Dinsdag 11/08/2020

Asturias Express

Veertig jaar geleden streken de eersten van hen in Brussel neer. Haveloos, op de vlucht voor lage lonen en politieke verdrukking. Ze kwamen uit Asturië, de bergachtige mijnprovincie aan de Spaanse Noordkust. In België vonden ze, na lang zoeken, een tweede thuis. 'Wij waren de Marokkanen van die tijd, overal werden we met de nek aangekeken.' Maar al die tijd bleven de migranten hun geboortestreek in het hart dragen. Al die tijd ook reden taxi's op en neer, van Brussel naar Spanje en terug. Taxi's? 'Ja, zo hoefden we nergens over te stappen en bleven we onder ons.'

Raf Custers / Foto Tim Dirven Met de taxi naar Asturie en terug

Gesmede eigenzinnigheid, dat is natuurlijk het minste wat je aan 35 jaar op de weg overhoudt. Op Felix' rijschema en gewoonten zit dus geen rek. Halfnegen voor bar Cantábrico, heeft hij gezegd. Ik verschijn iets vroeger, daar op de Stalingradlaan, maar hij stoomt al van ongeduld en we gaan zonder plichtplegingen op weg. 8 + 1 passagiers kan hij vervoeren, zo staat het in kleine cijfertjes op een portier geschilderd. Maar ik tel slechts vijf stoelen, achterin wat valiezen en een krat witloof. Van alle raampjes zijn de gordijnen dicht.

In de Anneessenswijk pikt Felix een tweede passagier op, Manu, een jongen met een aanzienlijke dosis hiphopcool, en maar wat blij dat hij een tijdje aan zijn buurt kan ontsnappen. "Un quartier pourri", zucht hij, "de buurt is door en door rot, de ouders kijken niet naar hun kinderen om, en de kinderen zelf zijn nog geen tien of ze beginnen al mensen te pesten."

Hij neemt zijn hond Buck mee op reis, een pikzwarte Groenendaler. "Ik ga voor drie maanden naar familie in Gijón, blij dat ik weg ben," zegt Manu. Voor de rest van de 1600 kilometer lange rit volstaat zijn hond als gezelschap.

Piloten houden hun vlieguren bij, maar is dat meer dan ijdeltuiterij? Een chauffeur zal het nooit in zijn hoofd halen zijn professionele kilometers te berekenen, laat staan de uren die hij achter het stuur heeft gezeten. Zo'n oefening loont nochtans de moeite, al was het maar om nog eens te beseffen wat voor harde stiel dit is.

Toen Felix in 1963 voor het eerst echt de internationale baan opging, was Asturië nog het achterland. Evenwijdig met de Cantabrische kust liep een bultig weggetje waar je hooguit vijftig kilometer per uur kon halen en waar je goed uit je doppen moest kijken of je verzeilde in de berm. Die berm dook soms tientallen meter diep - het landschap doet er wat aan de Ardennen denken, en dieper landinwaarts aan de Alpen. Op sommige toppen van de Picos de Europa ligt eeuwige sneeuw; ook vandaag nog maakt een alpinist er nu en dan een dodelijke val.

Na de Anjerrevolutie van 1974 gingen talrijke 'sociale toeristen' langs deze helleweg op expeditie naar Portugal. Ik herinner me dat we er een jaar later, het jaar waarin dictator Franco de geest gaf, aan boord van een oranje VW Kever driftig achter een hoog opgetuigde vrachtwagen hebben gebengeld. Tot de truckchauffeur het daarvan zelf zo op de heupen kreeg, dat hij ons eindelijk en met veel ostentatief armgezwaai liet passeren.

Daar dus, op deze noord-Spaanse Carretera Nacional, maalde Felix zijn eerste kilometers af. Begrijpelijk dat hij toen drie volle dagen nodig had om heelhuids in Brussel te geraken. Dan hield hij van de zevendagenweek net één dag voor zijn gezin over. Ik reken het even voor: een goeie 5,8 miljoen kilometer heeft hij gereden, 167.000 uren achter het stuur. Dat is gemiddeld niet eens 35 kilometer per uur. Geen wonder dat hij vandaag stipt vertrekt.

Asturië lijkt op het blad van een mes dat onder in de waterbuik van de Golf van Biskaje snijdt, de Golf schudt van de weeromstuit een gezonde hoop nattigheid over de provincie uit. Basken en Galiciërs zijn de naaste buren, in de zomer zoeken Madrilenen in de haventjes aan de gekartelde kust de koelte op.

Een groen en golvend landschap, dunbevolkt, een lange landelijke traditie. Daarvan blijven de schuurtjes op stelten over. Maar in de centrale valleien van de rivieren Nalón en Caudal delven ze nu ruim een eeuw naar steenkool. Als je de Nalón stroomopwaarts volgt, vanuit het mijnstadje Sama de Langreo naar de oude mijninstallaties San Vicente, dan zie je oud en nieuw door elkaar. De roestige schachtbok van een gesloten mijn naast de gedrongen schuurtjes. In het mijnmuseum van San Vicente hebben ze een Asturiaanse koolmijn gesimuleerd. Je stapt er in een liftkooi, na wat gedender van een ratelende ketting stap je amper vijf meter lager weer uit, in de veronderstelling dat je vijf- of zeshonderd meter onder de grond in een steengalerij terechtkomt. Je ziet er hoe steil de koollagen klimmen, tot zestig graden omhoog, en hoe de mijnwerkers zich schrap moesten zetten om er kool te kappen. Mijnwerkers uit Asturië hielden er een wijdverbreide faam aan over, die ze zelf nog wat hebben aangedikt. Zo wil de legende dat Asturiërs in de zeventiende eeuw onze Borinage-streek haar reputatie gaven. Ze zwermen al eeuwenlang uit, de oceaan over naar las Américas, of noordwaarts naar Europa, altijd op zoek naar beter.

Eind jaren vijftig gingen ze met velen tegelijk op de vlucht. Twintig jaar al duurde toen het Spartaanse regime van dictator Franco. Hij wou Spanje op eigen krachten doen draaien - in die autarchie was steenkool van strategisch belang - en legde er voor het werkvolk duchtig de zweep op. Het was onderbetaald en leed honger. In 1956, het jaar van de Suez-crisis, at de doorsnee Spanjaard minder suiker, meel en vlees dan zijn Egyptische evenknie. En zijn loon lag een zesde tot een derde lager dan in 1936, toen Franco de Burgeroorlog ontketende. In 1958 kwam serieus de klad in de kolenindustrie. Een harde staking werd manu militari en met nieuwe repressiewetten onderdrukt. Het was het sein voor een nieuwe uitwijkingsgolf. Begin de jaren zestig gingen ze met duizenden tegelijk. Mijnwerkers moesten clandestien vertrekken. Ze zaten in een militair regime, en je baan opgeven betekende desertie.

In deze periode kwamen de hoogdagen van de Asturiaanse taxi's eraan. Met enkele tientallen begonnen ze de migranten naar Frankrijk en België te vervoeren. Zo'n taxichauffeur pikte de klanten in zijn eigen dorp op en dropte ze in het Noorden, bij andere dorpelingen. Taxi's waren misschien niet het goedkoopste reismiddel maar boden één groot voordeel: de passagiers moesten nergens overstappen, hoefden in Parijs niet van station te veranderen, bleven onder Spanjaarden - de meesten spraken niets anders dan hun eigen taal. Dat verklaart dat veel van die anciens zich ook vandaag nog nauwelijks in het Frans uitdrukken. Felix, die elke week langs vaste rustpunten door Frankrijk en België trekt, is één van ze.

Even voorbij Parijs, op weg naar het Zuiden, ontspant Felix een beetje. Hij moet al 27 zijn geweest toen hij taxichauffeur werd. Tot die leeftijd had hij altijd met vrachtwagens gereden, maar nooit verder dan Baskenland. Hij ging 18 maanden in de leer bij een man die een taxilijn naar België had, daarna begon hij voor eigen rekening.

Met wie en waarlangs hij voor het eerst naar Brussel reed? Dat weet hij niet meer. Het was werk als een ander, daarvan onthoud je geen details. En al zaten ze toen nog met enkele tientallen op hetzelfde marktje, het bracht op, meer dan de lange afstanden in Spanje. Zijn passagiers wilden naar het buitenland, niet naar Madrid. Tot 1965 stonden ze te dringen om een plaats.

Zo heeft hij zich de soberheid van de marathonritten eigen gemaakt, met weliswaar om de dertig kilometer een zware sigaret, maar zonder eten of drinken, en kennelijk zonder vermoeidheid. Hij stopt alleen omdat dat nu eenmaal moet voor zijn passagiers. Het mag een wonder heten - onderweg heeft hij alles gezien: verhakkelde autowrakken, chauffeurs aan flarden... - maar zelf heeft hij nooit een ongeluk gehad. "Eén keer zat ik met een dooie," zegt Felix. "We reden terug naar Spanje en die man werd niet meer wakker. Toen we aan de grens kwamen hebben we hem in een houding gelegd alsof hij sliep. Anders hadden we uren verloren. En daarna hebben we hem bij zijn familie afgeleverd."

Nu blijven ze nog met een stuk of vier taxibusjes over. Eén collega liet zijn bedrijfje over aan twee zonen. Ze kennen elkaar door en door, rijden min of meer in konvooi, hebben dezelfde stopplaatsen en chatten onderweg via de CB-radio, om te waarschuwen dat er politie staat, of om de monotonie te doorbreken.

Spanjaarden verdragen onze boter- en baklucht niet, ze blijven verhangen aan hun eetcultuur. Zo komt het dat Felix in Frankrijk geen hotdog of wat dan ook aanraakt. Maar goed en wel de Frans-Spaanse grens over, in Hendaye, laveert hij zijn busje de parkeerplaats van een baancafé op en laat er zich een bord vol dunne vissoep voorschotelen, gevolgd door een steak. Rond 22 uur - we zijn dan al ruim dertien uur onderweg - vat hij de laatste etappe aan. Zes uur later wordt Manu met zijn hond in Gijón bij familie gedeponeerd. De dageraad strooit karig licht over de havenstad uit, in een buitenwijk hangen spandoeken aan een methadonhuis voor junkies. Ik krijg bij Felix onderdak in Pola de Siero, een mijndorp met een 'Belgische' burgemeester.

Manolo Villa staat me op te wachten aan het partijlokaal van de PSOE, de Socialistische Partij. Binnen houdt de SOMA-UGT, de aanverwante vakbond, crisisberaad over de mijn van Lieres, een fusiegemeente van Pola. Manolo: "Lieres gaat in 2001 dicht, op last van de Europese Commissie in Brussel." Ook Manolo stapte in een taxi naar België. Dat was in 1958. Als student in Oviedo had hij zich bij de politie in de kijker gewerkt en was hij verbrand. In Brussel nam hij de draad weer op. Hoewel dat voor buitenlanders uitdrukkelijk verboden was, zocht hij contact met de Socialistische Partij en de vakbond. "Ik vond werk bij FN in Herstal. Ik heb daar de staking van 1960-'61 tegen de Eenheidswet meegemaakt," zegt Manolo. Toen ze onderweg naar hun werk uit de trein stapten, botsten ze op versperringen met soldaten, die de straten rond de wapenfabriek bezetten. "Zo'n bittere staking had ik zelfs in Asturië nog niet meegemaakt." Eind de jaren zeventig, toen het in Spanje rustiger werd, keerde hij terug. In '79 verkoos Pola de Siero hem tot burgemeester, zestien jaar lang hield hij die sjerp. "Maar bij de laatste verkiezingen zijn we eruit geknikkerd. De PSOE had het nationaal helemaal verkorven, met al die corruptieschandalen en de vuile oorlog tegen de ETA. De mensen maken het onderscheid niet tussen de nationale en de gemeentelijke politiek." Kort daarna heeft hij een toeval gekregen. Hij moet het rustiger aan doen nu, maar blijft over zijn streek inzitten.

We strijken neer in een cidercafé. Over de vloer is zaagsel uitgestrooid, want cider wordt met een klaterende straal uitgeschonken. Maar soms mikt de kelner naast het glas, op de vloer, en ook de drinkers schudden de bodem van hun glas graag naast zich leeg. "Ik was nog burgemeester", zegt Manolo, "toen een Belgisch minister de overname van onze chocoladefabriek door Côte d'Or kwam beklinken. Ik vroeg haar: 'Mevrouw de minister, wanneer gaan ze deze fabriek sluiten?' Ze was oprecht verbouwereerd, begreep de vraag niet eens. Ik zei: mij maak je niet wijs dat Côte d'Or onze fabriek ontwikkelt, ze willen alleen de distributiekanalen inpalmen. Côte d'Or is inmiddels door de Zwitsers opgekocht en die hebben twee jaar geleden alles gesloten." En nu wordt, ook al in deze gemeente, de mijn van Lieres gesloten.

Lieres heeft ooit aan de Belgische gigant Solvay toebehoord. Die kocht de mijn in 1903 om zijn Asturiaanse chemie-activiteit te bevoorraden. "Solvay was tien keer snuggerder", zegt Manolo, "dan onze Spaanse kapitalisten. Die joegen constant de karwats over hun arbeiders. Terwijl Solvay zijn werkvolk zo geslepen inpakte dat het er alles van gedaan kreeg. De wortel werkt veel beter dan de stok."

Solvay bouwde rond de mijn een echte cité op, met huisjes en een schooltje en een kapel. Er was een schaatsbaan en 's zomers mochten de kinderen mee naar de vakantiekolonie. Manolo Villa: "De gemeente heeft een tijd geleden hun casino gekocht. Vroeger konden de mijnwerkers daar voor ontspanning terecht. Wij maken er opnieuw een cultureel centrum van." Solvay trok zich in de jaren zeventig uit de mijn terug, later werd ze opgeslokt door de HUNOSA, de openbare mijnmaatschappij die nu nog zo'n zevenduizend mijnwerkers aan het werk heeft in negen mijnzetels.

Een tuintje in de Brusselse gemeente Sint-Gillis. Jesús Marco heeft er met kranen en loden pijpen een antinucleaire sculptuur neergezet die hij Vanderschrickbyl heeft genoemd, een kruising van zijn straat en de rampencentrale in Oekraïne. Terwijl op de Spaanse televisie Esmeralda loopt, zijn favoriete soap, laat hij me de souvenirs van zijn vlucht uit Spanje zien: een Frans pasje, dat aantoont dat hij net over de Pyreneeën in een opvangkamp heeft vastgezeten, en zijn soldatenriem. Hij heeft hem in repen gesneden en behendig gevlochten. Jesús maakte zich na amper tien dagen legerdienst als deserteur uit de voeten. Dat was in de lente van 1946. In drie maanden tijd maakte hij toen een tocht mee waar een avontuurlijk mens jaren voor nodig heeft. In de haven van Antwerpen probeerde hij zelfs als verstekeling naar Amerika in te schepen.

Maar achteraf bezien was zijn doortocht door de Marollen nog het merkwaardigst van al. Op een avond was hij met twee spitsbroeders vanuit Frankrijk per trein in het Zuidstation aangekomen. Ze hadden er in een goederenwagon geslapen. De volgende ochtend liepen ze achter enkele kruiers aan, richting Oude Markt, tegenwoordig het Vossenplein in de Marollen. Ze vragen er wat rond en worden tot bij de gebroeders Muñoz gebracht, twee onderwijzers die het drietal op hun beurt naar een zekere Herminio sturen, hun eerste essentiële contact. De Brusselse volkswijk bleek een netwerk van behulpzame landgenoten te herbergen. Herminio had in Asturië in de mijn gewerkt, was krijgsgevangen geweest in Duitsland en woonde nu samen met een Belgische vrouw die vooral in Vlaanderen de markten deed.

De vrouw geeft Jesús burgerkleren, zodat hij eindelijk zijn militaire plunje kan dumpen. Zij heeft een dochter, Marcelle, die tot haar twaalfde naar school is geweest en daarna in de zaak begint te helpen. Moeder en dochter verkopen spullen van de Stock Americain, tot aan de koolmijn van Eisden toe. Op die eerste dag in België wordt Jesús verliefd, drie jaar later trouwt hij met Marcelle. "Wij Spanjaarden waren de Marokkanen van die tijd," zegt Jesús. "Overal met de nek aangekeken, overal gepest." Marcelle moest bij de procureur komen. Hij wilde weten waarom ze wel met een buitenlander trouwen zou. Het kostte haar heel wat geloop en overtuigingskracht om te voorkomen dat ze bij haar huwelijk met de nationaliteit van haar man werd opgezadeld, want dan had ze voor de rest van haar leven een vergunning moeten vragen om in haar eigen land te werken.

Van het netwerk van Spaanse bars rond het Brusselse Zuidstation blijven er vandaag nog enkele over. Wat daar ooit gebeurde zou een xenofobe overheid tegenwoordig als mensenhandel bestempelen. Iedereen hielp elkaar. Er doken Spaanse wezen onder samen met joodse kinderen, er gingen adressen rond van bazen die vaklui zochten of van dames die een poetsvrouw nodig hadden. Het waren meer dan pleisterplaatsen, het waren officieuze consulaten voor wie de franquistische missie wou omzeilen. En vaak troffen politieke ballingen er elkaar - zoals in dancing Primavera, waar de communistisch gezinde kring Federico García Lorca de Asturiaanse folklore levendig hield. In al die cafés en clubs schenken ze drank uit het vaderland en als ze er een espicha houden, als ze er dus verse cidervaten steken, dan komen er gegarandeerd verse Asturiaanse kaas en worst op tafel. Het is vandaag niet anders dan toen, de bevoorrading gebeurt wekelijks.

Naarmate de Asturiërs of hun kinderen het breder hadden, verlieten ze de Marollen en zwermden uit, naar Sint-Gillis of Anderlecht, of verder weg in Brabant. Maar ze blijven op gezette tijden naar de Oude Markt terugkeren, meer bepaald naar de cisterciënzerkerk. Daar staat een repliek van het Mariabeeld van Covadonga, de maagd die door alle Asturiërs wordt vereerd, zonder onderscheid van overtuiging.

Vrijdagochtend. Stipt om vijf uur begint Felix aan de terugrit van Pola de Siero naar Brussel. Drie dagen is hij druk in de weer geweest, hij heeft goederen ingeslagen. De laadruimte van het busje zit vol, geurt naar fijne spijzen. In Cangas de Onis, de gemeente waar in een echte grot het echte beeld van de maagd van Covadonga staat, pikt hij een jonge vader uit Schaarbeek op, met zijn dochtertje. De man heeft in Cangas zopas zijn vader bezocht. Het kind slaapt de hele weg en als het niet slaapt, is het misselijk. Elke plasstop krijgt het van paps een speelgoedje uit de giftshop. Het zesuurjournaal van de Spaanse radio doet het relaas van een operatie in Baskenland tegen een ETA-commando, het laatste meldenswaardige feit van een monotone dag. 's Middags eet Felix vlak voor de grens, in Hendaye. Daarna werkt hij op een minimumrantsoen de kilometers af. Tot hij de volgende ochtend weer voet op Spaanse bodem zet, in bar Cantábrico, aan de Brusselse Stalingradlaan.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234