Donderdag 19/09/2019

Bach van zijn voetstuk

Aprilmaand, Passiemaand. Johann Sebastian Bach componeerde de meest fantastische muziek, als mens had hij last van vele onhebbelijke karaktertrekjes. Dirigent Sir John Eliot Gardiner brengt voor M vijf retouchesaan op het monument Bach.

Thüringen, zomer 1705. In de Neukirche van Arnstadt repeteert Johann Sebastian Bach, een jonge vent van 20, met een leerlingenorkest een cantate. Als de fagotspeler voor de zoveelste keer zijn solo verknalt, ontploft Bach. 'Zippel-Fagottist!'

Muziekwetenschappers plegen die belediging te vertalen met 'beginneling!', 'schavuit!', of hooguit 'rund van een fagottist!'. Maar kom bij Sir John Eliot Gardiner niet aan met die braafpraat. De Britse dirigent (70), tevens bioboer in Dorset, wijst zonder gêne naar zijn kruis. "Ik heb er oude woordenboeken op nageslagen en 'Zippel' had toch echt betrekking op de penis. Bach noemde die fagottist gewoon een lul."

Het schuttingwoord valt ook te lezen in Gardiners nieuwe Bachboek, dat deze week verschijnt. Sir John Eliot vond het tijd voor een correctie op het gangbare beeld van de vergoddelijkte Bach. Openingszin van Bach - muziek als een wenk van de hemel: "De musicus Bach is van een onmetelijke genialiteit; de mens Bach heeft duidelijk zijn gebreken."

Na die klaroenstoot trekt in bijna zevenhonderd bladzijden een catalogus van kleinmenselijkheid voorbij. Korte samenvatting: Bach was een begaafde klager. Achterdocht en winstbejag gingen hand in hand met kruiperigheid tegenover vorsten. Hij minachtte werkgevers en vocht vetes uit met collega's.

Na twaalf jaar schrijfarbeid weet Gardiner het zeker. "Bach was een rebel. Hij kon slecht overweg met autoriteiten en leed aan driftbuien. De oorzaken liggen in een onverkwikkelijke schooltijd en een traumatische jeugd."

In zijn Londense pied-à-terre hapt de dirigent in een cakeje. Weinig klassieke maestro's zijn vermaarder en veelzijdiger dan 'Jiggy' Gardiner. Hij richtte een koor en twee orkesten op, geldt als een pionier van de oude muziek, ontplooide een parallelle carrière in de opera, dirigeerde hedendaagse meesters bij het Koninklijk Concertgebouworkest en heeft met driftbuien zelf een reputatie.

Sinds 1 januari is hij bovendien voorzitter van het Bach-Archiv in Leipzig, de wereldnavel van de Bachkunde. Die functie vormt de voorlopige bekroning van een onwaarschijnlijk traject dat al in de luiers begon.

In de Tweede Wereldoorlog kregen Gardiners ouders een schilderij in bewaring. Tot 1950 hing het op de overloop. Elke dag voelde John Eliot de strenge ogen van een man met een pruik. Het was Johann Sebastian Bach, zoals Elias Gottlieb Haussmann hem in 1748 had geportretteerd. Geen kopie, maar het origineel. Het belangrijkste Bachportret ooit.

Tot de ongerijmdheden in Dorset behoorde verder dat de Gardiners oude koormuziek zongen. Josquin, Monteverdi, Schütz, de motetten van Bach: John Eliot, de jongenssopraan, kende hele partijen uit het hoofd.

Spoelen we door naar het Bachjaar 2000. Slalommend langs Europese kerken dirigeerde Gardiner in twaalf maanden tijd alle 198 overgeleverde Bachcantates. Gemiddeld vier per week, en alles werd vastgelegd op cd. De Bach Cantata Pilgrimage legde de kiem voor zijn boek. Behalve tijd was de schaarste aan biografisch materiaal het probleem. Van Mozart bestaan tenminste nog brieven. De dove Beethoven pende hele conversatieschriften vol. Bachwetenschappers staan al te juichen bij een orgelkeuringsrapport of een herbergnota.

John Eliot Gardiner verzon een list. Hij peilde Bachs geest via de muziek die hij het beste kent: de Mis in b-klein, de passies en cantates. Achterwege bleven Bach de kamermusicus, de orkestcomponist en de klavierman. Zijn verklaring: "In de kerkmuziek zie je hoe Bach gedachten en emoties bij elkaar brengt. Je merkt dat hij niet alleen de theologische boodschap van een tekst uitdrukt, maar ook zijn eigen karakter: devoot en ernstig, geniaal en opstandig." Waarna de dirigent al pratend vijf retouches aanbrengt op het granieten monument van Bach.

---

1. De spijbelaar

In 1692, op z'n zevende, stapt Bach over de drempel van de Latijnse School in Eisenach. Iets moet hem hebben gehinderd, want in de daaropvolgende drie schooljaren daagt hij 96, 59 en 103 keer niet op. Misschien zorgt hij voor zijn zieke moeder, die in 1694 overlijdt. Wellicht helpt hij zijn vader, een stadsmuzikant, bij het poetsen en repareren van instrumenten.

Gardiner legde de schoolperiode nog eens onder het vergrootglas en vond een grimmiger hypothese. "Misschien raakte Bach in de onfrisse ambiance van de Latijnse School getraumatiseerd. De sfeer was chaotisch en ruw, er werd wreed gestraft. Contemporaine rapporten reppen van misbruik van jongens."

Tweede element in Gardiners traumatheorie: nadat zijn vader in 1695 is overleden, verhuist Bach naar Ohrdruf, waar zijn broer Johann Christoph hem in huis neemt. Op school treft hij een docent die leerlingen tiranniseert.

Gardiner: "Johann Heinrich Arnold heet die schurk, een regelrechte sadist. Tel die jeugdervaringen bij elkaar op en Bachs probleem met autoriteit wordt voorstelbaar. Of hij nu werkt voor een kerkenraad, een vorst of een stadsbestuur, altijd ontstaat er wrijving."

Luistertip: 'Barmherziges Herze der ewigen Liebe', BWV 185, slotaria.

Gardiner: "Met het nabootsen van een pompeuze prediker vrolijkt Bach een nogal banale tekst op. Misschien een sneer naar zijn toenmalige werkgever, hertog Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar."

2. De rebel

Kort nadat hij in Arnstadt de klungelende fagottist heeft gekwetst, vraagt Bach een maand verlof. In twaalf dagen tijd loopt hij 400 kilometer naar de noordelijke havenstad Lübeck. Hij wil er, nu het nog kan, zijn licht opsteken bij de bejaarde meester Dieterich Buxtehude.

"In plaats van vier weken blijft hij vier maanden weg", zegt Gardiner. "Natuurlijk tikt de kerkenraad hem op de vingers. Waarom is hij zo lang weggebleven? Om het een en ander te leren over zijn kunst, luidt het hautaine antwoord."

Waarna de raadsleden hun opgekropte ergernis spuien over de 'eigenaardige variaties' en 'vreemde noten' waarmee hun jeugdige organist in de eredienst strooit. Twee maanden later stapt Bach op.

Hommeles wordt het ook in Weimar. Bach zit er zelfs een maand in het cachot, nadat hij bij de hertog 'wat al te koppig' heeft aangedrongen op ontslag. Het patroon zet zich voort in Leipzig. "Maar daar wordt hij ook belazerd", zegt Gardiner. "Wanneer Bach in 1723 aantreedt als cantor, laten de autoriteiten hem een contract tekenen dat ze niet kunnen waarmaken. Ze hebben de statuten van de Thomasschule inmiddels zo veranderd, dat er ook minder muzikale leerlingen instromen."

En schelden - Bach blijft het doen. Nog in 1749, een jaar voor zijn dood, laat hij zich meeslepen door een kwestie die zich afspeelt ver van Leipzig. De rector van een gymnasium vergelijkt muzikanten met 'tempeldanseresjes, kwakzalvers en bedelmonniken'. Bach, inmiddels bijna blind, dicteert een repliek waarin hij Der Rektor op z'n Thürings uitkaffert voor Dreck-Ohr.

Luistertip: 'Wo Gott der Herr nicht bei uns hält', BWV 178.

Gardiner: "Een cantate die afrekent met huichelaars en valse profeten. Het is alsof Bach teruggrijpt op een lijstje met al het onrecht dat hem is aangedaan."

3. De teleurgestelde cantor

In zijn Eisenachse jeugd zit Bach in dezelfde kerkbankjes als twee eeuwen tevoren de grote kerkhervormer Maarten Luther. Gardiner: "Hij vereert hem haast obsessief. Als jonge organist in Mühlhausen formuleert hij dan ook zijn Endzweck, zijn einddoel als componist: goed gemaakte kerkmuziek ter ere van God."

Het levert de Mis in b-klein op en een handvol passies, waarvan alleen de Matthäus en Johannes resteren. Maar vooral componeert Bach honderden cantates. In Leipzig gaan de sluizen wijd open. Recitatieven en aria's, koren en koralen: vanaf 1723 vormen ze voor de cantor van de Thomaskerk een wekelijkse routine.

Maar Bach schrijft ze allesbehalve routineus. Gardiner: "Vergeleken met andere componisten uit zijn tijd zelfs ronduit vooruitstrevend. Contrapunt, inventie, harmonie, de retoriek van de noten: als een schaakgrootmeester denkt Bach zeven stappen vooruit."

Vanaf 1729 begint de stroom te stokken. "Misschien ervaart Bach een gebrek aan erkenning", zegt Gardiner, "of ontdekt hij dat zijn kunst aan dovemansoren is gericht. Hij neemt de leiding van het Collegium Musicum erbij, een gezelschap van professionals en amateurs dat wekelijks optreedt in een Leipzigs koffiehuis."

Luistertip: 'Mein Herze schwimmt in Blut', BWV 199.

Gardiner: "Een cantate als een mini-opera, over wroeging, zielenood en inkeer. Bach schrijft dramatisch intenser dan opera- componisten als Händel en Vivaldi."

4. De sterveling

Tien van Bachs twintig kinderen halen de kleuterleeftijd niet. Zijn eerste vrouw, Maria Barbara, overlijdt terwijl hij ver weg aan het werk is. Zijn zoon Carl Philipp Emanuel herinnert zich later Bachs thuiskomst. "Dood en begraven was ze, terwijl ze bij zijn vertrek kerngezond was geweest. Het nieuws dat ze ziek was geworden en was gestorven bereikte hem pas toen hij zijn huis betrad."

Gardiner: "Ongetwijfeld verwerkt Bach persoonlijk leed in al die prachtige cantates over de dood. Dat begint al in de 'Actus tragicus', dat merkwaardig rijpe stuk van een 22-jarige. Door de volmaaktheid heen hoor je de kwetsbaarheid van een gewone man, die worstelt met gewone twijfels, zorgen en verwarring."

Sommige cantateteksten roepen apocalyptische taferelen op, andere vergelijken de dood met een eeuwige slaap. Gardiner: "Als je in 'Komm, du süsse Todesstunde' de doodsklokjes hoort klingelen, kleeft aan sterven niets neerslachtigs. Bach kan de meest morbide teksten transcenderen. Muziek is voor hem de balsem waarmee hij de dood van z'n stekeligheid berooft."

Luistertip: 'Gottes Zeit is die allerbeste Zeit' (Actus tragicus), BWV 106.

Gardiner: "Terwijl de sopraan 'Ja, komm, Herr Jesu, komm!' zingt, verstommen de blokfluiten en viola da gamba's. De sopraan sterft weg met

een fragiele arabesk."

5. Het menselijke genie

In 1747 reist Bach naar Potsdam. Hij wordt er ontvangen door Frederik de Grote. Gardiner proeft uit de verslagen een sfeer van: daar hebben we de oude Bach. "Vermoedelijk vonden ze hem een provinciaal. Bach speelde de sterren van de hemel, maar die reserve moet hem hebben gekwetst."

Na zijn dood staat Bach definitief te boek als oude pruik. Hij is de auteur van vernuftig, maar gedateerd contrapunt. De wederopstanding vindt plaats in 1829, wanneer de 20-jarige Felix Mendelssohn de Matthäus-Passion herontdekt.

Ook in deze icoon van de westerse cultuur hoort John Eliot Gardiner veel menselijks. "Neem alleen al de Christusfiguur. In de Johannes-Passion heeft hij nog iets zen-achtigs, onverstoorbaar volgt hij zijn lot. In de Matthäus wordt hij humaner. Christus krijgt een warme gloed van strijkers. En nadat hij is gestorven, klinkt die overrompelende aria 'Mache dich, mein Herze, rein'. Hier geeft Bach je het gevoel: Christus is een mens. Wat hem is overkomen, kan ons allemaal overkomen."

Luistertip:de aria 'Ach, mein Sinn' uit de Johannes-Passion.

Gardiner: "Petrus heeft Jezus verloochend en wordt gek van wroeging. Tegelijkertijd hoor ik de cri de coeur van een componist die weet dat de mens maar een klein zetje nodig heeft om te ontsporen."

Bach - muziek als een wenk van de hemel, John Eliot Gardiner (vertaald door Pon Ruiter en Frits van der Waa) De Bezige Bij; 767 pagina's, 49,90 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234