Woensdag 23/06/2021

Back in the USSR

Over China weet het grote publiek eigenlijk niets, behalve dat miljoenen Chinezen zeer terecht naar dezelfde luxe verlangen die wij

a de sprinkhanen, Dan Brown en de haiku's van Jean-Marie Dedecker zijn we aanbeland bij de laatste nieuwe bijbelse plaag: de Chinezen. Naar verluidt zijn ze met velen en eten ze gekookte hond. Ze werken hard en durven onder de prijs te gaan. Hun afgrijselijke cinema haalt zo'n lamlendig tempo dat de begingeneriek van een doorsnee Chinese film nog bezig is als de aftiteling eindigt. Werkelijk het enige dat in hun voordeel pleit, is hun machtige rookcultuur. Vroeger rookte men als een Turk. Vandaag paft men als een Chinees. De geografische verschuiving van het racistische cliché is een symptoom van de westerse obsessie met het Oosten. Nieuw is die afwijking niet. Een halve eeuw geleden al ging het paranoïde wonderkind Céline woest te keer tegen 'het gele gevaar'. Céline verachtte de communisten, maar vond de Chinezen nog erger dan de Russen. De gele horden zouden het Westen overspoelen, over de kling jagen en een Sabijnse maagdenroof op touw zetten (trouweloze spleetogen schaken onze dochters).

Bij zowat alle economische en sociale problemen is China vandaag een gezagsargument, zowel voor links als rechts. "Als wij niet innoveren/ ons aanpassen/ harder werken, dan zal de Chinese economie ons opvreten." Welvaart is het centrale thema van de eenentwintigste eeuw, niet de vermeende strijd tussen culturen, het rechtse reveil en/of de godsdienstterreur, hoe spectaculair en verachtelijk de fanatici ook toeslaan. Dat China nog steeds een communistisch land is, en dus een dictatuur, lijkt voor het Westen vreemd genoeg geen betekenis meer te hebben. Ons selectieve schuldgevoel heeft het al druk genoeg met het Afrikaanse drama. Het zijn de centen die tellen: de pariteit van de dollar en de yuan (de Chinese munt), de krankzinnige toename van het Chinese energieverbruik, de massale aankoop door China van Amerikaans schuldpapier. In de hoop een graantje mee te pikken, zijn staatsraison en realpolitik belangrijker dan ooit. We zullen pragmatisch zijn of we zullen niet zijn.

Jan Huyghebaert, voorzitter van de KBC Groep, bond onlangs in Trends de kat de bel aan: "Mensen hollen nu naar India en China, want het is de trend. Hebben ze ooit al eens langdurig met een Chinees aan tafel gezeten?" De scepsis van Huyghebaert is terecht. Zeg nu zelf: gekookte hond met oestersaus? Over China weet het grote publiek eigenlijk niets, behalve dat miljoenen Chinezen zeer terecht naar dezelfde luxe verlangen die wij vol overgave consumeren - op de hond na. Het gebrek aan kennis, de blinde liefde voor de mammon, de irrationele drang om angsten en vermoedens te projecteren op een terra incognita: het klinkt zeer twintigste-eeuws.

De situatie vertoont grote gelijkenissen met de periode na de Eerste Wereldoorlog, toen de wereld angstvallig de Sovjet-Unie in het oog hield. Nog meer dan de vrees voor de eigen economische belangen, speelde toen de angst voor de export van de revolutie een rol. Terwijl de actieve uitwisseling met China vandaag via academici, mensensmokkelaars en bedrijfsleiders loopt, hadden vorige eeuw intellectuelen en politici een nauwe band met de Russische revolutionairen. Trotski, Lenin en consorten hadden lange tijd in West-Europa geleefd en beschikten over een zeer uitgebreid Europees netwerk. Met de utopie als koopwaar lukte het de communisten om een belangrijk deel van de westerse intelligentsia voor hun zaak te winnen. Vooral in de jaren dertig reisden ze en masse richting Rusland om het wonder met de eigen ogen te aanschouwen en de wereld kond te doen van hun bevindingen. Over die bedevaarten verschenen ook tal van getuigenissen in boekvorm, die niet zelden succesvol waren. André Gide bijvoorbeeld, verkocht van zijn Retour de l'USSR in 1936 meer dan 100.000 exemplaren. August Vermeylen publiceerde in 1931 zijn artikelenreeks Impressions de Russie bijna gelijktijdig in vier Belgische en Nederlandse kranten. Het jaar nadien verscheen de reportage in boekvorm, 'rijkelijk verlucht met koperdiepdrukplaten'.

De Sovjet-Unie heeft nog ruim een jaar te gaan wanneer wijlen Jacques Derrida in februari 1990 naar Moskou reist. Hij schrijft er 'Back from Moscow, in the USSR', een essay waarin hij terugkijkt op de geschiedenis van de sovjet-utopie en de sovjetbedevaarten ontleedt, een genre dat hij 'Back in the USSR' noemt, vrij naar The Beatles. Mensen als Gide, schrijft Derrida, hadden de indruk dat ze thuiskwamen toen ze voor het eerst de Sovjet-Unie bezochten. Deze adoptiekinderen van de revolutie waren op zoek naar een universele waarheid en vonden die in Rusland. Vermeylen trok op eigen kracht naar Rusland, samen met de grote Paul-Henri Spaak, en toonde zich ijverig en kritisch. Een studiereis betekende toen nog net iets meer dan een trektocht langs banketten en in te huldigen fabriekshallen. Gide daarentegen kwam als kameraad. Hij had zich in 1931 tot het communisme bekeerd, uit afkeer van de bourgeoisie en de kerk. Later zou hij even makkelijk weer afstand doen van zijn communistische geloof. Officiële China-delegaties zijn vandaag meer Gide dan Vermeylen, maar dan geheel zonder moed en zelfkritiek. Aan het beginselloze en op procenten belust ja-knikken komt maar geen einde.

Hoe beperkt die oude bedevaartverslagen ook zijn, ze maken na al die decennia nog steeds indruk door de ultieme verwondering waarmee ze zijn geschreven. Gide, Vermeylen en vele anderen hadden de indruk een uniek moment in de geschiedenis mee te maken, waar ze overigens geen greep op kregen. "L'historien jugera la révolution russe", noteert Vermeylen profetisch. Als socialist en oud-anarchist is Vermeylen gekant tegen elke vorm van dictatuur, incluis die van het proletariaat. Toch kan hij zijn enthousiasme niet onderdrukken wanneer hij het oprechte revolutionaire engagement van de Russen ervaart. De hele Russische samenleving lijkt in de weer om de doelstellingen van het vijfjarenplan te halen. Zelfs Vermeylen heeft last van heimwee naar een oervorm van gemeenschapsbezieling die de modale westerling allang is verleerd.

Ook vandaag weten we ons geen houding te geven tegenover de eendracht waarmee de Chinezen hun welvaart in ijltempo opbouwen. Angst, verbijstering of opportunisme zijn op zo'n moment slechte raadgevers. We hebben dappere journalisten of schrijvers nodig die naar het Oosten trekken en een zo genuanceerd mogelijk verhaal in beeld brengen en beschrijven. Zo'n oproep klinkt misschien achterhaald in een tijd dat zelfs klachten over een gescheurde stofzuigerzak worden behandeld door een callcenter in Bombay, maar is het allerminst. Het vrije verkeer van diensten, mensen en kapitaal heeft niet tot gevolg dat we ook meer te weten komen over de wereld en dus vrijere mensen worden. Als een gebrek aan kennis (en interesse) mee ten grondslag heeft gelegen aan het Franse en Nederlandse nee tegen het ontwerp van de Europese grondwet, dan speelt dit manco ook een belangrijke rol in de manier waarop we omspringen met de Chinese 'dreiging'.

Harold Polis

vol overgave consumeren

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234