Dinsdag 31/03/2020

Art Blakey

Blakey was noch als drummer noch als componist of bandleider een grote vernieuwer

De man met de roffel

Drummers, druk ze tegen je borst aan, want ze kunnen een opkikker best gebruiken. Een veel geplaagde mensensoort, voorwerp van hoongelach en spot. In muzikantenkringen doet bijvoorbeeld deze de ronde. Vraagt de drummer aan de saxofonist: 'Met hoeveel zijn jullie eigenlijk in het kwintet?' Waarop de saxofonist antwoordt: 'Met vier muzikanten en een drummer.' Of deze, uit het gastenboek van de Londense jazzclub Ronnie Scott's: 'Dad, when I grow up I want to be a drummer.' 'Son, make up your mind. You can't be both.'

De pech van Art Blakey is dat hij zowat alles in huis heeft om het cliché van de drummer te bevestigen: een uitbundige lach, een luidruchtige stijl, een grote mond en weinig respect voor hersens en spieren. Die grote mond is zowel letterlijk als figuurlijk. Kijk naar de sprekende hoesfoto op de Impulse-plaat uit 1961: Art Blakey gelukzalig achter de drums, blik omhoog met een mond waar je zo een heel brood in kunt schuiven (een gelijkaardige foto vind je in het boekje bij de First Class Jazz-cd). Of lees eens een interview met de man: ze staan vol kinderachtige bluf en tegenstrijdige gemeenplaatsen. Ted Gioia schreef ooit een prikkelend essay getiteld 'Jazz and the Primitivist Myth', over het feit dat jazzmuzikanten door geschiedschrijvers en commentatoren soms al te makkelijk als 'primitivistische' natuurtalenten beschouwd worden. Hij vermeldt in dat verband nergens Art Blakey, maar Blakey is wel een van die figuren die onvrijwillig de mythe gevoed hebben.

En toch heeft hij ook vijftien jaar na zijn dood nog altijd een opmerkelijke reputatie in de jazz. Dat is om meer dan één reden een beetje merkwaardig. Want hij was noch als drummer noch als componist of bandleider een grote vernieuwer. Als drummer haalde hij de mosterd vooral bij zijn grote voorbeeld Big Sid Catlett, van wie hij ook het simpele motto overnam: 'When you're in trouble, son, just roll.' Met andere woorden: ga je gang, let niet te veel op voorschriften, regels en compositorische hindernissen, en als het allemaal een beetje uit de hand loopt, schud dan een vrolijke roffel uit je pols. Ooit werd Blakey uitgenodigd om voor Igor Stravinsky te spelen. Wat hij zich daarvan herinnerde, typeert hem: "Ik kende de muziek helemaal niet. Het enige wat ik deed was kijken naar de downbeat, meppen en roffelen." Die reddende roffel, dat kon hij fantastisch goed, maar als je zijn platen beluistert, krijg je soms wel de indruk dat hij heel zijn loopbaan een one trick pony gebleven is (wat overigens niet helemaal terecht is).

De Blakeyroffel is intussen wel terecht legendarisch geworden, een constante in heel zijn loopbaan die op plaat te volgen is van eind jaren veertig (aan de zijde van Thelonious Monk) tot aan zijn dood in 1990. De grote constante in die loopbaan is niet alleen die roffel, maar ook en vooral de groepsnaam. Ook niet mis te verstaan: Jazz Messengers, boodschappers van de authentieke Afro-Amerikaanse muziek. De eerste versie van de Jazz Messengers dateert van 1954 en de groep voerde toen samen met het eerste kwintet van Miles Davis en de groep rond Clifford Brown en Max Roach de boventoon. Charlie Parker ging in die dagen de pijp uit en de nerveuze bebop van de jaren veertig maakte plaats voor een ietwat getemperde en soms ook meer gesofisticeerde versie ervan. Iemand heeft daar ooit de misleidende term hardbop voor bedacht, een vlag die de lading nauwelijks dekt (postbop is beter).

De geschiedenis van de Jazz Messengers leest soms als een who's who van de jazz, vooral wat trompettisten en saxofonisten betreft. De belangrijkste trompettisten die bij Blakey passeerden: Clifford Brown, Donald Byrd, Kenny Dorham, Lee Morgan, Freddie Hubbard, Terence Blanchard en Wynton Marsalis. De belangrijkste saxofonisten: Lou Donaldson, Hank Mobley, Jackie McLean, Johnny Griffin, Wayne Shorter, Branford Marsalis. Ook heel wat belangrijke pianisten vonden de weg naar de Jazz Messengers, gaande van Horace Silver tot Chick Corea.

Blakey had geen ingewikkelde ambities met zijn groep, behalve het bestendigen van de jazztraditie die hij zag als het product van de zwarte Amerikaan. Hij kon tekeergaan tegen blanken (die hij steevast met de denigrerende term 'Caucasians' omschreef), maar ook tegen de gedachte dat jazz iets met Afrika zou te maken hebben. In een openhartig gesprek met collega-drummer Art Taylor (gepubliceerd in de leerrijke interviewbundel Notes and Tones) blaft hij: "Onze muziek heeft niets te maken met Afrika. Wij leven hier in een multiraciale samenleving. Er zijn geen Amerikaanse zwarten die kunnen zeggen dat ze van zuiver Afrikaans bloed zijn. Onze ouders waren slaven, dus je weet niet wiens grootmoeder vooroverboog om katoen te plukken toen de slavendrijver achter haar aan kwam! Daar konden wij niets aan doen. Anders zouden wij niet alle kleuren van de regenboog hebben."

In zijn laatste tien levensjaren heeft Blakey met veel succes zijn visie op de jazztraditie verdedigd en bevestigd. Zijn Jazz Messengers waren de gangmakers van de jazzrevival van de jaren tachtig. Hij leerde zijn jonge leerlingen (onder wie de Marsalisbroers) dat ze de oude standards in ere moesten herstellen. Na een verwarrende periode van fusion en experiment in de jazz was het tijd voor herstel.

Didier Wijnants

Volgende week: Thelonious Monk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234