Zondag 23/02/2020

Architectuur volgens Vlaamse intellectuelen

StedenbouwSteven Jacobs

De polemiek die de voorbije dagen werd gevoerd over het plein voor het Koninklijk Musueum voor Schone Kunsten in Antwerpen maakt op een pijnlijke wijze duidelijk hoe erg het met de architectuurkritiek in Vlaanderen is gesteld.

Dat architectuur en stedenbouw eindelijk de publieke opinie kunnen beroeren en zelfs schrijvertjes als Leo De Haes (09/02) en Julien Weverbergh (11/02) uit hun tent kunnen lokken kan alleen maar op gejuich onthaald worden. Dat men zonder elementaire kennis van zaken en op een demagogische manier elke vorm van hedendaagse architectuur veroordeelt, valt evenwel te betreuren. Dat de formele oplossing van Paul Robbrecht, Hilde Daem en Marie-José Van Hee voor het plein voor het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSK) te Antwerpen niet door iedereen gewaardeerd wordt, lijkt vanzelfsprekend. Maar dat De Haes hun werk voorstelt als louter autonome, esthetiserende objecten en dat integratie hun gestolen kan worden, bewijst dat de kennis van de columnist inzake architectuur even ver reikt als zijn inzicht in het werk van Arthur C. Danto - de Amerikaanse kunstfilosoof die De Haes naar eigen zeggen in Vlaanderen als enige heeft gelezen en wiens gedachtegoed hij vervolgens schaamteloos verkracht.

Het werk van Robbrecht, Daem en Van Hee put precies zijn kracht uit hun vermogen om nieuwe architectuur te integreren in een bredere context. Niet toevallig bestaat hun oeuvre uit vele verbouwingen, waarin steeds respectvol werd omgegaan met de bestaande architectuur. Vele ontwerpen getuigen van een intensief onderzoek naar de bouwtypologie van bijvoorbeeld de Belgische rijwoning. Andere ontwerpen zijn verdienstelijke pogingen om verdichtingen van stedelijke centra te stimuleren of te visualiseren. Telkens werd hierbij het grote stedenbouwkundige gebaar van tafel geveegd en vervangen door zorgvuldige gerichte ingrepen. Bij mijn weten hebben de ontwerpers noch Geert Bekaert in hun argumentatie verwezen naar iets abstracts als de 'stedenbouwkundige vooruitgang'.

Hun ontwerp staat in voor de oplossing van enkele praktische problemen en creëert een vormelijke meerwaarde die met de identiteit van de plek verzoenbaar is. Ironisch genoeg wordt hun werk door een segment van de 'architectuurwereld' precies bekritiseerd omdat het te 'historisch' of te 'braaf' is. We kunnen ons alleen maar het kabaal voorstellen dat Weverbergh en De Haes vanuit hun peperkoeken huisjes zouden maken wanneer een ontwerper à la Koolhaas op Antwerpen zou worden losgelaten!

De Haes en Weverbergh flirten met een goedkoop monumentenzorgpopulisme waarbij elke architecturale vernieuwing wordt verketterd. Elk ontwerp dat afwijkt van de gebruikelijke oplossingen of volgens sommigen niet strookt met een vage en kneedbare notie als het 'collectief geheugen' wordt hierbij verworpen. In Vlaanderen betekent dit dat de heraanleg van een plein enkel aanvaardbaar wordt wanneer wat bloembakken en verkeersdrempels worden geplaatst - in de praktijk wordt stedenbouw hier jammer genoeg vaak tot herleid.

In een dergelijke context is het bijzonder makkelijk om de gunst van de publieke opinie te winnen door, zoals De Haes, gewag te maken van een 'glazen kot' op de Wapper of, zoals Weverbergh, het ontwerp van Robbrecht, Adem (sic) en Van Hee in één adem te noemen met het stuk aannemersarchitectuur dat enkele jaren geleden tegenover het KMSK werd opgetrokken. Deze miskleun wordt juist door de ingreep van Robbrecht, Daem en Van Hee bijna onzichtbaar gemaakt.

Weverbergh gaat nog meer de demagogische toer op door naar de schandelijke afbraak van Horta's Volkshuis te verwijzen. De socialistische beweging mag inderdaad nog altijd het schaamrood op de wangen krijgen voor deze daad van barbarij, maar de art nouveau is inmiddels salonfähig geworden en wordt niet langer als 'schandplaats', 'paniekarchitectuur' of 'spektakelarchitectuur' omschreven. Voor De Haes en Weverbergh wordt ze ongetwijfeld beschouwd als een voorbeeld van integratie. Wanneer een waardevol modernistisch gebouw uit de jaren vijftig tegen de vlakte gaat is er (nog) geen haan die daar naar kraait, net zoals het werk van hedendaagse architecten van meet af aan naar de prullenmand wordt verwezen. De architecturale miskleunen van de laatste jaren hebben in die zin een dubbel negatief effect: we zitten niet alleen met slechte architectuur opgezadeld, nieuwe architectuur lijkt volledig in diskrediet geraakt. De Haes en Weverbergh suggereren dat er geen alternatief bestaat: ofwel wordt het bestaande wat opgekalefaterd, ofwel wordt een bedenkelijk soort betonboerarchitectuur toegepast.

Het is mij ook volkomen onduidelijk wat deze Ward Beysens' van de architectuurkritiek precies bedoelen met 'spektakelarchitectuur'. Op het 'glazen kot' op de Wapper lijkt dit epitheton toch moeilijk van toepassing. Wanneer De Haes gewag maakt van een 'provincialistische namaak van buitenlandse voorbeelden' kan hij beter de politici opzoeken die er niet voor zouden terugdeinzen een volkseigen fermette voor het Rubenshuis neer te poten. Dat Eric Antonis uitpakt met 'grote namen' in plaats van met obscure architecten met de juiste partijkaart is al een hele verdienste. De grootheid van die namen is immers verdiend en eindelijk eens verzilverd in een publieke opdracht - het aantal getalenteerde architecten is net zoals het aantal columnisten met een beetje affiniteit voor architectuur niet recht evenredig met de bebouwingsdichtheid van het Vlaamse landschap.

Deze polemiek maakt tenslotte op pijnlijke wijze duidelijk hoe erg het met de architectuurkritiek in Vlaanderen is gesteld. Zoals gewoonlijk zijn de architecten van de 'stille generatie' (P. Vermeulen) oorverdovend zwijgzaam. In een 'kwaliteitskrant' mogen 'intellectuelen', niet gehinderd door enige kennis van zaken, de grootste nonsens uitkramen, terwijl over architecturale ontwerpen of realisaties bijna enkel wordt geschreven nadat ze een controverse uitlokten. De barbarij van de slechte architectuur wordt gewoon ingeruild voor de barbarij van de kneuterigheid en gebrek aan professionalisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234