof in de toekomst blijkt uit de lijst van aandeelhouders. Het Waals Gewest participeert maar voor een derde, de controle is in handen van Philippe de Spoelberch en Frédérique de Mevius, twee investeerders met grote belangen in het brouwerijconcern Interbrew. "Kun je het geloven?", vraagt Angelo. "Mocht Boël verdwijnen, dan worden wij met onze drieënzeventig arbeiders de grootste industriële werkgever van La Louvière."

Angelo hoeft niet ver te lopen om lessen te trekken uit een bedrijfseconomisch fiasco. Op dezelfde site ligt immers Noviboch, de afdeling sanitair die in 1985 van Royal Boch werd afgescheiden. "Het Waals Gewest heeft er destijds 600 miljoen in gepompt", vertelt Angelo. "Noviboch stond aan de spits van Europa, de moderne fabriek in haar soort. Jammer genoeg werd het bedrijf schandalig slecht beheerd, in zes jaar tijd stapelde men een verlies van 600 miljoen op. Uiteindelijk heeft het Waals Gewest Noviboch voor één symbolische frank aan de Nederlandse groep Sphinx verkocht. Maar ook die slaagde er niet in de fabriek te doen draaien. Net als Hoogovens bij Boël hebben ze zich vergist in het sociaal klimaat in La Louvière. Bij Noviboch werd meer gestaakt dan gewerkt, een scheef woord van een ingenieur en de productie werd stilgelegd. Vorig jaar lanceerde Sphinx een ultiem reddingsplan. Er moesten ontslagen vallen, anders dreigde een faillissement. De vakbonden dachten dat de Nederlanders bluften, ze weigerden ook maar één ontslag te aanvaarden. En wat is er gebeurd? Eind vorig jaar werd Noviboch opgedoekt. Weer driehonderd arbeiders zonder werk. Het syndicalisme heeft in deze streek al vele rampen veroorzaakt."

Het is hard beginnen regenen. De omgeving wordt er niet vrolijker om. Ik rijd naar Saint-Vaast, een gehucht met een langere stamboom dan La Louvière. Voor de industriële revolutie was dit een onnozel boerendorp. Van die rurale oorsprong valt niets meer te merken, Saint-Vaast is verworden tot een rist troosteloze cités. De deur van het enige café staat uitnodigend open. Michele Bartoli heeft de Waalse Pijl gewonnen - goed nieuws voor de nazaten van de Italiaanse gastarbeiders die in La Louvière een derde van de bevolking uitmaken. Op de glazen deur is met vaardige hand het logo van Ferrari geschilderd. Dromen van een sportwagen en rijden met een Fiat, zo is het leven in deze buurt. Een dronken man betoogt dat zijn wijk door wijlen koningin Elisabeth werd ingehuldigd, later blijkt dat mijn auto in de rue Reine Fabiola stond geparkeerd. Aandoenlijk toch hoe het proletariaat zich telkens weer door de monarchie laat recupereren.

Over de industriële en sociale geschiedenis van La Louvière weten ze alles in het schitterende Ecomuse Bois-du-Luc. Alleen al de aanpalende cité wettigt een bezoek aan deze tot museum omgetoverde mijn. Ook directeur Jacques Liebin volgt het wel en wee van Boël op de voet. "Ik begrijp de arbeiders maar al te goed", zegt hij. "Ils défendent leur tartine. Het heet dat Boël alleen gered kan worden als de arbeiders redelijk zijn. Met andere woorden: ze moeten flink inleveren en slechtere arbeidsvoorwaarden slikken. Dat liedje kennen we al sinds de vorige eeuw. Wat deden de mijnexploitanten als de verkoop slecht ging? Lonen drukken om het verlies op de rug van de arbeiders te compenseren." Jacques Liebin is wel de laatste om zich te verwonderen over het strijdbare syndicalisme bij Boël. "Traditie van de streek", zegt hij. "La Louvière is altijd een voortrekker geweest in de sociale strijd. Al in 1872 werd hier een maison du peuple gebouwd, na Gent was La Louvière de eerste stad met een coöperatieve. Nergens werd zo lang en verbeten tegen de eenheidswet van 1960 gestaakt als hier." Over de toekomst van de sidérurgie is hij somber gestemd. "Misschien overleeft Boël de huidige crisis. Maar vroeg of laat zie ik de fabriek sluiten. Men doet alsof dat het einde van de wereld is, maar dat vind ik overdreven. We zijn goed voorbereid op de schok. De voorbije decennia is het aantal arbeiders van vijfduizend naar achthonderd gezakt. Eigenlijk is de sluiting een proces dat al jaren aansleept."

Experts zijn er gerust op. Ook zonder Boël kan La Louvière uit het moeras klimmen. Europa, België en Wallonië hebben niet voor niets miljarden gepompt in de reconversie en de infrastructuur van de Centre. De kmo-zones rond La Louvière bruisen van de bedrijvigheid, het nabijgelegen Feluy heeft zich tot het tweede petrochemisch centrum van België ontwikkeld. Er staan reusachtige bedrijven, even indrukwekkend als de vroegere steenkoolmijnen en hoogovens. Met dit verschil dat arbeiders er niet met duizenden maar met tientallen worden geworven. Volgend jaar is het feest in de regio: dan wordt de nieuwe scheepslift op het Canal du Centre in dienst genomen, een pareltje van Waalse spitstechnologie. Optimisme heerst er vanavond ook in het Stade Tivoli, waar de thuisploeg Verbroedering Geel ontvangt. Supporters ontsteken Bengaals vuur, de sneeuw kan de ambiance niet drukken. La Louvière staat tweede gerangschikt, in pole position voor de periodetitel die promotie naar de eerste klasse mogelijk maakt. Concurrent Geel volgt op één punt, verliezen kan dus niet vanavond. De inzet van beide ploegen is groot, de kwaliteit van het spel belabberd, we gaan zonder doelpunten rusten.

In de sjofele vip-bar tref ik een supporter van het eerste uur: Jean Debauque, de PS-burgemeester die zijn derde mandaat verslijt. "Zie je wel", jubelt hij. "In het noorden van het land hebben ze een verkeerd beeld van La Louvière. Deze stad is geen verzameling verlaten fabrieken, het is hier niet allemaal kommer en kwel. Dit is ook een stad van feesten, sport en cultuur. Met carnaval kun je hier over de koppen lopen, de voetbalploeg floreert, we hebben de beste waterpolospelers van het land. Steeds meer toeristen komen ons industrieel erfgoed bewonderen. Je weet toch dat de oude scheepsliften door de Unesco als erfgoed van de mensheid zijn geklasseerd?" Natuurlijk, de burgemeester wil de problemen niet minimaliseren. "De werkloosheid onder ongeschoolde arbeiders blijft schrikbarend hoog", geeft hij toe. "Maar er is een kentering in de statistieken. Het gaat hier alleszins beter dan in de Borinage, daar kampen ze pas met structurele werkloosheid. Uiteraard houd ik mijn hart vast voor Boël. Ik hoop vurig dat de overname slaagt, want Boël is en blijft het symbool van deze stad. Het worden spannende dagen voor La Louvière."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234