Donderdag 25/02/2021

Analyticus Jan Mulder ziet zijn dierbare sport ontsporenIk gruw van de brutaliteit op het veld en de bloeddorst in de tribune

“De scheidsrechter staat bij een corner. Ziet ellebogen, verwurgingen, keepervuisten die het hoofd van een spits van de romp proberen te scheiden, eindeloos gesjor aan shirtjes en besluit de tien strafschoppen toch maar niet te geven. Spelregels? Je blijft bezig. Hij laat ze begaan en de acceptatie van het gedrocht dat ooit ‘the glory game’ was, wordt weer groter. Ziek voetbal.”Zo beschreef Jan Mulder nog maar een paar maanden terug, in een welhaast profetisch stuk, de vorige Standard-Anderlecht, de ultieme testmatch die over de titel besliste. Het is opgenomen in zijn recente boek De analyticus, een bundel fraaie stukjes over voetbal, televisie en het echte leven. Die dag dat Mulder naar Sclessin afzakte, won Standard en verloor het voetbal. “Vecht en ziek maar door, hijs je met de tackle en elleboog Europa in”, schamperde de auteur, bitter over de vechtpartij die hij zag, de ontaarding van ‘zijn’ sport. Witsels veelbesproken aanslag op Wasilewski was dus geen verrassing.Jan Mulder: “Het is walgelijk. De normen in het voetbal zijn volkomen weg. En Axel Witsel is wel de laatste die daaraan schuldig is. Voetballers zijn als kinderen. Je moet grenzen trekken voor hen. Als dat niet gebeurt, pakken ze toch een metertje extra voor het opstellen van de muur. Of tackelen ze nog wat hoger over de bal heen. Trekken ze nog harder aan de truitjes bij een hoekschop. Dat proces mocht jaren etteren. Het werd erger en erger. En nu staat het land ineens in rep en roer. Maar de schuldige is niet die speler. Wel de Belgische Voetbalbond, de besturen van de clubs. En ook de pers.“Vorig jaar was Standard-Anderlecht ook al een slachtpartij, maar in de persruimte hoorde ik vooral vergoelijken. Zelfs bij Mbark Boussoufa, het grote slachtoffer van die dag (hij incasseerde een dubbele kaakbeenbreuk na een mep van Standarddoelman Sinan Bolat, WP). Ik stond na de wedstrijd bij die jongen: Boussoufa was compleet van de wereld. Er had onmiddellijk mee naar het ziekenhuis gemoeten. Dat gebeurde pas de volgende dag, want het was zogezegd maar een ongelukje op een voetbalveld. ‘Dat gebeurt toch elke dag?’ De reactie van de club was niet adequaat, en zeker niet gericht op het welzijn van de speler. Zelfs Boussoufa leek meer in te zitten met de nederlaag en dus het missen van de rechtstreekse plaatsing voor de Champions League (en het bijbehorende geld voor Anderlecht, dat was hem voldoende ingepeperd) dan met zijn eigen lijfsbehoud. Voetballers pikken alles, natuurlijk ook omdat ze zo vreselijk overdreven betaald worden. Dat is een vorm van zwijggeld. Over het algemeen dekken ze zelfs de dader. Als die voor een tuchtcollege komt, zeggen de meeste slachtoffers van zo’n ontoelaatbare tackle: ‘Hij had dat niet zo bedoeld.’”

Heeft de doodschop niet altijd bestaan? In uw tijd speelde bij Feyenoord de u niet onbekende verdediger Theo Laseroms. Henk Spaan schreef over hem: ‘Laseroms kon goed voetballen, maar ontdekte dat schoppen meer geld opleverde. De anekdote is dat Jan Mulder zich tijdens een Feyenoord-Anderlecht bij Rinus Israel (Feyenoordaanvoerder, WP) beklaagde over Laseroms' gebrek aan nuance. Even later ging Jan hoog de lucht in na Israels twintig meter lange sliding.’

“Er zijn altijd spelers geweest die iets harder en gemener waren dan de anderen. Natuurlijk gebeurden er vroeger ook verschrikkelijke ongelukken. Die tackles à la Laseroms waren destijds berucht, maar incidenteel. Nu zie je dergelijke overtredingen elke zondag, op alle velden, en niemand die dat nog raar vindt. Dat valt helemaal niet meer op. Het is de kérn van het misverstand.“Ik hoor commentatoren zo vaak zeggen: ‘Ja maar, hij raakt hem niet eens.’ (windt zich op) Dat-maakt-niet-uit! In de vertraging zie je dan, ingezoomd, dat een man zo’n moordaanslag inderdaad nipt kan vermijden door hoog op te springen. Maar het gaat om de intentie. Je kon in Anderlecht-Standard van kilometers ver zien wat Witsel van plan was. Geen been versplinteren, natuurlijk, maar wel zijn tegenstander goed raken. Niet omdat hij dat in een gemene bui wilde, maar omdat zijn trainer hem opgedragen had om ‘fel’ te zijn, en omdat hij uit ervaring weet dat hij daar zelden om gestraft wordt. Behalve als ineens het bot uit het been steekt. En omdat de tv erbij is, was dat dubbel pech. Want nu had iedereen het gezien. Terwijl het in de lagere klassen ook gebeurt. Zonder de publieke verontwaardiging.“Dus waarmee moet je beginnen? Met Witsel te straffen omdat het één keer fataler afliep dan bedoeld? Of met het aanpakken van al die andere mensen die een gelijke daad planden en uitvoerden? Witsel draagt natuurlijk schuld, niet omdat hij de bedoeling had van het been te breken, maar omdat hij zo veel risico nam dat hij op een bepaald ogenblik wél gestraft moest worden. Maar vanuit die definitie lopen de voetbalvelden vol ‘schuldigen’.”

Wie in de bebouwde kom 200 kilometer per uur rijdt, heet ook een ‘doodrijder’ en riskeert een strenge vervolging. Zelfs al raakt hij geen spelend kind.

“Precies. Dat pikt niemand. In het voetbal tolereert men zulk gedrag wel. Tot er iemand geraakt wordt: pas dan schreeuwt men moord en brand. En dus neem ik in deze eigenlijk Witsel niets persoonlijk kwalijk, omdat hij en de andere voetballers jarenlang niet gecorrigeerd werden. Vorig seizoen al had de bond moeten optreden na de afschuwelijke Standard-Anderlecht. Het is met geen pen te beschrijven wat ik die dag aan oorlogszuchtige toestanden zag. En dan die griezelige haat van de supporters naar elkaar. Maar niemand die optreedt. Nooit hoor je een voorzitter kritiek hebben op zijn eigen fans. Terwijl die eigenlijk haast elke zondag over de schreef gaan. Het is een gebrul en een gedrag waar je akelig van wordt. En men accepteert maar. En blijft dat maar doen. Het voetbal is als een hardleers meisje.”

Van oud-sportjournalist Jan Wauters komt het inzicht: sport is een verhevigde weergave van het leven. Dat zie je nu ook. Reageren voetbalbesturen tegen ‘de supporter’ anders dan veel politici jegens ‘de burger’, namelijk hen naar de mond praten? Wat zou het verbazen dat de zeden in het voetbal verruwen, als ook het hele maatschappelijke discours bikkelhard wordt?

“In het voetbal komt er fysiek geweld bij, en dat maakt het erger. Ik ga zelden of nooit meer naar een stadion, vanwege die akelige sfeer. Hoe lang is het geleden dat een club of supporters bewondering of waardering toonden voor het spel van de tegenpartij. Natuurlijk moet je niet slijmballerig doen. Maar één keertje genereus zijn als de ander een schitterende goal maakt: het bestaat niet meer.”

Zoals het legendarische gebaar van de Belgische doelman Christian Piot, die zelf applaudisseerde toen Johan Cruijff hem in een België-Nederland met een magistrale lob vloerde.

“Lang geleden heeft het publiek van Real Madrid ooit geapplaudisseerd toen Ajax er speelde. Niet uit cynisme voor de wanprestatie van de eigen spelers, maar uit oprechte bewondering voor dat schitterende bezoekende team. Toen ik bij Anderlecht speelde, werden wij vaak overklast door Standard. Die hadden een schitterende ploeg met Wilfried Van Moer, Nico Dewalque, Léon Semmeling, Milan Galic... Zij speelden ons wel eens van het kastje naar de muur. Maar daarom gingen wij toch niet schoppen? Wij legden ons neer bij hun meesterschap, en dropen af. Vandaag ontploft men in woede. En helaas is die beweging zo moeilijk terug te draaien. Dat is namelijk precies de kick. De bloeddorst van de supporters is navenant de brutaliteit op het veld.”

U bent nu wel erg zwartgallig. Terwijl uit je boek ook oneindig veel liefde voor het voetbal blijkt.

“Als je mij nu hoort praten, kun je je inderdaad afvragen waarom ik er nog heen kijk, of waarom ik er nog stukjes over schrijf. Maar ik ben groot geworden met voetbal. Als zesjarig jongetje deed ik niets liever dan dribbelen. Ik droomde van het Astridpark, en van het stadion van Real Madrid. Dat is er natuurlijk niet gemakkelijk uit te krijgen. Ik heb altijd genoten van een stadion, een lange dribbel. Een schot binnenkant paal. Het is zo heerlijk als je een goede bal van je voet voelt vertrekken. Of een rake kopbal. Ik was geen kopspecialist, maar ik sprong wel hoog. En als het dan eens lukte: prachtig! Dat blijft hangen.“Ver weg voel ik die liefde dus nog heel sterk. Maar dit gevoel wordt al een hele tijd de kop ingedrukt. Er is veel minder mogelijkheid om briljant en onbevangen te spelen. Vandaag moet een speler echt van uitzonderlijke klasse zijn om te doen wat jongens als ik destijds konden en mochten. Drie mannetjes passeren of zo. Wie dat nu nog doet, loopt het grote risico dat hij van het veld geschopt wordt. Een geniale voetballer als Messi beseft dat hij een prooi is voor iedereen die wil schoppen.”

Jij bent ook voetbalvader geweest. Was jij ooit bang voor je zoon Youri, toch een aanvallende speler?

“Neen. Niet echt. Ook niet voor mezelf toen ik nog speelde. Ik heb wel eens een keertje gedacht aan een gebroken been, terwijl letsels aan de kruisbanden veel erger kunnen zijn. Maar blessures zijn inherent aan het voetbal. Waar ik me van afkeer, is de mentaliteit die onnodige verwondingen veroorzaakt. Die háát in stadions, zowel in het spel als op de tribune. Er is geen club meer die nog tegen haar spelers zegt: ‘De wei in en lekker voetballen.’ Het spel zit vol met het cement van negatieve tactische aanwijzingen aan de spelers. En omdat die jongens fysiek zoveel beter zijn geworden, zijn de botsingen zoveel harder. Maar ze kunnen ook beter ontwijken, waardoor er statistisch gezien wellicht niet eens zo gek veel meer dubbele beenbreuken vallen dan vroeger. Maar de dreiging is honderdduizend keer groter. Negen op de tien keer is een voetbalwedstrijd een akelige vertoning.”

Toch heb je nog altijd droomwedstrijden zoals de fabuleuze Real Madrid-Barcelona (2-6) vorig seizoen.

“Daar teert natuurlijk iedereen op: ‘Volgende keer wordt het beter.’ Natuurlijk heb ik een klein beetje ongelijk. Met mijn negatieve commentaar lijk ik wel een archaïsche figuur uit een donker verleden. De appreciatie voor het spel is totaal anders dan vroeger. Het publiek wil die toestanden waarvan ik zo gruw. Je moet eens horen hoe in de Bundesliga de speakers roepen als hun ploeg scoort. Dat geloof je niet. Het is alsof de oorlog echt is uitgebroken en aan de overzijde een paar duizend militairen gedood zijn. In Nederland gaan ze ook al die kant op: minutenlang, hysterisch gebrul door zo’n microfoon. En als de scheidsrechter dan toch een overtreding fluit, wendt het zogezegd benadeelde deel van het publiek zich tot hem met gezongen wetenswaardigheden over diens familie. ‘Je moeder is een hoer’, bijvoorbeeld. (diepe zucht) Rustig, Jan.”

Heeft het Nederlandse elftal in die evolutie geen rol gespeeld? Het fabuleuze wondervoetbal van Cruijff en co. op het WK 1974 had ook een bikkelharde kant: ‘Voetbal is oorlog.’ In elke oorlog vallen slachtoffers.

(aarzelt) “Wim van Hanegem en Johan Neeskens waren inderdaad mannetjesputters, zeker weten. Ze begonnen toen met het jágen op de bal, daar hou ik ook niet zo van. Net zomin als van die andere wat kunstmatige specialiteit uit die dagen, de buitenspelval. Dat was dan weer de favoriete Belgische tactiek. Maar het was toch veel rustiger, zonder die hysterische poppenkast bij een hoekschop. Daartoe verlaagde een Van Hanegem zich niet.“Hij had het ook niet moeten riskeren, want toen zou een scheidsrechter dat niet gepikt hebben. Nu wel. Elke wedstrijd opnieuw is het de wedstrijdleiding zelf die de eigen spelregels overtreedt. Bij elke hoekschop kan een scheidsrechter gerust vijf, zes penalty’s fluiten: ze wurgen elkaar gewoon. Elk weekend worden er fouten gemaakt tegen de buitenspelval. Niet omdat je het niet kunt zien, zoals zo vaak wordt beweerd. Je kunt dat bijna altijd heel goed zien. En als iemand één millimeter buitenspel staat, dan maakt dat niet uit. Die maatregel is honderd jaar geleden daarvoor niet ingevoerd, toch? Maar vandaag menen de meeste grensrechters dat ze een extra verdediger zijn. En ze zijn ook laf. Ze vinden het minder erg om een mogelijk juiste aanval af te vlaggen, een actie te breken en een doelpunt te verhinderen, dan om níét te vlaggen zodat er een zogezegd onterechte goal van zou komen. De mentaliteit van de wedstrijdleiding is volkomen fout, want ze dient de schoonheid van het spel niet.“In de plaats daarvan fixeren ze zich op zinloze details, en daarbij nemen ze zich vreselijk ernstig. Als je zo’n vierde official bezig ziet bij een wissel, dat is toch om je dood te lachen? Neen, eigenlijk is het heel eng. Zo’n jongen die wil invallen, die wordt gewoon fysiek vastgehouden. Blijkbaar is het levensgevaarlijk als hij één voet op het veld zet voor de gewisselde speler hélemaal over de zijlijn is. Zo putten ze zich uit in formele en onzinnige regeltjes, maar ze zien niet meer waar deze sport naartoe gaat en wat daaraan te doen. In hoofde van de meeste scheidsrechters is het precies registreren van een gele kaart véél essentiëler dan het zorgen voor een leuke, fatsoenlijke partij voetbal. Het gaat om administratie. Dit mag niet, en dat evenmin. En intussen gebeurt alles.”

In uw boek ben je een genadeloze ontmaskeraar van dure onzin. Milan dat een Microsoftprogramma ontwikkelt om zijn spelers beter te doen voetballen. Feyenoord dat een ‘persoonlijkheidstest’ opstelt voor kandidaat-trainers. Zulte Waregemtrainer Francky Dury die na een bezoek aan het lab van AC Milan ervan overtuigd is dat verdere kennis in de ‘kaakbeenstructuur’ van zijn spelers zijn ploeg vooruit zal helpen.

“Te veel trainers zijn bezeten door het begrip ‘detail’. Alsof elke centimeter van een sliert spaghetti op de maandagochtend ook maar van enige invloed kan zijn op de uitslag van de wedstrijd later? Dan kom je bij de onderkaakstructuur terecht die Francky Dury zo intrigeert. Natuurlijk is een goede medische begeleiding belangrijk, maar wat Dury allemaal uit dat Milanlab haalt, is toch om te gieren? Ik werd vroeger ook graag lekker gemasseerd, maar ik werd geen betere spits omdat ik uitstekende massages kreeg. Vorig jaar trapte AC Milan geen deuk in een pak boter, ondanks hun lab. Het gaat ook heus wel zonder.“Maar zonder talent gaat het niet. Een voetbalwedstrijd is in wezen niet zo moeilijk. Men speelt met elf tegen elf, en de handigste met de bal wint. Meestal. Trainers zijn overbodig. Tenzij hij zijn spelers gewoon laat spelen. Zeker op topniveau is dat veel efficiënter. Maar trainers moeien zich toch, en zijn dus vaak een doem op een wedstrijd. Hun inbreng wordt schromelijk overschat.“Talent is namelijk belangrijker dan tactiek. Er zijn trainers die hun ‘tactiek’ zo ver doordrijven dat het een halszaak wordt als een speler een metertje meer naar links of rechts staat. Wat ben je daarmee, als in de wedstrijd de bal dan toevallig toch een meter die andere kant uit zeilt? Dat is weer die hoogmoed, de typische zelfoverschatting van trainers. Youri (nu trainer bij Schalke 04, WP) zegt me dat ze soms vooraf beslissen tot een 4-4-2, maar dat nadien blijkt dat ze eigenlijk 4-3-3 gespeeld hebben, ook al omdat elke speler zijn eigen positie wat anders invult.“Al was ik toch wel onder de indruk toen Youri mij onlangs zijn computertje toonde. Op maandag stond daarin al de hele wedstrijd van de zaterdag geanalyseerd. Alle acties! Je krijgt toch wel iets meer inzicht. Bijvoorbeeld in de luiheid van een bepaalde speler. Je ziet zo wie kilometers heeft zitten sjouwen en wie zich verstopte. Ik geeft toe dat ik er ook gebruik van zou durven maken. (vlug) Een heel klein beetje.”

Overdrijft u niet? Een beetje? De tijd waarin u bij Anderlecht belandde, wordt nog altijd genoemd naar zijn trainer: de Sinibaldiperiode.

“Paul Van Himst en Wilfried Puis en de meeste andere spelers waren nog jong, en Pierre Sinibaldi was een vriendelijke man, een soort vaderfiguur ook: dat klikte wel. Maar geloof me maar: voor de resultaten bij Anderlecht was Paul Van Himst echt veel belangrijker dan Sinibaldi hoor. Ik heb zeven jaar bij Anderlecht gespeeld, maar ik heb al die tijd lekker in het zonnetje geslapen tijdens de wedstrijdbesprekingen. Een stukje appeltaart voor me: héérlijk. Ik luisterde maar half, maar dát hij sprak, vond ik wel belangrijk. Het was een rustgevend ritueel in de aanloop naar de wedstrijd. Maar wat hij precies over die buitenspelval zei, of hoe ik me moest positioneren tegen de verdedigers van de tegenpartij, dat wist ik zelf wel beter dan mijn trainers.“Ernst Happel was een groot trainer omdat zijn adagium ‘doe maar’ was. In zijn woorden: ‘Kein geloel.’ Happel was de man van de no-nonsense. Hij liet spelen. Hij wist dat trainers natuurlijk wel wat kapot kunnen maken. Maar er is nooit een groot elftal gemaakt door een trainer. Dat gebeurde altijd door grote spelers.”

Met permissie: niet alleen trainers kunnen een slechte invloed hebben, maar ook uw soort, de analytici. In Nederland lag Dick Advocaat er als bondscoach na ‘De Wissel’ op het EK 2004.

“Bij een goede analyticus gaat het maar om één ding: zijn Eigen Gelijk! (bulderlach) Marc Degryse kijkt op mij neer, en dan klim ik een beetje de berg op en kijk weer op Degryse neer. Of op Cruijff: volgens mij kraamt Johan te vaak te interne voetbaltaal uit, terwijl ik het liever anders doe. Net zoals vroeger hebben we allemaal onze kunde, onze favoriete positie. Intussen blijft het een beetje competitie. Het is keiharde topsport, meneer!“Maar laten we ons vooral niet te belangrijk voelen. Toen Advocaat op dat EK een uitstekende Arjen Robben wisselde voor Paul Bosvelt - ‘De Wissel’ - ontplofte half Nederland voor de televisie: ‘Wat doet die nu?’ Je had toen geen analyticus nodig om de dwaasheid van die ingreep in te zien en de volksopstand te prediken. Ik geloof niet dat er een oud-voetballer is of een commentator die een trainer weg wil. Maar trainers zijn natuurlijk dankbare onderwerpen voor kritiek. (lachje) Het is vaak omdat ze de zaak zo negatief benaderen. Het Nederlandse elftal lijdt al jaren aan dat vervelende geschuif met spelers. Ook Marco van Basten deed dat als bondscoach. Er was geen touw vast te knopen aan zijn beslissingen.”

Hoe kijkt Nederland eigenlijk naar Jan Mulder? Kent men u in eigen land als een Anderlechtman of een Ajacied?

“Als een chagrijnige oude analyticus. (grijnst) Ik ben een vreemde eend in de bijt. Een tv-typetje. Ze kennen mij niet echt als voetballer. Ik ben trouwens een Anderlechtspeler. En géén Ajacied. Ik ben vergroeid met België. Door een rare samenloop van omstandigheden ben ik in Brussel beland. Ik ben er zeven jaar gebleven, en ben er België eeuwig dankbaar voor. Dat vind ik van het mooiste en waardevolste uit mijn leven. Toen ik in het Astridpark kwam, werd de club nog niet geleid door Constant Vanden Stock, maar door Albert Roosens en Eugène Steppé. Vooral Steppé was er dagelijks aanwezig. Hij zal alles wel verkeerd gedaan hebben. Maar voor mij niet. Dat was echt de ouderwetse glorie van het voetbal. Ik kan er nog tranen van in mijn ogen krijgen. “Steppé was een man met respect voor het voetbal, voor zijn spelers en zijn ploeg. Hij zou het nooit over zijn hart hebben gekregen wat Frank Rijkaard deed toen hij trainer bij Barcelona was: ter wille van sponsor Nike de kleuren veranderen, de traditionele blauwe broekjes inwisselen voor een geel of oranje exemplaar. De pretentie! Hoe krijg je het in je hoofd? Je raakt toch niet aan je clubkleuren? Net zoals men Wembley niet had mogen afbreken. Ik weet wel dat enige concessies nodig zijn. Arsenal speelt ook niet meer op Highbury, maar in het Emirates Stadium. God ja. Daaraan is bijna niet te ontkomen in deze enorme vlucht naar meer-meer-meer.”

Moeten we terug naar vroeger? Naar de godfather van de Belgische analisten, de man die ook zo mooi beschreven staat in een van je stukjes: Pol Jacquemyns. In zijn tijd schreef die: ‘De verering van de massa voor grote sportfiguren moet ingetoomd worden. Voetballers en wielrenners mogen geen idolen zijn. Sport is een middel, geen doel. Ze moet op haar plaats blijven in het complex der hogere waarden in het menselijke leven.’

“Jezus, wat een schitterende tekst! Maar ik ben het niet helemaal met Pol eens. Als kind heb ik zo genoten van mijn eigen idolen. Abe Lenstra was dat, en Faas Wilkes. Daarvoor ga je naar het stadion. Rik Coppens wilde ik zien, in die schitterende Derby’s der Lage Landen die toen zo belangrijk waren, maar die ze vandaag niet meer spelen. Rik Coppens stond toen altijd tegen Rinus Terlouw. Ik ben voor Rik, niet voor Rinus. Ook al was het een tegenstander. Schitterende Goden waren het. En dat blijven ze. Ik laat me dat niet afnemen. Je moet niet altijd nuanceren. Voor een virtuoos moet je toch op je knieën kunnen blijven zakken?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234