Woensdag 21/04/2021

Ander proza

Avant-garde zal altijd en eeuwig de indruk wekken elitair te zijn

Zou het dan toch uiteindelijk een modeverschijnsel zijn geweest, het zogeheten 'Ander Proza'? Wie leest er nog werk van Bert Schierbeek, om maar iemand te noemen. De een aantal jaren geleden overleden auteur heeft nooit op een uitgebreid leespubliek mogen rekenen, ook al heeft zijn tussen proza en poëzie zwevende werk - zijn 'proëzie', zoals hij het zelf noemde - niet zelden de kracht van een nieuw, een ander en ongehoord evangelie. Nimmer zag men bijvoorbeeld het Groningse dorp Beerta zo prachtig opgloeien als in het fragment waarin er boven dat gat in een absolute uithoek van Nederland plotsklaps een zeppelin verschijnt. En wie leest er nog het werk van Daniël Robberechts, zo iemand er zich al ooit aan waagde? C.C. Krijgelmans? Willy Roggeman? Wim Meewis? Of, vooruit, Jacq Firmin Vogelaar - niet die van De dood als meisje van acht (1991) toen de literaire kritiek het er ineens unaniem over eens was dat Vogelaar tóch kon schrijven. Tóch... Men had het niet meer verwacht na zijn haast spreekwoordelijk tot het summum van onleesbaarheid verklaarde Raadsels van het rund uit 1978, een boek dat de dreigende ondertitel Operaties 2 droeg (en jawel, er was ook een Operaties 1, het in 1971 verschenen Kaleidiafragmenten). Zou zich vandaag de dag nog iemand aan die boeken wagen als ze niet toevallig het onderwerp van een doctoraat zouden zijn?

Onwaarschijnlijk. En dus is de vraag gerechtvaardigd of 'Ander Proza' een modeverschijnsel is geweest. Een pijnlijke vraag, want het gaat hier om het soort proza dat nu juist geschreven werd tegen een romankunst die zich volledig uit- en overgeleverd zou hebben aan de massacultuur en de mode. 'Kontraproza' zo heette het toentertijd veelzeggend en als zodanig wars van alle modieusheid, ook al herkent men de belijders ervan onmiddellijk aan hun erg tijdgebonden spelling: 'krities', 'realisties', 'aksie'. Of, om het in de woorden van één hunner te zeggen: het ging om proza dat zich afzette tegen de "genormaliseerde en gestandaardiseerde vorm met geaksepteerde schrijfkonventies die afgesteld waren op een groot lezerspubliek". Men verzette zich tegen de "lineaire progressie van het verhaal" en tegen het soort uitweidingen waarin het alleen om "didaktiese boodschappen" ging, en om "persoonlijk-etiese ideosynkrasieën".

Aan het woord is hier Sybren Polet, in de inleiding van Ander proza. Bloemlezing uit het nederlandse experimenterende proza uit 1978, een inleiding die, zoals hij zelf stelt, vooral bedoeld was om aan het 'ander proza' een geschiedenis te geven. Dat was niet voor niets natuurlijk: de desinteresse voor de voortbrengselen van de 'ander proza'-schrijvers is niet alleen van vandaag; ze bestond van meet af aan. En dus is het zinvol om dat proza in te bedden in een traditie en het zo gewicht te geven. Polet laat de geschiedenis van het 'ander proza' beginnen met de capriolen van Laurence Sternes Tristam Shandy (1760-1767) om vervolgens via Diderot, Jean Paul, Xavier de Maistre, via Goethe, Schiller en Herder zelfs, uit te komen bij de grote kanonnen van de laat-negentiende eeuwse, vroeg-twintigste-eeuwse modernistische traditie: bij Lautréamont, Huysmans en Lewis Carroll, bij Gide, Valéry, James Joyce, Virginia Woolf en Samuel Beckett. Whitman wordt in het voorbijgaan nog genoemd, Melville, en zowaar Multatuli als gunstige laaglandse uitzondering.

Met soortgelijke auteurs wordt natuurlijk elke suggestie weg genomen dat het bij 'ander proza' om literair gefröbel op zolderkamertjes driehoog achter zou gaan (zoals menig criticus meende). Al blijft ook nu van kracht dat de modernistische traditie in de lage landen nooit werkelijk vaste voet aan de grond heeft gekregen. Sommige verstokte avant-gardeliefhebbers in Nederland mogen dan met een schuin oog naar Vlaanderen kijken, waar de avant-garde toen zij internationaal gesproken aan de orde was in ieder geval in iemand als Paul van Ostaijen een vertegenwoordiger had (door Polet ook opgenomen, net als Boon trouwens), uiteindelijk bestond de avant-gardebeweging in Vlaanderen toentertijd uit ook niet meer dan anderhalve man en een paardenkop. Het zijn de historici die er de schijnwerper op hebben gezet, waardoor de uitzonderingen regel werden in de literatuurgeschiedenis. Hoezeer Beckett, Joyce en anderen ook tot monumenten van het literair modernisme zijn geworden, uiteindelijk lezen maar weinigen de prachtig mompelende, mummelende, smiespelende teksten van bijvoorbeeld de eerste voor hun plezier.

Dat laatste heeft niet alleen te maken met de veronderstelde moeilijkheidsgraad van die literatuur (wie er eenmaal aan begint, ontdekt overigens dat die erg meevalt), maar ook met de kritische achtergrond ervan. Polet doet in zijn inleiding zijn uiterste best om vooral de strikt literaire merites van het genre over het voetlicht te krijgen, maar die poging staat natuurlijk in het licht van een rotsvast geloof in het belang van literatuur voor de maatschappij en in de mate waarin literatuur aan de verandering van die maatschappij zou kunnen bijdragen. Met de 'ander proza'-schrijvers komt literair links aan het woord, niet alleen omdat hun boeken zich verzetten tegen de massacultuur, maar vooral omdat hun boeken de intentie hebben mensen bewust te maken van de toevallige orde die aan de alledaagse werkelijkheid ten grondslag ligt. 'Ander proza' is, kort gezegd, een vorm van literatuur die met alle (uiteraard literaire) middelen ten strijde trekt tegen het 'alsof' dat de realistische literatuur vanaf de achttiende eeuw tot heden kenmerkt. Ze vervangt de bekende suspension of disbelief, die het ons als lezers mogelijk maakt in de wederwaardigheden van romanpersonages te geloven, door nadrukkelijk aandacht te vragen voor de trucs en tics waarmee zo'n 'alsof'-werkelijkheid tot stand wordt gebracht. De achterliggende gedachte was uiteraard dat men mensen zo bewust maakte van de trucs en tics waarmee ook de alledaagse werkelijkheid als onoverkomelijk, als absoluut werd voorgesteld.

De vraag blijft of men op die manier de gewenste bewustwording teweegbrengt. Het is een vraag die al sinds de jaren tachtig op het bordje van schrijvers ligt die nog steeds onverminderd geloven in het maatschappelijke belang van literatuur, en daarbij aan iets anders denken dan aan de (natuurlijk evenzeer maatschappelijk relevante) vraag naar verstrooiing. Bereikt men uiteindelijk niet meer door zich te houden aan de conventies van wat dan waarschijnlijk literair-rechts moet heten, aan de conventies van het 'alsof'? Aan romans met een lineaire progressie van het verhaal, met geloofwaardige personages waarmee men zich kan identificeren, en vol didactische uitweidingen over wat we moeten denken en geloven? De kans dat een hedendaagse Beckett op de index terechtkomt, is kleiner dan een literair gesproken volstrekt conventioneel werkje van bijvoorbeeld Dan Brown. Daarvan begrijpen we tenminste onmiddellijk dat het godslasterlijk is.

En er is natuurlijk nog die andere, altijd weer dezelfde paradox: het feit dat avant-garde, of het daarbij nu om literatuur, theater of beeldende kunst gaat, altijd en eeuwig de indruk zal wekken elitair te zijn, hoezeer ze zich met haar ontmaskerende activiteiten ook zegt te richten op bewustwording van 'het volk'. Vaak blijkt de allerconcreetste eenvoud van soortgelijke kunst ingewikkelder dan de abstractie die voor alledaagse werkelijkheid doorgaat en mist zij haar doel volledig.

Marc Reugebrink

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234