Dinsdag 11/08/2020

Art nouveau en duivenstront

Koen Vidal / Foto DIETER TELEMANS

De uitgang van Brussel Centraal. Stap richting Sint-Michielskathedraal. Loop de Bankstraat uit. Steek de Pachecolaan over. Aan het beeld van Guust Flater de trappen af, daar is de Zandstraat. "En voor u dames en heren: het Museum van het Beeldverhaal. Gebouwd door Victor Horta, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de art nouveau. Ooit was dit een warenhuis, les Magasins Waucquez. Daarna kwam deze buurt in verval en was het afgelopen. Kunt u zich voorstellen dat dit gebouw op het nippertje aan de sloophamer is ontsnapt?" De toehoorders kijken afwisselend hun gids en het gebouw met ongeloof aan. Enkele ogenblikken later steken ze de straat over en slokt het museum van Kuifje en Bobby hen op.

Vreemd. Weeral laat Brussel zich koesteren en beledigen op hetzelfde moment. Want terwijl het groepje mensen zich vergaapte aan Horta's nalatenschap stond achter hen - wat te jammeren om aandacht - het minstens even art nouveau gebouw van La Presse Socialiste. Tot 1974 huisden hier de redactie en de drukkerij van de krant Le Peuple. Dat jaar verhuisde de krant naar een industrieterrein in Gosselies. Nu staat La Presse Socialiste precies twintig jaar leeg, de ramen stukgeslagen zodat de wind vrij spel krijgt. Architect Richard Pringiers, Horta's meest talentvolle leerling en ontwerper van het in '65 neergehaalde Volkshuis, moet in zijn graf al meermaals de schouders hebben opgehaald.

Door de Zandstraat reed toen nog een tram. De buurt zat vol leven. Het was een populaire wijk met kleine straatjes. Ook de collega's van La Cité zaten in de Zandstraat. 's Avonds gingen we met hen op café in de Meyboom. Het waren wel katholieken maar alla. Enkele straten verder had je Le Saint Sauveur, waar je na de middag al kon dansen, en nog wat verder de rode raampjes.

Tijdens de meiboomviering trok heel Brussel naar de Zandstraat. Voor een reportage 'van onze verslaggever ter plaatse' moesten we die dag gewoon de ramen openzetten

Wie in het gebouw binnen wil moet inbreken. Dat kan: aan de rechterkant van de lelijke schutting is een nauwe opening waar je, met wat moeite, kunt doorkruipen. Je komt dan terecht in een halfduister kamertje vol scherven dat uitgeeft op de inkomhal. Vergeet de rommel, de geur van vocht en bewonder de rood-zwarte tegels die geen Cif-beurt nodig hebben om mooi te blijven.

Achter de ontvangstbalie, in de muur, bevindt zich een grote zwarte kluis die openstaat en leeg is. Niet aan Etienne Mangé en het biefstukkensocialisme denken, gewoon doorgaan tot je in de kamer komt waar de drukkers zich destijds omkleedden en hun spullen in een locker staken. De metalen kastjes met de namen erop staan er nog.

Zeer bijzonder, was dat. Journalisten en arbeiders werkten onder één dak. We waren collega's en gingen zeer amicaal met elkaar om. In de drukkerij stonden dertig linopersen. Ze maakten een hels lawaai. Het moment net voordat de persen begonnen te rollen noemden we la mort du Pape. Wie dan nog afkwam met kopij moest snel zijn. Daarna was het te laat, zelfs als de paus doodviel.

De modernistische drukkerij werd in 1932 bijgebouwd door vader en zoon Brunfaut. Wie echt wil weten wat voor lichtspel het overvloedige gebruik van glas en metaal oplevert, moet naar Gent uitwijken. De mooi gerestaureerde pakketboot van De Vooruit-Het Licht in de Sint-Pietersnieuwstraat is ook een ontwerp van vader en zoon Brunfaut. Maar de charme van Le Peuple, maak je jezelf dan maar wijs, is dat de verbeelding alle vrijheid heeft om het verleden op te roepen. In de werkhal staan enkele verroeste zetmachines. Voorlopig moet dat volstaan om het gedreun en de inktgeur van de verdwenen drukpersen in oren en neus te krijgen.

Heb geen angst als je de trap naar de redactielokalen op de eerste etage neemt, de constructie is nog voldoende stevig om een nieuwsgierige te dragen.

Heel de dag was het een komen en gaan van journalisten en medewerkers. In totaal waren we met een dertigtal vaste redacteurs. Er zaten straffe pennen tussen. De latere minister van Buitenlandse Zaken Victor Larock bijvoorbeeld. Hij kwam uit het verzet en werd politiek directeur van de krant. Tijdens de Koningskwestie schreef hij de ziel uit zijn lijf om Leopold van de troon te krijgen. Ik was nog niet op de redactie maar stond als militant op straat. Ze hebben me toen acht dagen in de nor gedraaid.

We hadden ook enkele pittoreske schrijvers. Jean Van Osta, alias Jean Candide, is de bekendste. Zijn liefdevolle stukjes over Brussel schreef hij op de gekste plaatsen: soms in een bistro, dan weer in een patisserie. Echte primeurs hebben we nooit gehad. Er waren natuurlijk de grote en dramatische momenten. In 1967 de brand van de Innovation, dat was op tweehonderd meter van de redactie, we konden de rook zien. Tien jaar daarvoor hadden we de expo van '58 en twee jaar later de grote stakingen tegen de eenheidswet. In '56 was er permanent een reporter ter plaatse om de hel van Marcinelle te verslaan, de mijnramp waarbij 262 doden vielen. Bij zulke gebeurtenissen haalden we een oplage van 100.000, dat was verschrikkelijk veel.

In de redactielokalen staan nog enkele bureaus en een lege archiefkast. Op de grond slingeren vakbondsblaadjes rond waarin Georges Debunne nog het hoge woord mag voeren. Uit een stoffige editie van Le Peuple ('de BSP dit, de BSP dat') blijkt hoeveel de pers is veranderd.

Journalistiek was toen iets helemaal anders. Wij waren partijdig tot en met, bijwijlen sektarisch en te kwader trouw. Le Peuple was de spreekbuis van de BSP, niet meer en niet minder. We mochten alleen socialistische ministers interviewen. En op een BSP-congres waren we minstens met twee journalisten, meestal met drie. De relatie met de politici was totaal anders. Veel intiemer. Wetstraatverslaggevers werden ingewijd in de geheimen van de politici maar daarover verscheen nooit een letter in de krant. De partijdiscipline was heilig. Het was pure zelfcensuur. In die tijd mochten politici als P.H. Spaak zelf de editorialen schrijven. Stel je voor dat Louis Tobback nu het standpunt van De Morgen zou schrijven.

Natuurlijk zorgde dat voor spanningen. Ten tijde van de stakingen tegen de eenheidswet stond ik meer aan de kant van André Renard dan aan die van Achiel Van Acker. Maar het was ondenkbaar dat in Le Peuple toen een slecht woord over Van Acker zou verschijnen. Ik schreef dan maar onder een pseudoniem voor de vakbondskrant la Gauche. Met premier Leburton lag ik serieus overhoop. De rel ging over Kongo, hij was zo gehecht aan Mobutu dat ik het niet meer kon aanzien. Uiteindelijk trokken de politici natuurlijk aan het langste eind. Zij hadden het geld van de krant in handen. Het was een ondergeschikte relatie.

In een hoek staat een dikke vuilniszak, vol wetsvoorstellen uit het jaar 1978. De periode waarin de laatste journalist hier het licht mocht uitdoen komt tot leven. CVP'er Herman Suykerbuyk was in die tijd al zeer actief en diende in maart '78 een voorstel in om de wet op de ruimtelijke ordening te versoepelen en de gemeentepolitiek meer inspraak te geven bij de bestemming van gronden. "Misbruiken bij de gemeentebesturen hoeft men terzake niet te vrezen," schrijft Suykerbuyk. Echt visionair was die geruststelling niet: twintig jaar later zal Vlaams ombudsman Jan Goorden de combinatie dorpspolitiek-bouwvergunningen omschrijven als 'het laatste wingewest voor politiek gesjoemel'.

Behalve een rist abortusvoorstellen zit in de vuilniszak ook een aantal ideetjes die, godzijdank, nooit zijn uitgevoerd. Zo kwam de Franstalige liberaal Mundeleer met een wetsvoorstel aandragen dat alle migranten die zes maanden op twaalf werkloos waren hun sociale rechten moest ontnemen. In ruil kregen ze een bedrag om naar hun land van herkomst terug te keren. Het Vlaams Blok zal duidelijk al in de pijpleiding.

En dan zijn er de wetsinitiatieven waarvan een mens zich alleen maar kan afvragen waarom ze nog steeds niet ordentelijk zijn uitgevoerd. In maart 1978 dient toenmalig minister van Justitie Van Elslande een wetsontwerp in om de handel van long rifle-geweren aan banden te leggen. "De laatste jaren", schrijft Van Elslande in zijn toelichting, "is door de gerechtelijke autoriteiten, de pers en de publieke opinie herhaaldelijk gewezen op het gevaar verbonden aan dat wapen, dat goedkoop is bij aankoop en gebruik en waarvan de verkoop en het bezit thans vrij zijn." We schrijven vijf jaar voor de eerste aanslag van de Bende van Nijvel.

Na een uitschuiver op de duivenstront vraag je je af of het ooit nog goed komt met dit gebouw. Het instant-antwoord is typisch Belgisch: normalement wel, maar in de praktijk voorlopig niet. De modernistische gevel van de drukkerij is sinds '89 beschermd. In datzelfde jaar verkochten de socialisten het gebouw voor veertig miljoen aan de bevriende betonboer Jean Thomas, grote baas van bouwgigant Louis Dewaele. Twintig jaar gebeurde er niets. In maart van dit jaar opende de Brusselse regering de procedure om ook de art nouveau-gevel te beschermen. Meer dan ooit toont het Centrum van het Beeldverhaal aan de overkant interesse om iets te doen met La Presse Socialiste: een persmuseum of een uitbreiding van het eigen stripcentrum. Brussels minister-president Charles Picqué denkt aan een museum van het derde millennium rond het thema duurzame ontwikkeling. Vraag is of Jean Thomas zijn onroerend goed voor een redelijk bedrag van de hand wil doen. Wat hij daarover zegt, belooft weinig goeds. "Het laat me totaal koud. Ik heb enkele ideeën maar wens daarover niets te zeggen. Eén ding wil ik wel kwijt: het is onmogelijk geworden om in het Brussels gewest zaken te doen. In de toekomst zal ik steeds meer buiten Brussel investeren."

Of ik nog wel eens naar het gebouw ga kijken? Ja, regelmatig. Het heeft natuurlijk een grote sentimentele waarde. De wijk is niet meer te herkennen. Alles verandert. Mijn wens is dat het daar nog iets wordt. Iets interessants.

De cursief gedrukte tekst is de neerslag van een interview met journalist Robert Falony, die vanaf '53 voor Le Peuple werkte en nog steeds voor Le Matin schrijft.

Met dank aan David Stephens van Pétitions-Patrimoine, een vereniging die opkomt tegen de verkankering van Brussel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234