Zondag 31/05/2020

Anciaux ontkent ‘kaping’

De Brusselse Zandstraat, ooit het kloppende hart van de Belgische pers. Zowel Vlaamse als Waalse kranten rolden hier decennia geleden onafgebroken van de persen. Marc Sleen (86) had er eind jaren veertig een kantoor op het eerste verdiep bij dagblad De Nieuwe Gids. “Daar heb ik mijn eerste echte strips getekend”, herinnert hij zich. “Naast al het overige dat men mij vroeg, natuurlijk: karikaturen, illustraties... Voor John Flanders bijvoorbeeld. Hij kwam verhalen brengen voor ’t Kapoentje, een kinderbijlage. Door al die herinneringen denk ik terug aan de tijd dat ik 22 was, telkens als ik in de Zandstraat kom.” De cirkel is nu rond, meent hij. Vanuit zijn kantoor bij De Nieuwe Gids keek hij uit op het Waucquezwarenhuis aan de overkant, dat nu bekend staat als het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal (BCB) of Stripmuseum. Aan de overkant, slechts enkele huizen voorbij de plek waar Nero geboren werd, schittert nu het Marc Sleen Museum. Thuiskomen, heet dat. Nog straffer: het museum werd ondergebracht op het gelijkvloers en de kelder van het voormalige gebouw van La Presse Socialiste, en laat nu net dat gebouw een belangrijke rol gespeeld hebben in het Nero-album Het spook uit de Zandstraat uit 1996. In dat verhaal dringt Nero het gebouw binnen om er een spook tegen het lijf te lopen en zelf even een spook te worden.Anno 2009 wordt datzelfde gebouw overrompeld door de de tientallen figuren die Sleen in de loop van zijn carrière uit zijn pen heeft getoverd. Piet Fluwijn en Bolleke natuurlijk, maar ook Octaaf Keunink, De lustige kapoentjes en Doris Dobbel sieren er menig paneel. Het accent ligt evenwel op zijn populairste reeks: Nero, waarvan er in de loop van de geschiedenis 217 albums verschenen. Voorts worden er films geprojecteerd van de andere bekende kanten van Marc Sleen en Marcel Neels (echte naam): zijn cartoons over de Ronde van Frankrijk, zijn safari’s die indertijd op de BRT werden getoond en zijn leven als politiek cartoonist.

Drietalige infopanelen

Het gaat om een beschermd gebouw, dus ook binnen moesten enkele dingen bewaard blijven. Zoals de loketten, waar lezers vroegen hun abonnement kwamen vernieuwen of betalen. Wel werd er, in een poging om meer ruimte te creëren, een loopbrug geïnstalleerd, zodat een valse tweede verdieping werd gecreëerd en er meer werken geëxposeerd konden worden.Dat dit kleine maar fijne museum niet de bedoeling heeft enkel de Vlamingen aan te trekken bewijzen de drietalige infopanelen die in de ruimtes zijn opgesteld. De belangrijkste Nero-figuren, die in groot formaat een hele muur voor zich opeisen en waaraan Sleen samen met zijn voormalige assistent speciaal voor deze gelegenheid nog gesleuteld heeft, werden voor de gelegenheid voorzien van Franse of Engelse namen. Daarvoor kon geput worden uit de meer dan negentig Franse Néron & Co-albums die vanaf de jaren vijftig bij verschillende Franse uitgevers verschenen en ook meteen in vertaling bij Het Volk. Of uit het enige Engelstalige The Adventures of Nibbs & Co-album De kat van Katmandoe,dat in 1983 werd uitgegeven in een (mislukte) poging om de reeks in Groot-Brittannië te lanceren. Amusant. Tuizentfloot heet in het Frans Millesabords en in het Engels Abraham Gangplank. Petoetje en Petatje werden Bambou et Boulette en blijven in het Engels hun Nederlandse naam behouden. Adhemar gaat van Adhémar naar Halyard, en Detective Van Zwam behoudt zijn naam in de Engelse vertaling, maar werd in de Franse albums zowel le détective Séloigne, Desoine, Fouché of Fouchet genoemd.Op de vraag of Nero geen typisch Vlaams dagbladverschijnsel is dat voorbijgaat aan de FranstaligenDe Graeve is er overigens niet eens zo zeker van dat Franstaligen Nero niet zo leuk zouden vinden. Hij roept er Jean Auquier bij, de Franstalige tweede directeur van het BCB, die zijn liefde voor Néron uit de doeken doet. Hij haalt ook het verhaal aan van een Parijse Le Point-journalist die ooit het BCB bezocht. “Hij hield niet zo van strips, denk ik. Hij was in feite culinair journalist. Maar goed, hij wandelde door het museum en kwam met één punt van kritiek: waar is Néron? (grijnst) Ook in mijn eigen vriendenkring hoor ik over Néron vertellen. Nee, dat personage heeft een reputatie. Bovendien waren de verhalen die Sleen schreef niet Vlaams maar Belgisch. Het was de Belgische politiek die hij viseerde of ridiculiseerde. Waarom zouden Franstaligen dat dan niet leuk vinden?”

Depressieve Sleen

De champagne mag dan al koud staan voor de officiële publieksopening nu vrijdag, de komst van het museum heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Aan de start ervan ligt een depressieve Marc Neels. Toen in 2002, op ’s mans tachtigste verjaardag, werd beslist om te stoppen met de Nero-reeks, viel Sleen in het beruchte zwarte gat. Hij mocht vier jaar later nog wel even opduiken als één van de 111 kandidaten van De Grootste Belg, maar kwijnde eigenlijk stilletjes weg. In tekenen had hij geen zin meer, zelfs albums signeren zat er niet meer in. Erger, mocht hij dat willen, dan zouden de lichamelijke kwaaltjes hem wel hebben tegengehouden. Het is op één van die donkere momenten, ergens in 2003, dat Sleen besloot het BCB te bellen met een uniek, ongezien voorstel.Willem De Graeve: “Marc was meteen duidelijk: hij wilde zijn gehele oeuvre aan ons schenken. Hij vertelde ons dat, wanneer hij aan de toekomst dacht, hij overvallen werd door sombere gedachten. Hij was bezorgd over het lot van Nero na zijn dood. Kinderen had hij niet, enkel neven en nichten. Die zouden na zijn overlijden de duizenden originelen krijgen en ze wellicht verkopen. Dat wilde hij niet. Zijn besluit stond vast: hij wilde zijn hele oeuvre aan ons overlaten. Wij waren geflatteerd, want Marc is één van de grootste Belgische stripauteurs. Maar tegelijkertijd beseften we dat het praktisch onmogelijk zou worden. Kijk, Sleen staat in het Guinness Book of Records met de ‘langste stripreeks door één man getekend’. Dat betekent dat hij veel originelen had: tussen de 15 en 20.000. Het BCB beschikt over een gigantische kluis met een capaciteit van 10.000 werken. We zitten nu aan 7.000 originelen, dus Sleens archief kon er onmogelijk bij. En als we een nieuwe kluis zouden bouwen voor Sleen, waren we dan ook niet verplicht om zoiets te doen voor - ik noem er maar een paar - Peyo, Vandersteen, Bob De Moor...!? En dan hebben we het nog niet eens over het financiële plaatje.”Dat er uiteindelijk gekozen is voor het pand van de socialisten aan de overkant, is te danken aan de voormalige BCB-directeur Michel Leloup. “Hij zat op een middag wat uit het raam van ons restaurant te turen, veerde plots op en vroeg of het geen idee zou zijn om het pand aan de overkant op te kopen. Dat was niet zomaar een idee: jarenlang hadden we het pand zien verkommeren, waarna weer een lange periode kwam van restaureren. Maar al die jaren bleef het leegstaan. Een bestemming werd er nooit voor gevonden. Voor ons paste het plaatje in elkaar: Nero was enkele huizen verderop geboren, wij zouden het museum kunnen beheren. We hebben gepeild naar de kostprijs, en vanaf dan ging het erg snel.”Sleen was in de wolken toen hij het nieuws hoorde. Maar er waren kapers op de kust. De Graeve: “De eerste politicus die we over dit project contacteerden, was Bert Anciaux. Dat leek logisch: hij was niet alleen minister van Cultuur, Sport en Jeugd, maar ook van Brussel. We gingen ervanuit dat de Vlaamse Gemeenschap interesse zou tonen. Maar op ons dossier kwam er wekenlang geen reactie. We hebben nadien dan toch mensen van het kabinet van Anciaux ontmoet en die vonden het een prachtig project. Maar nadien was het opnieuw weken windstil. Er klopte iets niet. Marc Sleen bleef ons ondertussen opbellen met de vraag wat de reactie was van de Vlaamse Gemeenschap. Op ons derde schrijven kwam weer geen reactie. Na een jaar ontmoette ik Anciaux op een receptie in het Brussels Parlement. Ik ben op hem afgestapt, maar de ontvangst was lauw. Hij hief zij schouders op. Hij kreeg zoveel brieven en dossiers, reageerde. En toen zei hij plots: ‘Ik ken Sleen beter dan jullie, wij regelen het zelf wel.’”Intussen was in stripkringen al bekend dat Anciaux het oeuvre van Sleen per se naar Turnhout wilde overbrengen. De organisatie Strip Turnhout zou het beheer toegewezen krijgen. Sterker: een en ander zou kaderen in een groter project, want het gerucht ging toen al dat Anciaux een heus Stripmuseum in Turnhout wilde vestigen. Degraeve: “Maar dat wisten wij toen niet. Sleen heeft ons achteraf verteld hoe Anciaux hem heeft uitnodigde voor een etentje in Villa Loraine, een chique restaurant in het Zoniënwoud. Daar heeft hij Sleen proberen te overhalen om zijn werk in Turnhout onder te brengen. Het idee is toen ook geopperd om Sleens villa in Hoeilaart na zijn dood te kopen en om te bouwen tot Marc Sleen Museum.” Sleen hield echter voet bij stuk. Hij argumenteerde dat enkel de echte fans naar Hoeilaart zouden afzakken, en het brede publiek niet de moeite zou doen om zover te reizen. Het pand in de Zandstraat beviel hem te zeer, net als het feit dat het BCB één van de drukst bezochte toeristische trekpleisters van Brussel was en 50 procent van de bezoekers uit het buitenland kwamen. Sleen redeneerde dat het voor die mensen niet moeilijk is om de straat over te steken om binnen te stappen in een tweede museum gewijd aan strips. Zijn strips, om precies te zijn. Daar mikt ook het BCB op. “Als we 10 procent van onze bezoekers kunnen overhalen om naar het Marc Sleen Museum te stappen, zijn we geslaagd in onze opzet”, klinkt het daar. Concreet zou het dan gaan om 25.000 bezoekers per jaar.

Meerwaarde voor Brussel

Het is het Brusselse Gewest dat uiteindelijk de realisatie van het museum mogelijk maakte, zegt De Graeve. “Meer specifiek is het Guy Vanhengel, Nerofan van het eerste uur en als Brussels minister bevoegd voor het imago van het Brussels Gewest. Hij argumenteerde dat het een meerwaarde was voor de stad Brussel in Europa en heeft het Brusselse Parlement overtuigd om het pand aan te kopen. Dat schijnt vrij uitzonderlijk te zijn, want het Brusselse Gewest heeft daarvoor weinig budget. Voor Sleen kon het echter wel.” Ondertussen blijkt dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het pand weliswaar heeft aangekocht, maar dat de intussen opgerichte Stichting Marc Sleen er eigenaar van is. In die Stichting, die als hoofddoelstelling heeft het pand, de collectie en de postume auteursrechten te beheren, zetelen drie mensen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, iemand van het BCB, Standaard Uitgeverijdirecteur Ludo Stroobants en De Standaard-hoofdredacteur Peter Vandermeersch. “Die zeven mensen bepalen de dagelijkse werking van de Stichting”, benadrukt De Graeve.“Op dit moment zijn we euforisch. We hopen dat er met dit museum een precedent is geschapen en dat andere auteurs, uitgevers of overheidsmensen op de Zandstraat iets gelijkaardigs op touw zetten. Misschien wordt de voormalige krantenstraat zo wel een heuse stripstraat.” Daar is alle kans toe, zo blijkt. “Philippe Geluck is alvast komen kijken om er een museum over zijn populaire reeks De Kat te openen. Het zou mooi zijn. (met pretlichtjes in de ogen) In ieder geval kunnen we nu al beweren dat Brussel dé Europese stripstad is, zelfs meer dan Angoulême.” Niemand die dat kan ontkennen. Volgende week opent in het tweede stripmuseum van Brussel, Het Huis van het Stripverhaal, een grote retrospectieve over Willy Vandersteen, de talloze exposities van Stripjaar Brussel zijn op toplocaties in de hoofdstad te bekijken, en in september vindt de opening plaats van het nabij het VRT-gebouw gesitueerde Moof. Dat is het derde grote Stripmuseum in Brussel. Moof staat voor Museum Of Original Figurines en richt zich vooral op de ontelbare beeldjes die er de laatste decennia van strippersonages gemaakt worden. Maar voorlopig is het Sleen die met de pluimen gaat lopen. De strip Het spook van de Zandstraat kreeg voor de gelegenheid een nieuwe cover en verschijnt in het Nederlands, Frans en Engels. Bedoeling van dat alles is de 62 jaar oude Nero aan een tweede leven te helpen, en met een beetje geluk aan de buitenlanders te slijten. Of dat wetenschappelijk - aha! - verantwoord is, valt nog af te wachten.

Bert Anciaux reageert verrast op de aantijgingen als zou hij het project hebben willen kapen. “Ik herinner mij niet dat ik daarover aangesproken ben door het BCB. Wel is het zo dat ik vier of vijf jaar geleden overleg heb gepleegd met Marc Sleen, op vraag van hemzelf en van de algemeen directeur Standaard Uitgeverij, Eric Willems. Ik heb hen zelfs een goed aanbod gedaan, maar uiteindelijk hebben we dat project moeten afblazen. Marc heeft met mij gesproken toen er al een akkoord was met Guy Vanhengel.”Volgens de cultuurminister gingen die gesprekken vooral over het overbrengen van Sleens gigantische archief naar Vlaanderen. Anciaux zegt erover gedacht te hebben Sleens archief te laten opgaan in de werking van vzw Strip Turnhout. “Als ik het in Vlaanderen had laten onderbrengen moest dat verbonden zijn aan een stichting. Dat was de wens van Sleen: hij wilde een stichting. Ik wilde misschien niet zozeer het archief of het museum in Turnhout onderbrengen, dan wel Strip Turnhout er als vzw bij betrekken.”Volgens Anciaux heeft hij ooit al een projectsubsidie goedgekeurd voor het BCB, maar was dat “kantje boord omdat het Stripmuseum in eerste instantie een Belgische instelling is. Wat het Marc Sleen Museum betreft, haalt hij aan dat het BCB niet wilde samenwerken met de Vlaamse Gemeenschap. “De taalwetgeving verbiedt mij ook op te treden voor een instelling die vooral Franstalig is.” Het BCB is perfect tweetalig, met een Vlaamse en Franstalige directeur en een raad van bestuur die de helft Vlamingen en de helft Franstaligen telt.Volgens BCB-directeur Willem De Graeve vergeet Anciaux dat het BCB tot drie keer toe een voorstel bij de Vlaamse Gemeenschap indiende. “Nogmaals: daar kwam een jaar lang geen reactie op. Tot grote teleurstelling van vooral Marc Sleen, die alle brieven en dossiers in kopie kreeg.” (GDW)

Gezocht: de makers van Nero-animatiefilmpjes

In het Marc Sleen worden permanent twee korte animatiefilmpjesHet Volk-albums Brief aan Nasser en De Driedubbelgestreepte”, zegt Yves Kerremans, Nero-kenner en vriend van Sleen die ook als researcher betrokken was bij het Marc Sleen Museum. “Het zouden eindwerken zijn van studenten van Raoul Servais aan het Gentse Sint-Lucas. Niemand weet wie ze zijn. Vermits Servais gestorven is, is dat moeilijk te achterhalen.”De filmpjes werden al eens vertoond in 1997, ter gelegenheid van vijftig jaar Nero, maar omdat ze deel uitmaken van de permanente collectie van het museum wordt nu effectief getracht de makers op te sporen. Wie meer inlichtingen heeft, mag een mail sturen naar de Stichting Marc Sleen: visit@marc-sleen.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234