Donderdag 01/12/2022

InterviewBas Smets

Architect Bas Smets, de Belg die de Notre-Dame in Parijs in het groen zet: ‘We moeten onze steden leefbaar maken. En wel nú’

Bas Smets: ‘We moeten een stad ontwerpen die bestand is tegen de temperaturen van over tien jaar. Want dat het veel te warm zal zijn, dat weten we zeker.’ Beeld Thomas Nolf
Bas Smets: ‘We moeten een stad ontwerpen die bestand is tegen de temperaturen van over tien jaar. Want dat het veel te warm zal zijn, dat weten we zeker.’Beeld Thomas Nolf

Eén kurkdroge zomer geleden vernam landschapsarchitect Bas Smets (47) dat hij de omgeving van de Notre-Dame in Parijs mag herinrichten. Dat juist hij de jury van haar sokken blies, hoeft niet te verbazen. ‘Ik bekijk de stad als nieuwe natuur.’

Tom Pardoen

Vanuit zijn kantoor op de tiende verdieping van de Brusselse Madou­toren heeft landschapsarchitect Smets een duizelingwekkend uitzicht op enige Brusselse stadsdelen. Sommige zijn organisch gegroeid, andere het resultaat van hardhandig menselijk ingrijpen. Aan onze voeten baden in de zon de majestueuze lanen rond het Barricadenplein, waarvoor arbeiderswijk Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw moest verdwijnen. Iets verderop moest veel recenter de kleine man plaatsmaken voor de monotone, met spiegelglas beklede hoogbouw van de Noordwijk. Smets neemt het waar maar oordeelt niet. Voor de landschapsarchitect is het verleden het verleden en de Brusselse wanorde louter context: “Ik kijk ernaar zoals ik ook naar wilde natuur kijk, en vraag me af hoe ik kan ingrijpen om een betere plek van de wereld te maken.”

Zo deed Smets het ook in Parijs, op het Île de la Cité, waarna hij op de proppen kwam met een ontwerp dat de Franse jury van haar sokken blies. Met zo’n prestigieuze opdracht vestigt hij zich definitief in groep A van de Champions League van de architectuur, waar ook figuren als Rem Koolhaas en Norman Foster vertoeven, de absolute top met wie hij vaak heeft samengewerkt.

BIO

geboren in 1975 in Hasselt • groeit op in Congo, Algerije en Tervuren • studeert af als ingenieur-architect aan de KU Leuven en volgt nadien een postgraduaat landschapsarchitectuur in Genève • richt in 2007 Bureau Bas Smets op • ontwerpt in 2014 het Thurn en Taxispark in Brussel en twee jaar later het gedenkteken voor de aanslagen in Brussel • 2021: mag de omgeving van de Notre-Dame herinrichten

Bent u al bekomen van het nieuws?

“Ik ben er toch even stil van geweest. Maar de timing was perfect, vlak erna kwam de vakantie: ik heb tijd gehad om alles te laten bezinken en te herbronnen. Maar tegelijk was ik meteen aan het nadenken over de volgende stappen: hoe gaan we dat nu dóén?” (lacht)

Is het meeste werk niet gebeurd wanneer het ontwerp er ligt?

“Zo’n wedstrijd is een interessante affaire. Alle teams die geselecteerd worden, krijgen dezelfde informatie, en dan is er een communicatiestop. Dan heb je tien maanden lang een zekere vrijheid. Maar nu moeten we onze plannen aftoetsen met iedereen die iets te zeggen heeft over de site, en dat zijn veel mensen. Maar het feit dat ons ontwerp gewonnen heeft − ik hoor zeggen: bijna unaniem − betekent dat het goed zit. We weten wel dat de stad wil inzetten op nóg meer groen en ontharding. We moeten zien of dat kan, we hebben het aantal bomen al verdubbeld, maar de aanpassingen die ze vragen, liggen in de lijn van onze doelstellingen.

“Daarna moeten we werk maken van de vergunningen. Op een plek als deze is dat complexer dan normaal. Daarna moeten we een aannemer zoeken en gaan de werken van start. De timing is afgestemd op de start van de Olympische Spelen, in de zomer van 2024. President Macron had beloofd dat de kathedraal dan helemaal gerenoveerd zou zijn. Intussen is de ambitie bijgesteld van ‘helemaal klaar’ naar ‘gedeeltelijk toegankelijk’.”

Had u verwacht dat u zou winnen?

“Nee, eerlijk gezegd niet. We waren een van de vier deelnemende teams, en het was ook maar de vraag of je als Belg zo’n project wel kunt binnenhalen in Frankrijk. Het is een iconische plaats: le point zéro, het nulpunt van Frankrijk vanwaar de afstand naar andere steden wordt berekend. Dat heeft ons kennelijk op geen enkel moment parten gespeeld, we hebben het verschil gemaakt met het ontwerp.

“Omdat de opgave zo enorm was, kon ik paradoxaal genoeg bevrijd werken, zonder compromissen. Als ik hier in Brussel werk, trek ik de rem soms wat aan omdat ik intussen kan inschatten wat wel en wat niet geapprecieerd wordt. Dat heb ik in Parijs níét gedaan: dit keer wist ik dat alles juist zat.”

Bas Smets over zijn winnende ontwerp voor de omgeving van de Notre-Dame: ‘Omdat de opgave zo enorm was, kon ik paradoxaal genoeg bevrijd werken, zonder compromissen.’ Beeld Studio Alma pour le Groupement BBS
Bas Smets over zijn winnende ontwerp voor de omgeving van de Notre-Dame: ‘Omdat de opgave zo enorm was, kon ik paradoxaal genoeg bevrijd werken, zonder compromissen.’Beeld Studio Alma pour le Groupement BBS

Na de bekendmaking wierp u in De afspraak al licht op uw werkwijze, die steunt op gelijke delen analyse en intuïtie.

“Ik hoed me voor esoterie, maar ik geloof dat er een soort kennis bestaat die niet zuiver analytisch is, dat klopt. Wij stammen af van dieren, hebben ooit in bomen gewoond en hebben moeten leren om ons te beschermen: dat zit in ons DNA en instinct. Als ik op een site rondloop, begrijp ik ze beter dan wanneer ik boven plannen gebogen sta.

“Ook in Parijs wilde ik de grond onder de voeten voelen, ik moest rond de kathedraal stappen om de aansluiting met de stad te ervaren. Ik ben er drie keer geweest: bijzondere ervaring. Ik kreeg eerst les over loodvergiftiging − bij de brand is vierhonderd ton lood vrijgekomen, en dat wil je niet binnenkrijgen – en nadien moesten we al onze kleren uitdoen en ons in papieren ondergoed en een beschermend pak hijsen. Het leek wel Tsjernobyl.”

Analyseert u, naast die afstappingen in levenden lijve, zo’n site ook tot twee cijfers na de komma?

(knikt) “Hoe ziet de ondergrond eruit? Waar is die doorlaatbaar en waar niet? Hoe vochtig is de lucht in de zomer? Vanwaar komt de wind? In de zomer wil je de wind naar de pleinen leiden, in de winter juist niet. Door al die parameters te onderzoeken, proberen we een optimaal outdoorcomfort te creëren. Ons ontwerp voor het Luma-park in Arles, dat we vorig jaar hebben gerealiseerd, was in die zin een grootschalig experiment.”

U hebt het klimaat daar een duw gegeven, met niets anders dan geboomte en ander gebladerte.

“Tachtigduizend aanplantingen. Wie daar vroeger passeerde, kreeg barstende hoofdpijn van de hitte. Je liep er bovenop een betonnen plaat die een microklimaat creëerde dat overeenkomt met een halfwoestijn. We hebben het laten opmeten: de gevoelstemperatuur liep daar in de zomer op tot 45, 50 graden. We zijn erin geslaagd om dat terug te brengen naar 25.”

Ik was deze zomer in het fabelachtige maar broeierige Cádiz. Op de boulevards langs de oceaan staan daar eeuwenoude ficussen. Als je daar onderdoor loopt, lijkt het alsof je de koelruimte van de Colruyt binnenwandelt.

“Het is exact dát. Het is wetenschappelijk aangetoond dat het onder een volwassen eik vier graden koeler is dan eromheen. Zo’n eik heeft een bladeroppervlakte van een hectare, en elk blad verdampt water, wat voor instant verkoeling zorgt. Een gebouw heeft ook een schaduwkant, maar die heeft lang niet hetzelfde effect als een boom.

“Ik heb voor het eerst rond het klimaat gewerkt in 2010, toen ik voor een klant in het centrum van Londen een binnenkoer moest inrichten. Die koer was helemaal ingesloten door hoge gebouwen: het was er donker, er was geen wind en in de winter was het er 4 graden warmer dan op straat – de omliggende gebouwen waren slecht geïsoleerd. Als ik daar een London plane (gewone plataan, red.) had geplant, was die nu dood. We hebben toen boomvarens uit Nieuw-Zeeland laten komen, bomen die goed gedijen in de onderste lagen van een subtropisch woud waar amper zonlicht doordringt. Dat was de eerste keer dat ik een antwoord heb geformuleerd op een microklimaat.

Smets’ ontwerp voor de publieke ruimte rond de Brusselse Noord-Zuidverbinding. Beeld Bureau Bas Smets
Smets’ ontwerp voor de publieke ruimte rond de Brusselse Noord-Zuidverbinding.Beeld Bureau Bas Smets

“Ik begreep ook meteen dat ik, andersom, microklimaten kan máken met planten en bomen. Elk levend wezen verandert zijn omgeving, en planten nog het meest van al. Onze atmosfeer is pas ontstaan toen de planten uit de oceaan aan land zijn gekomen. Ik ben goed bevriend met Emanuele Coccia, een Italiaanse filosoof en schrijver van La vie des plantes: omdat planten niet kunnen weglopen wanneer ze in gevaar zijn, manipuleren ze hun omgeving. Díé kracht, díé logica van de natuur zet ik in om het klimaat te veranderen.

(werpt blik naar buiten) “Je hebt hier een mooi uitzicht op de stad: eigenlijk is dat een aaneenschakeling van microklimaten. Wij hebben die de voorbije eeuwen artificieel veranderd. Het goede nieuws is dat we die opnieuw kunnen veranderen. Ik bekijk de stad als nieuwe natuur. Als een hacker breek ik in de bestaande logica in, om verandering teweeg te brengen. Dat hebben we ver doorgedreven in Arles, en nu ook in Parijs.

“We gaan de bomen zo aanplanten dat ze in de zomer de wind naar het plein leiden. In de winter blokkeren we ze in de Rue du Cloître-­Notre-Dame, waar de bezoekers aanschuiven. De parvis, het plein voor de kathedraal, moesten we openlaten: er vinden 270 activiteiten per jaar plaats, daar moet veel volk bijeen kunnen staan. Ik heb lang nagedacht en een oplossing gevonden die typisch is voor Parijs.

“Je hebt daar een reseau d’eau non potable, een parallel watercircuit uit de tijd van Haussmann (Georges-Eugène baron Haussmann, de stedenbouwkundige wiens naam is verbonden met het Parijs dat we vandaag kennen, red.). Dat water wordt gebruikt om de parken en plantsoenen te bevloeien en de straten schoon te maken. Tijdens het onderzoek was ik op middel­eeuwse voorbeelden gebotst: onder meer in Fribourg werd water gebruikt om de stad af te koelen.

“In Japan bestaat de traditie dat mensen op de warmste dagen naar buiten komen om een kom water op straat leeg te kieperen. Aan de Notre-Dame zullen we op warme dagen een paar keer per dag water in kleine golfjes naar beneden laten stromen. De oppervlaktetemperatuur zal met 10 graden dalen, de gevoelstemperatuur met 5 graden. Dat is het effect van een stortbui in de zomer. Het fijne is ook dat je dan reflecties krijgt die heel snel verdampen, wat volgens mij een geweldig evenement zal zijn. Zoals de kleine lichtjes op de Eiffeltoren die om het uur fonkelen, dat blíjft mooi. Ik wil een gelijkaardige afspraak maken met de bezoeker. We gaan nu met de stad en het bisdom praten over de frequentie.”

Wat vindt de monseigneur van uw plannen?

‘Monsieur Smets, vous nous proposez de marcher sur l’eau?’ Dat had ik zelf nooit durven te suggereren. (lacht) Andere mensen vinden het dan weer symbolisch dat we water brengen naar de kerk die is afgebrand. Iedereen leest er iets anders in. Ik wil dat een bezoek aan de Notre-Dame meer wordt dan een foto van de gevel. Ik heb dat ook tijdens mijn juryverdediging gezegd: ‘Au-delà de la forme, c’est une expérience que l’on propose.’

“Echte Parijzenaars gaan nu in een grote boog rond die plek, ik wil graag dat ze terugkomen − om te picknicken en met de kinderen te spelen. Ons park zal de enige plek zijn langs de Seine waar je op het gras kunt zitten, met zicht op de kathedraal en het Panthéon. Ik denk dat dat uniek wordt.”

‘Niets is onherstelbaar, maar misschien hebben we nog enkele rampen nodig voor er schot in de zaak komt. Na een overstroming is plots veel mogelijk.’ Beeld Thomas Nolf
‘Niets is onherstelbaar, maar misschien hebben we nog enkele rampen nodig voor er schot in de zaak komt. Na een overstroming is plots veel mogelijk.’Beeld Thomas Nolf

We ondervinden het deze lamlendige zomer allemaal aan den lijve, maar u zit er als landschapsarchitect met de neus op: het gaat vooruit, die klimaatverandering.

“It’s happening.” (lachje)

Maakt u zich zorgen?

“Natuurlijk maak ik me zorgen. Wij hebben deze zomer een roadtrip gemaakt door het noorden van Italië en het zuiden van Frankrijk, en ik zag dat veel bomen hun bladeren al aan het verliezen waren. Ik kon mijn ogen niet geloven! Dat is een verdedigingsmechanisme: als bomen meer water verdampen dan ze uit de bodem halen, gooien ze hun bladeren af. Dat betekent dat ze minder fotosynthese hebben gedaan, wat ze kwetsbaarder maakt voor insecten en ziekten.

“Er is geen probleem als dit jaar een uitzondering is, maar ik denk niet dat dit jaar uitzonderlijk zal blijken. We zijn deze zomer ook langs het meer van Serre-Ponçon gereden, aan de voet van de Alpen: het waterpeil is al dertien meter gezakt, ze verwachten dat daar nog eens negen meter van zal afgaan. Vind dat water maar eens terug, als de gletsjers zijn gesmolten.”

Dat de Belgische landschappen weinig klimaatrobuust zijn, is de voorbije twee zomers duidelijk geworden. De Ardense valleien zijn niet opgewassen tegen massale regenval, door de droogte craqueleert het Vlaamse vlakke land als een zoutvlakte in Bolivia.

“Het is bijna een communautaire kwestie: Vlaanderen de droogte, Wallonië de overstromingen. Misschien kunnen ze elkaar helpen met elkaars probleem?”

Vlaanderen is niet alleen kurkdroog, het is grotendeels spuuglelijk. Bloedt het hart van een landschapsarchitect wanneer hij over een Kempische steenweg rijdt?

“Die eindeloze lintbebouwingen en het Verkavelde Vlaanderen, om het met Suske en Wiske te zeggen: (siddert) dat kan ik niet aan. Anderzijds… (denkt na) Die ongeregeldheid gaat ook gepaard met een soort vrolijkheid en ondernemerschap. Wie een bandencentrale of Chinese frituur achter zijn huis wilde bouwen, dééd dat gewoon.

“Mijn eerste studie voor de KU Leuven had als titel: Strategieën voor een land zonder landschap. Ik heb me daar niet populair mee gemaakt, maar dat is een boutade waarmee ik wil zeggen dat een land pas landschap wordt door de manier waarop je ernaar kijkt. Daar ging mijn expo in Bozar ook over: een landschap is een mentale constructie. Het woord ‘landschap’ is eigenlijk pas in de vijftiende eeuw ontstaan, om een nieuw genre in de schilderkunst te benoemen.

“Pas in de achttiende eeuw zijn we het woord gaan gebruiken in relatie tot het fysieke land. Pas dan werd het ‘landschap’ het collectieve beeld van een territorium. Wie aan de Landes denkt, ziet meteen een duidelijk beeld voor zijn geestesoog. De Zwitserse Alpen: idem. Bij Nederland denk je meteen aan door de mens gemaakte polders. Daar hebben wij er ook wel wat van, het is zelfs onze uitvinding: als je Bart Van Loo mag geloven zijn de Bourgondiërs ermee begonnen.

“We hebben ook de Ardennen, wat kasteel­domeinen, het Zoniënwoud en functioneel ingerichte landbouwgebieden. Maar er bestaat geen collectief beeld van het Belgische landschap. Daardoor biedt dat landschap weinig weerstand tegen verstedelijking en uitbreidingen van wegeninfrastructuur en landbouwgebied. Zoals Urbanus zegt: als we in België een bos hebben, trekken we er een snelweg door zodat we er twee hebben. (lacht) Het Zoniënwoud wordt in stukken gescheurd door de Brusselse Ring en de E411: dat toont dat we het geen belangrijk landschap vonden.”

Groen, groener, groenst: de Sunken Garden in Londen. Beeld François Halard
Groen, groener, groenst: de Sunken Garden in Londen.Beeld François Halard

Is de schade nog herstelbaar?

“Niets is onherstelbaar, maar misschien hebben we nog enkele rampen nodig voor er schot in de zaak komt. Na een overstroming zie je dat plots veel mogelijk is.”

Zoals het gehucht Herbricht langs de Maas, dat na verschillende overstromingen onteigend werd.

“Het is duidelijk dat we dringend anders moeten omgaan met onze ruimte. Maar er is ook een positieve kant: precies doordat Vlaanderen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, niet gehinderd wordt door uitgesproken topografische hindernissen zoals bergen en valleien, kun je er veel doen. Vlaanderen is een wit doek. Met het weinige wat er is kunnen we een nieuw framework bedenken, zodat de weinige waterlopen die we hebben weer kunnen meanderen en zo meer water kunnen dragen.”

De Blue Deal van Vlaams minister van Omgeving Zuhal Demir (N-VA) is een eerste aanzet om de waterige natuur weer natuur te laten zijn.

“Ja, maar je kunt ook ingrijpen in de bebouwde ruimtes. Als landschapsarchitect zie ik de stad als een opportuniteit. Een stad is eigenlijk een grote kom, met al haar verhardingen is ze perfect geschikt om water op te vangen. Het probleem is dat we dat water meteen afvoeren naar zee, waardoor laaggelegen gebieden overstromen en het grondwaterpeil zo laag zakt dat bomen die er al honderd jaar staan geen water meer hebben.”

U bent door de Brusselse regering aangesteld om de Noord-Zuidverbinding opnieuw uit te vinden, de treintunnel die de stad in twee stukken snijdt. Een litteken in het stadsweefsel, maar u wil dat inzetten in de strijd tegen de klimaatopwarming.

“Ik ken die verbinding goed, ik heb er twintig jaar geleden mijn thesis over geschreven. We hebben ons lang blindgestaard op het dak van die tunnel, waar je niet op kunt bouwen en geen groot park kunt inrichten. Ik heb geprobeerd om er anders naar te kijken, alsof ik een lange wandeling maakte door een stuk natuur dat ik nog nooit eerder had gezien. Zo zag ik plots in dat die tunnel ook een zijkant heeft, die als een rotsmassief drie kilometer lang door de stad loopt. Een ondergrondse dijk, ook: je zou alles ernaast kunnen openmaken en daar regenwater opvangen. Als je op die plek dan een lineair urban forest aanlegt, kun je dat water terug in de atmosfeer pompen en koelte in de stad brengen. Het zal in die regenwouden aangenaam toeven zijn.”

Zullen ze ook mooi zijn, want u zei ooit dat een landschap niet per se schoon moet zijn.

(lacht) “Moeilijke discussie, want ik kan een functioneel landschap heel schoon vinden. Ik bedoelde vooral dat de fotografische kwaliteit van een landschap niet volstaat. L’embellissement de la ville als doel op zich is een negentiende-eeuws idee. Hoe de stad eruitziet zal bijkomstig blijken; de klimaatopwarming is nu de eerste prioriteit. We moeten de stad leefbaar maken voor de kinderen die er opgroeien. En wel nú.”

Toen u de Notre-Dame had binnengehaald, vroeg Marc Didden zich af waarom de stad u niet inschakelt om het Beursplein en het De Brouckèreplein aan te pakken: ‘die liggen erbij als bescheten kattenbakken.’

(lacht) “Ik heb de laatste jaren veel wedstrijden verloren in Brussel.”

Wat vindt u als insider van de voetgangers­zone, die bovengenoemde pleinen verbindt en op zijn zachtst gezegd omstreden is?

(aarzelt) “Het is moeilijk om mij daarover uit te spreken. Ik zie veel goede dingen, maar ik zie ook altijd wat ik zélf zou doen. Niet beter, ánders: daar wil ik heel nederig in zijn. In elk geval is de piétonnier een enorme verbetering voor de gebruiker. Je kunt er nu veilig met je kind rondlopen, in de zomer zorgen waterpartijen voor verkoeling.”

U was vorige week in de States: daar heeft u wellicht uw hart kunnen ophalen qua landschappen.

“Ik heb een jaar in Oregon gewoond, waar 80 procent van de oppervlakte natuur is. Ik keek er uit op de kammen van de Rockies, op een klare dag zag ik de bergen in Washington State. Je kunt zeggen wat je wilt, maar Amerikanen hebben respect voor hun landschappen. Ik was 18 en dat jaar heeft mij, kind van het vlakke land, zwaar beïnvloed. De band met de States gaat nooit meer weg.

“Vorige week was ik in New York, voor het werk. Ik had niet veel vrije tijd, maar tussen twee meetings door ben ik vijf uur gaan stappen in Central Park. De volgende dag ben ik vroeg opgestaan en heb ik Prospect Park in Brooklyn bezocht, ook een ontwerp van Frederick Law Olmsted. Dat zijn totaal artificiële constructies: ik zie waarom Olmsted op de ene plek een rots legt, en waar hij trappen heeft ingesneden. Daar rondwandelen is werken voor mij, maar ik kan nog altijd genieten van een goeie vondst: ‘Dat moet ik onthouden.’”

Het ‘parc des ateliers’ Luma in Arles. Bas Smets: ‘We probeerden hier een optimaal outdoorcomfort te creëren.’ Beeld Iwan Baan
Het ‘parc des ateliers’ Luma in Arles. Bas Smets: ‘We probeerden hier een optimaal outdoorcomfort te creëren.’Beeld Iwan Baan

Central Park is als pornografie voor een stadsplanner, maar het drukt je ook met de neus op de feiten: zulke plekken gaan, ondanks alle intenties, een eigen leven leiden. Na de voltooiing raakte Central Park in verval, het was lange tijd een rovershol waar je je niet wilde vertonen.

“Het is een grote plek, natuurlijk. Maar Olmsted was een visionair: hij heeft dat park in de 19de eeuw ontworpen voor het New York van de 21ste eeuw. In zijn tijd was het veel te groot, maar de grond was toen nog niet te duur. En dat is geen vaststelling in hindsight, hij heeft zelf geschreven dat het park bedoeld was voor de werkende generaties die niet de kans zouden hebben om op vakantie te gaan.”

Het is ongelooflijk dat die lap grond van 450 hectare al bijna twee eeuwen uit de klauwen van de ontwikkelaars is gebleven, in een stad waar ze vechten over elke morzel grond.

“Central Park zit in de kern van de identiteit van New York. Dat is de kracht ervan. Het is typisch een landschap dat wel weerstand kan bieden tegen ingrepen van buitenaf.”

Hier in Brussel hebben projectontwikkelaars lelijk huisgehouden. Ten bewijze: de Noordwijk die achter uw linkerschouder in de zon blikkert.

“Andere mensen moeten zich bezighouden met de fouten van het verleden, mij interesseert hoe de stad er nu bijligt en hoe ze er morgen kan uitzien. Zoals Olmsted moeten we vooruitdenken en een stad ontwerpen die bestand is tegen de temperaturen van over tien jaar. Laten we ophouden met discussiëren over hoevéél warmer het zal zijn. Tijdsverspilling: dat het veel te warm zal zijn, dat weten we zeker.”

U woont nu in Elsene, maar u bent opgegroeid aan de andere kant van het bos, in Tervuren. Vormen die glooiingen en eeuwenoude beuken van Zoniënwoud het landschap van uw jeugd?

“Als iemand mij vraagt vanwaar ik ben, zeg ik: Tervuren, omdat ik daar heb gewoond vanaf mijn zevende. Maar daarvoor zijn wij vaak verhuisd. We hebben in Steenhuffel en Duinbergen gewoond. De eerste drie jaar van mijn leven woonden wij tussen Congo en Algerije: mijn vader heeft er zijn burgerdienst gedaan, hij is burgerlijk ingenieur en heeft er spoorwegen aangelegd. Hij is net 78 geworden en is al meer dan tien jaar financieel directeur van het kantoor. Doordat we zoveel gevoyageerd hebben tijdens mijn prille jeugd, heb ik eigenlijk geen duidelijke roots, ik ben niet zo verankerd als sommige van mijn vrienden, wier families al generaties lang in hun dorp of stad wonen.”

Misschien bent u daarom zo goed in uw werk: u moest vaak verkassen, vaak nieuwe omgevingen in u opnemen. Kunt u daardoor nu de perfecte synthese maken?

“Dat is voer voor psychologen. (lacht) Maar het klopt dat ik altijd wel de drang voel om een plek te leren kennen en te doorgronden. Waar ik ook kom, wil ik het landschap lezen.

“Het is mijn sterke overtuiging dat je als landschapsarchitect een betere plek van de wereld kunt maken. Ik voel een soort verplichting op optimistisch te zijn, dat moet in deze moeilijke tijden. Anders kunnen we hier evengoed uit het raam springen. Wat op deze tiende verdieping bijzonder fataal zou zijn.”

Dat zou u wel in stijl doen, want u bent valschermspringer.

(lacht) “Daar ben ik mee gestopt sinds de geboorte van mijn dochter. Vroeger dacht ik: als ik te pletter val, is dat alleen mijn probleem. Nu kan ik niet leven met de idee dat mijn vriendin ooit aan mijn dochter zou moeten uitleggen dat haar vader er niet meer is omdat hij voor zijn plezier uit vliegtuigen wilde springen. Maar ik heb wel tweehonderd sprongen gedaan, een beetje overal in de wereld.”

Bas Smets over de verfoeide Noordwijk die achter hem ligt: ‘Ik hou me niet bezig met de fouten uit het verleden, wel met hoe de stad er morgen kan uitzien.’  Beeld Thomas Nolf
Bas Smets over de verfoeide Noordwijk die achter hem ligt: ‘Ik hou me niet bezig met de fouten uit het verleden, wel met hoe de stad er morgen kan uitzien.’Beeld Thomas Nolf

Was dat ook een manier om nog beter naar het landschap te kijken?

“Als ik in het vliegtuig zat, was ik altijd wel de lijnen van het landschap aan het lezen. Al was het maar vanuit lijfbehoud: je wilt niet in een wijngaard landen, met die staalkabels. (lacht)

“Maar wat je wel leert door met het valscherm te springen, is de beheersing van het moment. Een parachutesprong is een seriële opeenvolging van korte fases die elk vragen om hyperconcentratie. Wanneer je springt, moet je niet bezig zijn met de vraag of je valscherm goed zal openen: dat is een zorg voor later. Als je in groep springt en formaties uitvoert, moet je in dát moment zijn. Als het alarm van je hoogtemeter afgaat, moet je snel en ver genoeg uit elkaar gaan, zodat je valscherm veilig kan opengaan.

“Zo zijn er − tsjak, tsjak, tsjak − verschillende fases waarin niets mag mislopen, je leert de tijd compartimenteren en op een heel lichamelijke manier omgaan met stress. Dat heeft mij zeker geholpen in het leven. Het moment waarop ik de deur opendeed van de zaal van het Parijse Hôtel de Ville, waar de jury van vijftig mensen zat te wachten: dat was als het moment waarop ik uit het vliegtuig spring en aan een vrije val begin. De verdediging duurde twintig minuten in plaats van zestig seconden, maar ik was wel 100 procent in het moment, en met niets anders bezig dan de presentatie van mijn ontwerp.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234