Maandag 18/01/2021

'Architecten moeten veel kritischer worden'

De gebouwen worden steeds hoger, de ontwerpen steeds spectaculairder. Maar toch blaakt de architectuur niet van gezondheid, meent Rem Koolhaas, want alles gaat steeds meer op elkaar lijken. Koolhaas toont die uniformiteit in Elements, de centrale expo op de Architectuurbiënnale van Venetië.

Het fenomeen dat steden in de hele wereld zowat identiek worden is niet echt nieuw. Romeinen, Chinezen en Ottomanen stuurden allemaal ooit aannemers met bouwrichtlijnen naar alle uithoeken van hun gigantische rijk. Regionale variaties op het vlak van gebruikte materialen waren er wel degelijk. Maar keizerlijke gezanten die van de ene stad naar de andere reisden over besneeuwde bergen, door verschroeiende woestijnen en over door piraten geteisterde zeeën voelden zich op elke plek even goed thuis.

In dat opzicht is er niet veel verschil met zakenmensen die nu inchecken in identieke hotels van een keten.

Het gevoel dat er iets niet klopt met de snelheid en de schijnbare onvermijdelijkheid van verandering tegenwoordig, wanneer u de gloednieuwe skyline van de City of London echt verwart met die van Dubai, werd met ijzingwekkende precisie geschetst door Italo Calvino in zijn roman De onzichtbare steden. Daarin beschrijft de Venetiaanse avonturier Marco Polo aan keizer Kubla Khan de steden die hij zich heeft ingebeeld tijdens zijn reizen. Aan het eind van zijn verhaal heeft Polo het over Trude:

"Waarom naar Trude komen?", vroeg ik mezelf af. En ik wilde alweer weggaan. 'U mag weggaan wanneer u wilt', zeggen ze me, 'maar u zult in een ander Trude terechtkomen, exact hetzelfde, tot in de details. De wereld is bedekt met één enkel Trude dat begint noch eindigt. Alleen de naam van de luchthaven is anders.'

Die geformatteerde en onontkoombare moderne wereld werd onderzocht, becommentarieerd en tot in de puntjes beschreven door Rem Koolhaas, de wereldvermaarde Nederlandse architect, in Elements, een fascinerende tentoonstelling die centraal staat in de Architectuurbiënnale van Venetië - de Olympische Spelen van de architectuur - volgende maand, waarvan hij ook curator is.

De expo is de eerste die gewijd is aan één thema: de manier waarop landen in de hele wereld - 65 zijn aanwezig in Venetië - omgaan met de moderniteit, waardoor hun architectuur en hun steden alsmaar meer op elkaar zijn gaan lijken.

Bezoekers van Elements worden niet geconfronteerd met het gebruikelijke amalgaam van de nieuwste, opzichtige 'iconische' gebouwen, maar met flarden en brokken, elementen van gebouwen - vloeren, deuren, plafonds, trappen, ramen, zelfs wc's - uit de hele wereld en door de eeuwen heen, die aantonen op welke manier we alsmaar meer in Calvino's Trude terecht zijn gekomen.

"Het is geen klaagzang", zegt Koolhaas een beetje defensief, over zijn expo, als een hongerige panter meanderend tussen telefoontjes en meetings in zijn kantoor in Rotterdam. "Elements is geen tirade. Het is niet negatief - dat kun je je als architect niet permitteren - maar het is wel een politieke tentoonstelling met een onderliggende theorie over architectuur."

En wat behelst die theorie? "Architectuur is een heel oud en ingrijpend proces", zegt hij. "Op een bepaald moment na de verlichting werden de elementen ervan gemuteerd, getransformeerd met mechanische middelen. Ze werden preciezer, in zekere zin rationeler, terwijl ze zelf omgevormd werden tot machines - een trap werd een lift, een plafond een gecompliceerde dienstschacht - en die elementen werden wereldwijd verspreid." In de tentoonstelling, zegt hij, "is de kritiek vervat in wat je ziet".

In Elements worden elementen uit het machinetijdperk gecontrasteerd met elementen uit vroeger tijden toen deuren en ramen bijvoorbeeld, ondanks de Romeinse en Chinese pogingen tot standaardisering, niet alleen heel fijn afgewerkt waren maar ook individuele symboliek en betekenissen droegen. "De architectuur", zegt Koolhaas onomwonden, "was waarschijnlijk op haar best in de oudheid."

In de voorbije decennia zijn gebouwen nog groter geworden, en dat op haast exponentiële schaal. "De Romeinen", zegt Koolhaas, "konden vijf verdiepingen bouwen. Met een lift kunnen we tegenwoordig tot een kilometer hoog gaan, en op een dag nog veel hoger. Tezelfdertijd overstijgen we het puur mechanische en komen we terecht in het rijk van de digitale besturing, met tapijten die voetstappen lezen en een kamertemperatuur die je instelt met je telefoon. Een wereld van constante data vermengt zich met architectuur."

Aziatische ogen

Voor ik de kans krijg om de vraag te stellen hoe mensen daarin passen, suggereert Koolhaas met een grijns dat "we ooit misschien bedrogen zullen worden door ons huis".

"Dat is onontgonnen gebied voor de architectuurtheorie", zegt hij, "en toch spreken we nog altijd beleefd over proporties en de deugden van schaal. Elements gaat over de evolutie van de architectuur. Het stelt haar ontwikkeling in vraag en richtingen die we uit gaan."

Hoe meer Koolhaas praat - en dat doet hij heel gedreven - hoe harder zijn kritiek doorschemert op een wereld die bebouwd wordt door de architecturale geesteskinderen van "Reagan en Thatcher, de globalisering en de digitalisering".

En toch is een van de sterke punten van Koolhaas dat hij lang en intens, en schijnbaar koel afstandelijk, kan kijken naar de architecturale en stedelijke wijze waarop deze 'Reagan-Thatcher-wereld' zich in de voorbije decennia ontwikkeld heeft. Hij heeft de geest van de onderzoeksjournalist, maar het hart van de polemicus. In een vorig leven was hij wellicht een bevlogen predikant geweest.

Rem Koolhaas is de oudste zoon van Anton Koolhaas, een bekende Nederlandse romanschrijver, recensent en scenarioschrijver. Hij werd in 1944 geboren in een Rotterdam dat de Luftwaffe aan flarden had gebombardeerd.

Het gezin verhuisde naar Indonesië toen Koolhaas' vader, een hevig pleitbezorger van de Indonesische onafhankelijkheid, door Sukarno, de eerste president van de nieuwe republiek en een voormalig architect, aangesteld werd om een nieuw cultureel instituut in Jakarta te leiden. Rem Koolhaas was betoverd door het Verre Oosten, en ziet de wereld sindsdien door zowel Aziatische als Europese ogen.

Hij werkte als journalist voor het linkse weekblad Haagse Post en als scenarist voor anti-auteursfilms zoals The White Slave (1969), die Shumon Basar van de Architectural Association beschreef als "iets tussen het sociale surrealisme van Luis Bunuel en de sixtiesseksuitspattingen van Russ Meyer", alvorens architect te worden.

Koolhaas kreeg zijn opleiding aan de destijds avant-gardistische Architectural Association en aan Cornell University. In 1975 richtte hij zijn eigen kantoor op: OMA (Office for Metropolitan Architecture). Momenteel is hij een van de bekendste architecten ter wereld.

Wat opeenvolgende generaties studenten zo appreciëren aan Koolhaas is zijn desinteresse voor opzichtig materieel succes, zijn permanente nieuwsgierigheid, zijn non-conformistische attitude en zijn weigering om samen met zijn partners en medewerkers een herkenbare architectuurstijl te ontwikkelen.

Machteloos?

Gebouwen van OMA mogen dan intrigerend zijn - het totaal onverwachte Casa da Musica in Porto bijvoorbeeld, of het enorme, radicale hoofdkwartier van Central China Televison in Peking -, toch oogsten Koolhaas en OMA evenveel bewondering voor hun research en hun radicale publicaties als voor hun architectuur.

Een paar jaar geleden riep OMA 'AMO' in het leven, het spiegelbeeld van de praktijk dat zich bezig zou houden met onderzoek. Het is dat team dat sinds de zomer van 2012, samen met studenten van Harvard University die les volgen bij Koolhaas, vlijtig aan het werk is om een biënnale van Venetië te bedenken en te creëren zoals er nog nooit één is geweest.

En welke juweeltjes hebben ze niet opgedolven uit onverwachte diepten van de architectuurgeschiedenis, om aan te tonen hoe gebouwen veranderd zijn van rijke expressies van culturen en ambachten in geautomatiseerde en gedigitaliseerde machines om mensen door een alsmaar sussender maar oppervlakkig veilige en comfortabele wereld te loodsen.

Hier, bijvoorbeeld, is het levenswerk van de 93-jarige Friedrich Mielke. Zijn Institute of Scalology uit Regensburg in Duitsland heeft heel minutieus de ontwikkeling van de trap in kaart gebracht. Professor Mielke schreef 31 boeken over trappen, en toont onder meer aan hoe bijzonder trappen waren in de tijd van het houtdraaien, ook al lijken ze identiek.

Hier vind je ook het werk van Charles Brooking, die op zijn derde 'elementen' van huiselijke architectuur begon te verzamelen. Vandaag is de Brooking Collection in Cranleigh in Engeland een ongeëvenaard museum over architecturale details. Brooking levert een muur van ramen voor de tentoonstelling in Venetië, Mielke de trappen.

Daar, achter de torenblokken van architectuur en bouwhandboeken uit de oudheid en de moderne tijd - van het Gypsum Construction Handbook tot Classical Chinese Doors and Windows -, staat een blauwe schuimmaquette van een duivels complex houten kapiteel van een keizerlijke tempel uit China. Het AMO-team deed er tweeënhalve maand over om uit te pluizen hoe het in elkaar zat. Het gebruikte een vertaling in het modern Mandarijns van een twaalfde-eeuws handboek van Li-Jie over door de staat goedgekeurde architectuur.

Maar suggereert de oprukkende uniformiteit dat architecten - die al te vaak het bouwambacht niet onder de knie hebben - alsmaar machtelozer zijn tegen de globalisering van de bouwgebruiken?

"Het woord machteloos zou ik niet gebruiken", zegt Koolhaas. "Nee, je kunt een sterke, kritische stem ontwikkelen. Je kunt types gebouwen nog altijd heruitvinden" - wat OMA zelf vaak gedaan heeft bij het ontwerp van privéwoningen, schouwburgen en kantoortorens - "maar kunstenaars en architecten moeten veel kritischer worden over de uitgangspunten voor ontwerpen en bouwen." Architecten moeten met andere woorden beter de processen begrijpen die ertoe leiden dat hun kunst vervangen wordt door geglobaliseerde ontwikkelings- en constructiemethoden.

Koolhaas vertelt me dat Monditalia, een aparte maar gerelateerde tentoonstelling op de biënnale die een blikt werpt op orde en chaos in het hedendaagse Italië, niet minder dan 82 films opvoert om haar punt te maken. Ik suggereer dat die allemaal vervangen kunnen worden door één Franse film: Mon Oncle, het meesterwerk van Jacques Tati uit 1958. Koolhaas grinnikt: "Ik ben dol op Tati... een genie." We halen kort scènes voor de geest uit Mon Oncle die aantonen hoe absurd het design en de elementen van een oprukkende internationale moderne wereld kunnen zijn.

Waarna Koolhaas het gesprek voor bekeken houdt, met "nog duizenden dingen te doen". De biënnale volgende maand moet nog afgewerkt worden, en daarnaast moet hij de moderne architectuur herdenken, om te voorkomen dat we straks niet landen in Venetië, met al haar rijke historische schoonheid, maar in Calvino's zielloze Trude.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234