Zondag 19/09/2021

Archeologen van het niets

Zonder de spanning tussen taal en werkelijkheid is er geen poëzie. Zoals in de Franse film: er wordt veel naar elkaar gekeken, er wordt veel gepraat, maar ze krijgen elkaar nooit volledig. Over de werkelijkheid en hoe die aanwezig te maken, gaat het in de nieuwe bundels van Bernlef, Peter van Lier en Ad Zuiderent.

In het verleden wezen autonomistische dichters graag op de kloof tussen poëzie en werkelijkheid. Als poëzie zich van de wereld zou afwenden, zou ze zelfs 'kritisch' zijn. Een gedachte die de beste garantie op wereldvreemdheid biedt. Ik denk dat een gedicht in deze tijd pas betekenis krijgt als het zijn dwarsverbindingen met de werkelijkheid laat zien, wat niet betekent dat een dichter louter op het referentiële karakter kan vertrouwen. Hij moet ermee aan de slag. Het gedicht kan zijn voordeel halen uit het verschil tussen taal en werkelijkheid om de lezer uit evenwicht te brengen en hem zo een andere ervaring van het reële te bezorgen.

In elk geval: het gaat nog altijd wat er met taal binnen een gedicht gebeurt, maar er mag voor mij genoeg wereld in.

Bernlef, Van Lier en Zuiderent laten zien hoe ver je de deur open kunt zetten. De evolutie van Bernlefs poëzie gaat daar precies over. In de jaren zestig, de tijd toen hij debuteerde, was de realiteit de enige poëzieleverancier. Poëzie lag bij wijze van spreken voor het oprapen op straat. Het was de periode van het tijdschrift Barbarber. In de bundel Rondom een gat (1971) - niet zo'n geslaagde titel, ik weet het - kreeg Bernlef oog voor wat bij de observatie van de werkelijkheid ontsnapte. Zijn gedichten gingen rond die verdwijnpunten cirkelen. Het werden plaatsen van afwezigheid, maar tegelijk ook openingen naar een andere, laten we zeggen reëler soort werkelijkheid die niet te vatten is. Het gat wordt geslagen door het vergeten, door het verdwijnen en door onvolmaakte observatie. De gedichten van Bernlef werden poëzie van het ontbrokene.

In zijn nieuwe bundel Kiezel en traan cirkelen de gedichten nog altijd rond die openingen. En die kunnen met taal niet gedicht worden: "Wantrouwen in grote woorden/ in kleine woorden, voegwoorden/ tussenwerpsels, in het laatste woord/ dat iedereen wil en niemand krijgt." Ook het waarnemende ik van de dichter is ontoereikend. Daarom verplaatst hij zich soms in het perspectief van een grazend paard of desnoods van een fruitvliegje. "Wij horen niets/ toch maakt ook het fruitvliegje geluid// Oneindig versterkt zou het klinken/ als noot door voorgaande opgeroepen/ maar slechts in gedachte gehoord."

In deze bundel zit veel vergankelijkheid, een heikel, want clichématig thema. Maar het wordt boeiend op de plaatsen waar Bernlef de conserverende functie van taal ter discussie stelt. Hij noemt zichzelf ergens een "archeoloog van het niets" die de dingen toelaat om, van iedere betekenis ontdaan, een nieuw bestaan te beginnen: "Steeds fijner zeef ik mijn vondsten uit tot ze/ voor het menselijk oog onzichtbaar zijn// Daar begint mijn rapportage: // Traan, precies duizend jaar oud/ van haar verdriet ontdaan/ kalm glinsterend, diafaan." De dingen zijn getuigen van een wereld waaraan we voorbijkijken. Het is logisch dat Bernlef ons die wereld toont op een verstilde manier, karig met woorden. Ik laat me graag beroeren door het ritme van een gedicht, maar deze verzwegen wereld spreekt ook tot mijn verbeelding. Want afwezigheid, de negatie kan vervullend zijn, zoals het licht doet op de intimistische schilderijen van de Deen Vilhelm Hammershoi, aan wie Bernlef in Kiezel en traan een kleine cyclus wijdt: "Is het zeker, is deze kamer leeg?/ Wat hier ontbreekt zijn/ denkbeeldige penselen// Dan zou ik zien hoe vrouwenhanden/ vazen met boeketten vullen/ de tafel dekken, porseleinen schalen binnendragen// Nu laten alleen open deuren zien/ hoe zij hier in en uit liep/ de donkere drempel/ waar zij overging in licht." Bernlefs gedichten zijn muzikaal. Het is krachtig gebalde, uitgepuurde kamermuziek, al vind je in Kiezel en traan ook een aantal gedichten die spraakzamer zijn. Maar de interessantste zijn die waarin Bernlef de woorden spaarzaam prijsgeeft, zoals hij dat niet toevallig doet in een cyclus opgedragen aan de Hongaarse, sobere componist György Kurtág, die ook al bepalend was voor Bernlefs vorige bundel Bagatellen voor een landschap. Dit gedicht heeft hij bijvoorbeeld in Kiezel en traan weer opgenomen: "(muziek): opent de deur op een kier/ oren spitsen zich// een gesmoord akkoord lost op/ als iemand haastig de kamer verlaat// de deur sluit zich/ buiten verdwijnen voetsporen in de weg." Poëzie betekent voor Bernlef hier niet dingen bewaren, de openingen dichtmaken. Het is net interessant om te zien hoeveel er hem schrijvenderwijs ontsnapt: "vlekken van water of wijn/ afgebroken woorden/ verwarde krabbels op de rand van een krant// Meestal was je afwezig/ liet te veel door je vingers glippen/ wat je overhield niet meer dan een tot kiezel bevroren traan."

Evenmin harmonieus is het wereldbeeld dat Peter van Lier ons in zijn gedichten voorschotelt. Niets laat dat op het eerste gezicht vermoeden. De eerste twee cycli lijken zelfs eerder op proza dan op poëzie. Alsof hij je meeneemt op een zondagswandeling en beschrijft wat hij ziet op het platteland en in de stad. Alleen het commentaar dat hij er tussen haakjes aan toevoegt, maken de tafereeltjes minder onschuldig en vrijblijvend dan ze lijken. Blijkt dan dat ook de gewoonste handelingen bijzondere kantjes kunnen hebben. Neem de tevredenheid, bijna opwinding van vrouwen die de was betasten, net nog voor een regenbui binnengehaald. Of de vader die zijn boerenzoon in enkele oneliners zijn mening komt verkondigen ("of hem dat nu wel of niet zint"). Ja, er is soms onderhuidse dreiging en er zijn kleinigheden die verkeerd lopen. Een oudere vrouw die uitglijdt, een man die moet afremmen voor een laconiek overstekende voetganger. Maar grote drama's spelen zich in deze gedichten niet af. Net daarom zijn ze zo indringend en geloofwaardig. Peter van Lier maakt kiekjes van de werkelijkheid, maar zijn commentaren zorgen voor een intrigerende cadrering. Van Lier hanteert de blik van duiven die het plein, waarop zij volgens het cliché horen te zitten, van op afstand overschouwen. Zo kijkt ook hij als een buitenstaander toe: "Constateren zij (van nature wijs) hoe ver beneden hen (want afstand schept een band) de mens wel erg geforceerd tracht deze middag niet volledig te laten mislukken?- Sommige kinderen krijgen al slaag." De titel van de bundel, Gaandeweg rustieker, wijst op de evolutie in Van Liers werk: hij laat de dingen meer en meer in hun natuurlijke toestand zien. Maar hij toont ook de fricties in de werkelijkheid. De afdelingen 'Wolken...' en 'Vragen aan de zee' zijn precies de interessantste omdat hij die wrijvingen ook in de typografie en in het ritme van de woorden vormgeeft. De werkelijkheid van het gedicht wordt hier reëler dan het ogenschijnlijk rustige eb en vloed van het dagelijkse bestaan: "Weet, na zo'n stormnacht/ aan de kust,/ echt eenieder wel dat de zee/ niet slechts onverstoorbaar golfjes produceert met zoveel/ levenslust dat de meeuwenkolonie ervan daast? Verplaatst,/ in navolging van de krab, een wandelaar (als toerist?) zich// schielijk achterwaarts?// achterwaarts door inzicht?"

Ook in Ad Zuiderents nieuwe bundel Fietser naar niets worden er bewegingen gemaakt, maar dan resoluut voorwaarts op de trappers. Het zijn bij momenten nogal babbelende gedichten, al wordt dat gebabbel duidelijk in het ritme gebracht door de klankkleur. Om dan nog in de cadans te kunnen blijven, moet je interessante gedachten hebben. En Ad Zuiderent heeft die hier en daar. Fietsen naar niets is een bundel waarin je de bundel zelf ziet groeien. Zelden fietst een dichter zijn werk op een zichzelf zo expliciterende manier bijeen en laat hij zich schijnbaar louter door het freewheelen van gedachten drijven: "Je wist wel/ ik wil geen fixatie, geen statement/ dan in het gedicht dat geen hand/ uitsteekt, maar vanzelf in een richting, / fietser naar niets, hoort van ver/ een instrument dat vergeten is,/ de in geen jaren gestemde piano/ in de nog legere kamer,/ bespeeld met een zwevende hand." Zuiderent werkt dit soort rondfietsen door het reële Hollandse landschap en dat van zijn verbeelding volgens mij het best uit in de lange cyclus 'Pinksteren'. Het is een heldere wereld waarin toch ook weer gaten vallen. Zoals de dichter en zijn vrouw, van hun fietstocht thuisgekomen, constateren: "'t Was Pinksteren, het wat niet niets, het was/ afwezigheid van iets, zoiets was het,/ gezelschap was het, tot onder de douche." Het maakt het leven, het gedicht.

Paul Demets

Bernlef

Kiezel en traan

Querido, Amsterdam, 78 p., 17,95 euro.

Peter van Lier

Gaandeweg rustieker

Van Oorschot, Amsterdam, 60 p., 12,50 euro.

Ad Zuiderent

Fietser naar niets

Querido, Amsterdam, 48 p., 16,95 euro.

Bernlef, Van Lier en Zuiderent laten zien hoe ver je de deur open kunt zetten naar de wereld

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234