Zondag 20/10/2019
André Decuyper.

De bevrijding

André Decuyper groef in Bredene nutteloze putten voor de Duitsers: ‘Ik vond die Duitse soldaten wel aardig’

André Decuyper. Beeld Wouter Van Vooren

‘Wij waren natuurlijk blij toen we hoorden over de landing. Maar tegelijk: al dat werk, pit en stake, maandenlang. Allemaal voor niks.’ André Decuyper beleefde de bevrijding in het van de wereld afgesloten kustdorpje Bredene. ‘Hier nam achteraf niemand iemand iets kwalijk.’

Hij gaat ervan uit dat het een standaardbegrip is dat weinig verdere toelichting behoeft. “Hier in de streek kende iedereen dat, pit en stake”, zegt hij.

André Decuyper (93) resideert met zijn echtgenote Yolanda in Huize Westerhauwe in Bredene. Hij was veertien toen de oorlog uitbrak, deed zijn middelbaar in het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Oostende. “Elke dag op en af, op houten klompen, van Bredene naar Oostende en weer terug, want de tram reed tijdens de oorlog niet. Op houten klompen, ook nog.”

Drie straten

Het dorp Bredene bestond in die tijd uit drie straten, alle parallel met de kustlijn. Vanuit het perspectief van de nazi’s was het niet meer dan een stipje langs de door veldmaarschalk Erwin Rommel bedachte Atlantikwall, de 5.000 kilometer lange verdedigingslinie die zich uitstrekte van Noorwegen tot de Spaans-Franse grens.

“Wij leefden in spergebied”, vertelt André. “Tien kilometer richting binnenland was er een grens ingesteld. Niemand kon daarlangs, buiten de Duitsers zelf. Wij leefden afgezonderd van de rest van de wereld. De Duitsers stelden drie zware kanonnen op, gericht op de zee. Het strand en de duinen waren verboden zones. De avondklok was ingesteld op tien uur. Ik zat in het vierde en las graag – nog altijd. Ik was goed in talen. Sprak een beetje Frans, Engels en ook Duits.”

“Er kwamen opeisingen, voor pit en stake (put en paal, DDC). Er waren mensen die onderdoken om aan die arbeid te ontkomen, zoals twee van mijn neven. Hun vader was aannemer. Hij had in een achterhuis van een van zijn gebouwen een verborgen kamer gemetseld. Daar hebben ze twee jaar geleefd. Ieder maakte zijn keuze, en ik vond die Duitse soldaten wel aardig. Gedisciplineerd, altijd goed gemanierd.”

“Ik werd kort na mijn zestiende verjaardag opgeëist, en vond dat niet erg. Het betaalde niet slecht. Je kreeg zeven frank per uur. Het was mijn eerste zelf verdiende geld, en dat gaf een gevoel van vrijheid. Om de zoveel meter groef je een diepe put. Daar ging dan een enorme afgehakte boomstam in en die verbond je met touwen aan de bovenkant met een volgende stam. Honderden moeten wij er zo hebben geplant, hele velden vol.”

Solidair

Het concept van de Holzpfähle werd bedacht door Rommel zelf. Hij noemde ze Luftlandehindernis. In de eerste helft van 1944 werden meer dan een miljoen palen neergezet langs de Atlantische kust. De touwen waren verondersteld zweefvliegers van de Royal Air Force het landen te beletten en parachutisten te vangen, maar historici beoordelen hun uiteindelijke nut als onbestaande.

“Veel van de jongens in onze groep waren vissers”, vertelt André. “Zij mochten van de Duitsers niet uitvaren. Wat moesten ze doen? Er was een vrouw in Bredene-dorp die kort voor de oorlog haar man en haar enige zoon had verloren in een verkeersongeval. Ze was verliefd geworden op de Duitse commandant. Die kwam bij haar inwonen. Ze werd daar achteraf niet op aangekeken. Hier nam niemand iemand iets kwalijk.”

“Onze oorlogsburgemeester, een Duitsgezinde, hebben ze na de bevrijding in de gevangenis opgesloten, maar niet lang. Hij had altijd geweten waar mijn neven ondergedoken zaten, zoals hij dat ook van vele anderen wist. Hij heeft niemand verraden.”

“Mijn vader was schrijnwerker. Hij timmerde een houten doosje, en verstopte er zijn radio in. Zo kon je niet zien dat er een radio in zat. Hij kon de radio met een stokje en een gaatje in dat kistje luider zetten, of van zender veranderen. Naar buiten toe deden we wat men ons opdroeg. Thuis luisterden we naar de BBC.”

“Ik deed het werk graag, ook al was het fysiek zwaar. Om acht uur ’s ochtends moest je er zijn. De hele dag door putten graven, palen steken, touwen trekken. Rond vier uur was je klaar. Dan stapte ik naar Oostende, naar de Corman. Kent u die boekhandel? Hij bestaat nog altijd. Daar kocht ik boeken, met mijn net verdiende loon.”

Organisation Todt

In de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende loopt een tentoonstelling over de wederopbouw van de stad na 1944. André heeft de littekens gezien. Het stadhuis aan het Wapenplein dat in 1940 bij een Duits bombardement in as was gelegd. Het Casino Kursaal, het architecturale juweel van de stad, dat tussen 1942 en 1943 werd gesloopt om plaats te maken voor een bunker.

“Ze hebben in Bredene ook de duinen volgebouwd met bunkers. Dat was de Organisation Todt, uit Duitsland gestuurde dwangarbeiders met wie wij geen enkel contact mochten hebben. Het strand lag vol met van die Rommel-asperges. Drakentanden. Ik ben één keer in zo’n bunker geweest. Een Duitser leidde me rond. Ik keek mijn ogen uit. Rekken vol vlees, verse groenten, bier, cognac.”

“De Engelsen hadden Mosquito’s, vliegtuigen van hout en dus onzichtbaar voor de Duitse radarsystemen. De Duitsers hebben geprobeerd zelf ook houten vliegtuigen te bouwen. Ze waren daarmee aan het experimenteren aan de Spuikom (waterplas op de grens tussen Bredene en Oostende, DDC). Op een nacht hebben de Engelsen alles daar gebombardeerd. Je hoorde erover en je wist: het is voorbij, de Duitsers zijn op alle fronten aan het verliezen.”

Kolder

Een archiefbeeld op de website van de Oostendse heemkundige kring De Plate toont de carnavalsgroep Pit en Stake in 1947, een naoorlogs komisch gezelschap met accordeons, boembas, Duitse uniformen en de obligate palen.

“Onze bevelhebber was een Sudeten-Duitser”, zegt André. “Hij sprak zelf met niet veel lof over de Duitsers. Hij scheen de hele onderneming ook niet al te ernstig te nemen. Het stomme was dat ik op het laatst nog ben bevorderd. Omdat ik goed Duits sprak en en het werk wel serieus nam. Ik verdiende nu veertien frank, maar hoorde rondom me zeggen: ‘Als die zweefvliegers niet in Bredene kunnen landen, dan landen ze wel elders.’ De palen werden aangevoerd met schepen op het kanaal Brugge-Oostende, maar je zag zo dat er nooit genoeg palen zouden zijn.”

Beeld Wouter Van Vooren

“Het bericht kwam op dat radiootje van mijn vader. 6 juni 1944, Normandië. Wij waren natuurlijk blij toen we hoorden over de landing. Maar tegelijk: al dat werk, pit en stake, maandenlang – allemaal voor niks. We vroegen: ‘Moeten we nu nog voortdoen?’ Dat is ongeveer de enige keer dat ik een Duitser kwaad heb geweten.”

Duikbootbasis

Bredene werd bevrijd op 9 september 1944.

“De nacht daarvoor hebben de Duitsers de hele Kapelstraat opgeblazen. Als je maar drie straten hebt, is dat ongeveer het halve dorp. Ze laadden hun drie kanonnen in en waren weg. Bij nacht. De schrijnwerkerij van mijn vader is bij dat finale bombardement mee ontploft.”

“De volgende ochtend luidde de kerkklok. Er wapperde een Belgische vlag en er kwamen een paar Canadezen aangereden in jeeps. Ze hadden geen manieren, vergeleken met de Duitsers. Ze spuwden kauwgom op de grond, ze hadden haast. Ze moesten verder. De tram begon weer te rijden, de vissers mochten opnieuw de zee op.”

“Enkele dagen na de bevrijding wandelde ik terug vanuit Oostende. Het was laat. Er kwam een zwarte auto aangereden en die stopte. Er stapten twee SS’ers met getrokken machinegeweren uit: ‘Wohin gehst du?’ Ik antwoordde: ‘Zu meiner Mutter, sie ist sehr krank.’ Achteraf heb ik gehoord dat die mannen die avond een geheime duikbootbasis in de haven van Oostende hebben opgeblazen.”

“Hoe die mannen daarna uit de bevrijde zone zijn weggeraakt, weet ik niet. Waarschijnlijk reden ze naar Knokke, dat pas in november is bevrijd.”

“Na de oorlog heb ik mijn vader geholpen de schrijnwerkerij weer op te bouwen. Nadien ben ik bij de para’s gegaan en uiteindelijk bij de rijkswacht. We zijn naar Congo getrokken, en zijn daar 23 jaar gebleven. Toen we naar Bredene terugkeerden, herkende ik mijn dorp niet meer.  Alles volgebouwd, het toerisme dat opkwam. Maar als ik vertelde over pit en stake, begonnen mensen nog altijd te lachen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234