Maandag 01/03/2021

Anna Luyten

Het vooruitduwen van het hoofd. Het stampen met de voeten, het rollen van de schouders, het stoten met het bekken. Hij had er lang naar gekeken, hoe de vrouw dat deed. Dat zei hij. Een mens kruipt over zijn verleden als een mug, prikkend, bloedzuigend, klaar om doodgeslagen te worden.

Hij liet de tijd jeuken.

'De paden van mijn onrust, ik kan ze u op Google Earth aanwijzen', zei hij.

'Neen', zei ik, 'wij bezoeken ze.'

Ik stapte in zijn auto. Het alarm van zijn Dacia Duster ging af. Hij is met mij weggereden. De man die terugkeek op zichzelf volgde zijn geheugen. Er was geen routeplanner. Op de kaart van Boekarest kleurde ik de wegen in. Nu lijkt het alsof er op het stadsplan een mier getekend staat.

'Mieren zijn een groep van kolonie-vormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Geschat wordt dat de totale biomassa van mieren groter is dan die van alle andere diersoorten op aarde. Omdat mieren overal ter wereld voorkomen (behalve Antarctica), zijn ze één van de succesvolste diergroepen. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, weer andere leven in spleten tussen rotsen.' (bron: Wikipedia, Mieren)

Wij spraken af op een plein.

Er zijn oude beelden waarmee een mens naar Boekarest vertrekt. Kerstdag 1989: twee lijken tegen de stoeprand van een Roemeense kazerne. De man draagt een donker kostuum en een zwarte bontmuts. De vrouw draagt een witte jas, haar bloed loopt als een trage rivier uit haar hoofd. Haar man ligt met de knieën open op het beton, zijn bekken naar de hemel gericht. Nicolae en Elena Ceaușescu. Het is alsof het hoofd van de dictator te veel woog om een knieval te overleven.

Er zijn woorden die blijven hangen. 'Niet doen kinderen, ik ben jullie moedertje', zegt Elena voor haar executie. 1989: of hoe een mens door een terdoodveroordeling wordt teruggeworpen in zijn jeugd. De jongen die Elena's handen vastbindt, had dezelfde leeftijd als ik, toen. Een jonge twintiger. Elena blaft, ze bijt van zich af. 'Raak me niet aan. Bind ons niet vast.' De jongen bindt een wit koord om haar polsen. 'Verneder ons niet zo.' Even later komt de kogelregen.

Ik luisterde in die tijd naar Einstürzende Neubauten.

Die dag werd in Boekarest een Belgische collega-journalist doodgeschoten. Hij was even oud als ik nu ben.

Ik had nog nooit de twijfel op het gezicht van een dictator gezien. En opeens was het op televisie, live, een rechtstreekse uitzending van ontzetting. Hij was 24 jaar lang gewend geweest aan applaus, hij stond voor zes microfoons, hij keek naar honderdduizend mensen die zijn beeltenis en een foto van zijn vrouw in de lucht staken. Op 21 december 1989 stonden ze nog op het balkon van het gebouw van het Centraal Comité.

Ceaușescu: 'Kameraden, mijn oprechte, revolutionaire wensen aan alle inwoners van Boekarest. Ik dank de initiatiefnemers en de organisatoren van deze grote demonstratie.' Toen viel zijn mond open. Zijn rechterhand wuifde niet meer maar weifelde. Het was alsof er een steen in een spiegel werd gegooid. 'Wie is er aan het schieten?' Ze dringen het gebouw binnen. 'Een aardbeving of wat?'

Hij bleef op het balkon staan. De tv-beelden vielen uit. In het geruis was twintig keer na elkaar te horen hoe de man die stalinistischer dan Stalin werd genoemd, zichzelf herhaalde: 'Blijf kalm. Blijf kalm, blijf kalm, kameraden. Blijf kalm.'

Hij scandeerde zijn eigen angst. Het weergalmde.

Hij zei nog dat de pensioenen omhoog zouden gaan. Hij plakte woorden als 'waarborg' en 'integriteit' in een zin samen. En hij zei: 'Het is beter te sterven in de strijd dan slaaf te worden op onze oude grond.' Toen kwam een helikopter hem ophalen.

De massa schreeuwde: 'Olé Olé Olé, Ceaușescu passé!' Op het oude plein, waarop die dag de oprechte, revolutionaire wensen waren uitgesproken, op die oude grond, stierven meer dan duizend burgers. Hoe en waarheen hun bloed stroomde, weet niemand.

En dan, 22 jaar later, ontmoet ik iemand die zegt: 'Ik heb me ingegraven in de bodem, als een paling.'

Ik zeg: 'Men zegt dat uit de huidige gemoedstoestand van een man zijn vroegere daden af te leiden zijn.'

Hij zegt: 'Ik had het anders moeten doen.'

Zo gebeurde het dus dat ik de man die terugkeek naar zichzelf tegenkwam. Hij stond op het Plein van de Revolutie, voor de centrale academische bibliotheek.

In de jaren zeventig had hij dagelijks de lange tocht naar de bibliotheek gemaakt. Te voet. Hij kwam er om te lezen. Hij was geboren in Transsylvanië. Waar nu het Radisson Hotel staat, ging hij naar een koffiehuis. De boeken die hij toen gelezen heeft, zijn tijdens de revolutie van '89 uit de ramen gegooid en verbrand. 'Toen ik hier na de revolutie aankwam, lagen op de grond vijfhonderdduizend boeken en bijna vierduizend manuscripten te smeulen.'

Hij parkeerde zijn auto voor het Hilton, een gebouw uit 1916, waar hij in de jaren tachtig in de bar Americain vele buitenlandse journalisten had ontmoet. 'Op deze parking vond de explosie plaats die het volk tijdens de toespraak van Ceaușescu zo deed opschrikken.' Hij wees naar het Ateneu, het concertgebouw waarvoor de burgers van Roemenië in de negentiende eeuw geld hadden samengelegd. 'Geef een leu voor het Ateneu...' Hij sprak slogans uit een andere tijd.

In de muren van het kunstmuseum, gehuisvest in het vroegere koninklijk paleis, zaten nog kogelgaten van in 1989. Ook die toonde hij. Het museum was inmiddels gerestaureerd. De man die - zoals ieder mens - een museum huisvestte, wist dat een mens niet te restaureren is. Hij had het wel geprobeerd. 'Ik ben vier keer getrouwd geweest,' zei hij. 'Nu woon ik alleen met mijn achtjarige adoptiezoon in een groot huis, diep in een bos ten noorden van Boekarest.'

'Er zijn vele manieren om een bruidsjurk te vernietigen. Een ervan is de mot er in te laten kruipen', zei ik.

Toen ben ik in de Dacia gestapt.

Nu rijden we over de lange Laan van de Overwinning. Hij toont me de theaters en het gebouw van de redactie waar hij, plattelandsjongen, in de jaren zeventig, zijn werk als verslaggever voor een studentenmagazine is begonnen. 'Vanuit een van de ramen konden alle redacteurs recht in die tuin kijken.' De tuin is langs de straatkant verborgen achter een hoge muur. "In de zomer lag in die tuin dagelijks een vrouw in de zon. Ze had prachtig lang haar. Ze ging zelden de straat op. Ze was teruggetrokken. Op een dag zei iemand mij: 'Die vrouw was ooit de vrouw van keizer Bokassa. Het is Gabriella Bokassa die daar zit.' De befaamde blonde met de groene ogen."

Gabriella Drimbo was de twaalfde van de zevenendertig vrouwen van Jean-Bédel Bokassa. De keizer van de Centraal-Afrikaanse Republiek had haar tijdens een bezoek aan zijn vriend Ceauşescu in een club in Boekarest zien dansen. Hij was onmiddellijk verliefd geworden. Ze woonde als een levende legende in Bangui. Haar seksleven zou buitensporig uitbundig zijn geweest en kostte het leven aan verschillende mannen toen Bokassa haar bedgeheimen ontdekte. Eind jaren zeventig was ze uit het paleis dat de ooit verliefde keizer voor haar had gebouwd verbannen, gevlucht of beide. 'Ze meed iedereen', zegt de man die in Boekarest iedere zomerdag naar haar eenzaamheid had gekeken.

Hij rijdt naar de plek waar hij met zijn eerste vrouw had gewoond, de plek waar hij als pas afgestudeerde jongen met zijn meisje het geluk had gezocht. Ik zie hoe nu langs de weg bouwprojecten groeien. 'Corruptie', zegt de man. Ik zie de grote reclameborden voor H&M-kleding. Ik zie een shoppingcenter. 'Op deze plek wilde Ceauşescu voor de arbeiders een communistische kantine van drieduizend vierkante meter laten bouwen. Iedereen kon er komen eten, zodat er in de huishoudens minder elektriciteit nodig was', zegt de man. 'Het project raakte niet af. Turken hebben het gebouw opgekocht en er een winkelpaleis van gemaakt.' Op de hoek van de boulevard lijkt het alsof jaren geleden alle bouwvakkers zijn gevlucht uit een groot gebouw. 'Dit moest de nationale bibliotheek van Ceauşescu worden.'

De man stopt voor een oud complex. Hier had hij in de stad voor het eerst zijn nest gevonden. 'Het waren de oude stallingen voor de paarden van de keizer', zegt hij. 'De huizen voor de infanteristen werden omgebouwd tot studentenkamers. Hier groeiden mijn dromen.' Hij wijst naar het raam op de tweede verdieping waarachter hij altijd gewoond had. 'Aan de overkant van het huis was een kraamkliniek.' Hij herinnert zich het gekrijs van vrouwen in barensweeën en kinderen die op de wereld kwamen. Hij had gezien hoe de hele wijk rondom hem gesloopt werd omdat de Roemeense president er een paleis wilde bouwen. Hij herinnert zich ook nog het geluid van de boren in het beton, dag en nacht. 'Want er moest een ondergrondse tunnel naar het paleis komen.'

Het paleis zou het Huis van het Volk heten. Als een versteende megalomane droom staat het in de koude wind. Na het Pentagon het grootste gebouw ter wereld en Roemeens Parlementspaleis sinds 1994. De man wandelt rond het huis dat vroeger de kraamkliniek was. Op het bord in een vervallen wachtruimte leest hij: 'Dagcentrum voor verlaten straatkinderen.' We gaan naar binnen. Een bewaker zegt: 'Er zijn er vandaag weer vijftien binnengebracht. We desinfecteren ze.'

'De verkeerssituatie is veranderd', zegt de man. We rijden verder de stad uit. Naar de wijk waar hij in de jaren tachtig woonde. Aangekomen bij een rotonde, zie ik hem twijfelen. Piața Danny Huwé. In het midden van de rotonde lees ik op de gedenkplaat de naam van de Belgische kennis die hier tijdens de revolutie door een sluipschutter werd vermoord.

'Toen de revolutie in Boekarest uitbrak, was ik in het zuiden van Jordanië om verslag uit te brengen over de Roemeense fabrieken in het Midden-Oosten. We zagen op de telex dat het regime van Ceauşescu gevallen was. We zijn met de auto vanuit Amman teruggereden. Toen we hier aankwamen, met een koffer vol bananen, was de revolutie een feit.'

Na een korte stilte zegt hij: 'Mensen leren nooit uit vorige revoluties. De massa leert op een bepaald moment haar kracht kennen, maar verliest haar macht weer snel. Onderschat de manipulaties tijdens revoluties niet. In alle revoluties in de geschiedenis zijn mensen opgeofferd om de zenuwen van de massa te doen ontploffen en om de wraaklust van het volk te peilen. De enigen die uit een revolutie leren, zijn zij die revoluties willen veroorzaken.'

We komen op Drumul Taberei. 'Kampweg', vertaalt hij. We rijden langs allemaal dezelfde grijze woonblokken. 'Mijn God, het is meer dan twintig jaar geleden dat ik hier nog geweest ben.' En hij wijst naar het appartement waar hij ooit woonde. We kloppen aan. Niemand doet open. We bellen aan bij de buren. Zij herkennen hem na al die jaren nog. We drinken samen koffie. Op hun boekenplanken lees ik de ruggen van hun boeken: Balzac, Zola en Melville. Ze tonen de foto's van kinderen die nu al getrouwd zijn. 'In het huis waar u in de jaren tachtig met uw vrouw woonde, wonen nu getuigen van Jehova', zeggen de buren. 'Ze doen voor niemand open.'

De man neemt afscheid van de mensen uit zijn verleden. Hij kijkt naar de huizen. 'Uitgeleefd', zegt hij, alsof hij het over zichzelf heeft. Hij zegt: 'Ik weet welke fouten ik in mijn leven heb begaan. Ik heb nooit met het regime meegedaan, maar ik heb er me ook niet tegen verzet. Ik probeerde ermee te leven. Ik had, toen ik jong en sterk was, tegen het regime moeten opkomen. Ik had toen mensen rond me moeten verzamelen. Ik had, ik had, ik had ...'

'Ik heb', zegt hij en hij hapert. "Ik heb hier op een dag een vrouw ontmoet. Ik was bijna veertig. Ik zag haar in een van de winkels tussen de huizenblokken in Drumul Taberei. Ik was naar buiten gelopen om sigaretten, koffie en toiletpapier te kopen. Ik leefde in die tijd alleen. Ik had niet meer nodig dan sigaretten, koffie en toiletpapier. Wij zijn verliefd geworden. Nu herinner ik me de kleur van haar ogen niet meer. Op een warme zomerdag lagen we naakt naast elkaar in bed. Loom. En ze stelt me een 'vraag, opeens: 'Doe je mee? Kom je in onze groep om het regime omver te werpen?' Ik voel nog de schok. 'Ze is een spionne', dacht ik. 'Ze wil me uithoren.' Het regime had ons zo in zijn greep dat dat mijn eerste gedachte was."

'En wat hebt u gezegd?'

'Niets.'

'Geen ja of geen neen?'

"Geen antwoord geven was de enige manier. Ik heb een sigaret opgestoken. Ik begon te lachen. Maar een 'ja' of een 'neen' heb ik niet over mijn lippen gekregen."

"Toen had ik 'ja' moeten zeggen", zegt de man. En opeens zie ik wat hem gesloopt heeft: wroeging. Gestolde wroeging.

"Ze wilde altijd gaan zwemmen. In zwembaden of in meren, ze zwom in ieder water. Ik zwem graag, maar zij was fanatiek en geobsedeerd. Ze zwom de kilometers en de uren aan elkaar. 'Ben je gek?', vroeg ik haar. 'Ik zit hier maar te wachten op de oever en het boek dat ik lees is saai en jij blijft maar zwemmen.' 'Ik wil ontsnappen', zei ze."

In die dagen, augustus 1984, begon een stuk in een Amerikaanse krant met een korte beschrijving: 'Novi Sip. Joegoslavië. Er groeit wilde klimop rond de houten paaltjes die de anonieme graven markeren op het kerkhof van het Servische dorp Novi Sip. Hier liggen de dode Roemenen die hebben geprobeerd de Donau over te zwemmen op zoek naar de vrijheid. Sommigen zijn er in geslaagd. Maar velen werden door de grenswachters al zwemmend doodgeschoten, anderen verdronken door uitputting.'

'Haar is het wel gelukt', zegt de man, drie decennia later. 'Dat heb ik van horen zeggen. Ik had de relatie verbroken. Ik kon haar droom niet delen. Ik wilde in mijn thuisland stukjes over voetbal blijven schrijven, want zo kon ik reizen en bleef ik uit het zog van de politiek. En ik had mijn ouders nog, ik was hun enige zoon, ik kon ze hier niet alleen achterlaten. Nooit heb ik nog iets van die vrouw vernomen.'

'En hebt u haar dan nooit gegoogeld?'

'Ik googel geen vrouwen die ik heb bemind.'

'Ik zou haar googelen.'

'Ik heb het ooit bij mijn eerste vrouw gedaan. Ik heb haar gezocht onder haar meisjesnaam en vond niets. Toen heb ik haar naam gecombineerd met de naam van een man op wie ik ooit jaloers was. Zo heb ik haar gevonden. Neen. Ik googel geen vrouwen meer die ik ooit heb bemind.'

En ik kijk naar de man, in deze vreemde stad, en ik denk aan de dagen waarop hij in bed lag met een altijd zwemmende vrouw en hoe zij haar benen om hem heen had geslagen. En hoe ze zich verstrengelden. Als een octopus. Een beest met drie harten. En dat het vlees van een octopus eigenlijk te taai is om op te eten. En dat de meeste koks het beest tientallen keer op een harde ondergrond smijten om het eetbaar te maken. Maar dat het naar verluidt ook helpt het beest in te vriezen. Ik zie iets bevrorens in de man.

We verlaten de Kampweg en rijden naar de buitenste ring van de stad. Tram 41 komt voorbij. Richting Ghencea. We rijden voorbij het kerkhof met het graf van Ceauşescu en zijn vrouw. 'Ik vluchtte vroeger altijd naar de buitenwijken van de stad', zegt de man. 'Daar lag het landschap van mijn kindertijd. Daar kon ik uren in wandelen.' We rijden door lege velden. Onverharde wegen. Armetierige huizen. 'Het land begint hier waarde te krijgen', zegt de man en hij wijst de nieuwbouwprojecten en pas gebouwde kerken aan. De wilde honden komen met tientallen op de auto af. Ze blaffen hees.

Terug naar de stad, naar het noorden, de viersterrenhotels, de gloednieuwe kantoorgebouwen, de grote villa's. 'Hoe vaak heb ik deze weg afgelegd?', vraagt de man hardop. Hij moet het zuiden laten bezinken. We rijden langs Arcul de Triumf. Piața Charles De Gaulle. Het is alsof we in een andere stad komen. We rijden een straat in waar tot begin 1990 niemand mocht komen. Boulevardul Primăverii. We kijken naar een lege villa, het huis waar ooit Ceauşescu woonde. We lopen naar het Floreascameer en zien dat er een gezondheidsclub is. 'Dit was vroeger het privézwembad van Ceauşescu en zijn gevolg. Er loopt een onderaardse gang, een privétunnel van de villa naar het zwembad. Hier heeft hij in 1988 zijn laatste nieuwjaar gevierd.' Aan de balie geeft iemand ons een reclamefolder om toe te treden tot de Club Floreasca. De zwemlessen zijn in de aanbieding.

We stoppen bij de laatste halte van tram 41. Op Piața Presei Libere, het plein van de vrije pers. Zwarte vogels vliegen over het gebouw van wat vroeger Combinatul Poligrafic Casa Scînteii 'I.V. Stalin' heette. We gaan langs de rechtervleugel van het gebouw naar binnen. Lange, lege gangen. Iedere twee meter een gesloten deur. De gangen komen op mij af. 'Ik heb hier 31 jaar gewerkt en ik ben normaal gebleven', zegt de man en hij zucht. We gaan de trappen op, naar de tweede verdieping. Zesde deur. Rechts. Een van de vijftig deuren aan iedere kant van de gang. 'Dit was mijn kantoor toen ik nog schreef voor Scînteia Tineretului, de krant die de standpunten van het regime verspreidde.' Onze voetstappen klinken hol. We draaien de koperen klink van zijn kantoor om. De deur is gesloten.

'De tristesse van lege zondagen hangt hier nog altijd. Ik draaide cassettes met operamuziek. Verdi in de buik van de propagandamachine. Vijfduizend mensen werkten hier. Dag en nacht klonk het geluid van de drukpersen. Ze dachten dat ik gek was. Ze vonden me vreemd. Dat was toen mijn redding.' We gaan het hoofdgebouw binnen van wat vroeger het ministerie van Propaganda was. Het is leeg. Hij toont een van de kantoren van een vroegere vriend. Hij blijft staan bij een brandkast. "Mijn vriend is omgekomen bij een verdacht verkeersongeval", zegt de man. "Niemand heeft ooit de sleutel van die brandkast teruggevonden." In de gang ligt een bananenschil op de grond. En een bruine zak van McDonald's. We krijgen honger.

'Wij rijden naar De Roze Slang', zegt de man.

Terug naar de Laan van de Overwinning, met zijn luxehotels en zijn luxeboetieks. De Roze Slang blijkt een zigeunerrestaurant. De eigenaars begroeten ons hartelijk. We gaan aan de gastentafel naast het aquarium zitten. Ik kijk naar de vissen. De man zegt: 'Gisteren ben ik naar de opening geweest van weer een nieuwe boetiek in de stad. Ik heb te veel champagne gedronken.' Hij legt uit hoe corrupt de stad en de politiek geworden zijn. 'Er zijn geen solide referentiepunten meer', zegt hij. Iemand komt hem groeten: 'De helft van de mensen haat mij', zegt hij. Ik vraag of hij ooit is nagegaan wie hem bespioneerd had. Hij antwoordt: 'Ik wil niet neerslachtig of woedend worden door te ontdekken wat vrienden over mij gezegd hebben. Ik wil niet in een beerput kijken.'

Er wordt live gezongen. Een van de vrienden van de man komt langs. Hij is groot. Hij draagt een blauw pak en heeft een goudkleurig brilmontuur. Hij steekt zijn brede vuisten uit en zingt: 'Ik ben de jongen van niemand.' Een vooraanstaande zigeuner.

Ik zie een man die whisky vraagt die ouder is dan hijzelf. Hij houdt het glas in zijn hand geklemd zonder te drinken. De grote vriend geeft me een visitekaartje: 'Nicu, de reus, Chef van het orkest. Solist.' Boven zijn taak in het leven staat een notenbalk getekend. La do fa la fa. Nicu de reus zingt: 'Ik stof de sterren af.'

De man die teruggekeken heeft op zijn leven, zegt: 'Ik kom er nu steeds meer achter wat de mensen van me denken. Mijn moeder, de enige die ik vertrouwde, is dood. Het aantal getuigen van mijn leven wordt steeds kleiner. De zekerheid over wie ik ben ... U kunt mij googelen. Ik hou me sterk. Ik trek banen in het zwembad in mijn huis. Dagelijks. Ik zwem. Ik zwem.'

Ik zag een mens. Het vooruitduwen van het hoofd. Het stampen met de voeten. Het rollen van de schouders. Het stoten met het bekken.

Ik zag een stad: wegzinkend in grote dromen, warm in kleine gebaren, onverschillig en armetierig, open en omarmend. Vol nesten in de bodem en spleten in de rotsen. Een stad waar ik geen hoogte van kreeg. Onverklaarbaar, onstuimig en ik had haar lief.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234