Zondag 27/11/2022

Amerika, de pijn en de pyrotechniek

Deze verhalen staan v�r van het geschw�rm met puberexistentialisme, maar formuleren het verlies in al zijn concrete details

Uitzinnig proza uit de Verenigde Staten

Dave Eggers, Jonathan Safran Foer, Chuck Palahniuk en David Foster Wallace vertegenwoordigen een nieuwe golf van Amerikaans proza, te midden van een gigantische overproductie. Wat hebben deze schrijvers gemeen? Maar bovenal, wat onderscheidt hen van de rest?

Door Bert Bultinck

olgens de Mexicaanse auteur en boekenwatcher Gabriel Zaid publiceert de homo sapiens tegenwoordig één boek per dertig seconden. In het jaar 2000 werden er alles samen ongeveer één miljoen nieuwe boeken op de wereldmarkt losgelaten en de laatste jaren is het aantal nieuwe titels ongetwijfeld nog sneller gestegen. Wie de vrijwel ongekende luxe geniet van één boek per dag te (kunnen) lezen, heeft er meteen een paar duizend verwaarloosd die diezelfde dag nog zijn gepubliceerd. In het verkwikkende essay Los demasiados libros, dat hier vooral bekend is in de Engelse vertaling (So Many Books), verdedigt Zaid de zogenaamde overproductie en wordt elke luie lezer - en zondagsschrijver - meteen verlost van zijn schuldcomplex. Waarom zou je je minderwaardig of dom moeten voelen als je nog nooit Ulysses gelezen hebt? Waarom zouden er eigenlijk van elk boek tienduizend exemplaren moeten worden verkocht? En als een alom geprezen roman je al na honderd bladzijden grondig de keel begint uit te hangen, dan schuif je het zogenaamde meesterwerk toch gewoon aan de kant en neem je een ander?

In het al even vermakelijke The Polysyllabic Spree brengt bestsellerauteur en Hollywood-lieveling Nick Hornby verslag uit van zijn eigen overdadig koop- en leesgedrag. Het is een gevarieerde verzameling opstellen over onder meer J.D. Salinger, Kurt Vonnegut, Jonathan Lethem en Dennis Lehane, maar ook over eetbare gedichten en hilarisch autisme-proza. De korte, wervelende stukken doen watertanden en glimlachen, ook al omdat Hornby in vergelijking met Zaid op een net iets genuanceerdere manier schrijft over het al dan niet bezwarende overschot aan drukwerk. Elk hoofdstukje van zijn leeslogboek begint met twee lijstjes: links de boeken die hij in een bepaalde maand heeft gekocht; rechts de boeken die hij die maand heeft gelezen. En zijn Weight Watchers-methode schijnt nog min of meer te werken ook: vaak zijn de lijstjes even lang, al staat er rechts weleens de vermelding 'abandoned' bij ('gestopt'). Grosso modo herkent hij zich toch in een paar zinnen van uitgerekend So Many Books van Zaid, een tekst die hij toevallig ook heeft gelezen. Zaid schrijft dat "echt geciviliseerde mensen in staat zijn om duizenden ongelezen boeken in hun bezit te hebben zonder daarbij hun zelfverzekerdheid of hun verlangen naar meer te verliezen". Hornby's commentaar is niet zonder ironie, maar vooral instemmend: "Dat ben ik! En jij, wellicht! Dat zijn wij! 'Duizenden ongelezen boeken!' 'Echt geciviliseerd!'." Hornby's eigen uitweg uit de culturele overconsumptie is de zelfexpressie: "alle boeken die we in ons bezit hebben, of ze nu gelezen of ongelezen zijn, vormen de meest volledige uitdrukking van wie we zijn." Daar zit iets in. Zeker als we toevoegen: "of wie we graag zouden willen zijn."

Indien we dezelfde logica op een hele natie toepassen, dan kunnen we ons afvragen wat er met Amerika aan de hand is. Niet dat we redenen tekort komen om ons zorgen te maken over de Verenigde Staten, maar in de Amerikaanse literaire massaproductie tekent zich een tendens af die niet los lijkt te staan van de zopas geschetste boekenberg. Het is altijd opletten met generaliseringen die alweer een nieuwe stroming of nog maar eens een trend ontwaren, zeker als het over een zo veelzijdig en onmetelijk land als de Verenigde Staten gaat. Zonder te overdrijven is het, niettemin, onthullend om een belangrijk en invloedrijk deel van de productie te zien vanuit een welbepaald perspectief. In één woord is dat gezichtspunt het 'exces', op welk niveau dan ook: in de lange, uiwaaierende zinnen, in het aantal personages (en hun meta-meta-zelf- bewustzijn) of de uitzinnigheid van de plots, en niet zelden in de combinatie van dat alles. Natuurlijk bestaat de Amerikaanse encyclopedische roman al veel en veel langer - en 'encyclopedisch' is slechts één naam voor dit genre van boeken dat zijn grenzen niet wil kennen - maar de laatste jaren zijn een paar auteurs opgedoken die niet alleen excessief proza produceren, maar daar ook nog eens een groot publiek mee bereiken.

In een artikel dat hij publiceerde in zijn eigen New York Times had boekenbijlagebaas Charles McGrath het onlangs over "The Souped-Up, Knock-Out, Total Fiction Experience" ("De opgefokte, verpletterende, totale romanervaring"). Hij beweert dat de Amerikanen vandaag leven in een "tijdperk van maximalistische romans": dat zijn meestal dikke boeken, die dikwijls niet zo makkelijk lezen, maar in alle geval "larger-than-life" willen zijn, en daartoe uitgerust worden met "tekstuele toeters en bellen" en groteske beschrijvingen en decorstukken. Als voorlopers noemt McGrath onder meer Infinite Jest van David Foster Wallace uit 1996 ("een boek dat zo compact en gecompliceerd is dat [een criticus] suggereerde dat het wel gestuurd moest zijn door een interne computer") en Thomas Pynchons Mason & Dixon (uit 1997), dat met 770 pagina's nog ruim driehonderd bladzijden onder Wallaces magnum opus bleef, maar verder geen zeldzaam adjectief, historische figuur of vliegende mechanische eend uit de weg gaat.

Een andere criticus(-annex-romancier), de nogal botte Amerikaan Dale Peck, heeft naam gemaakt met vernietigende stukken over precies dit soort schriftuur, die hij terugvindt bij onder meer Rick Moody, Jonathan Franzen, Dave Eggers en, vooral, de reeds genoemde David Foster Wallace. Moody en Wallace zijn dat iets minder, maar Franzen en Eggers zijn ondertussen uitgegroeid tot echte bestsellerauteurs, misschien zelfs een nieuw soort "volksschrijvers". Volgens Peck zijn het niettemin allemaal "erfgenamen van de failliet verklaarde traditie die begon met de woordendiarree van Ulysses". Echt berucht werd zijn kritiek op Infinite Jest, die hij als volgt samenvatte: "Om maar te zeggen dat, wanneer de auteur van Infinite Jest nu gewoon eens zijn verdomde tekstverwerker zou afzetten en iemand tegen het lijf zou lopen die gepassioneerd zijn lul in zijn (=Wallaces; BB) reet zou willen stoppen, dat hij dan misschien zou beseffen dat de menselijke geest de meeste handelingen feitelijk in een of andere toereikende narratieve vorm dwingt." Sodomie als literaire kritiek; à la limite is het niet verwonderlijk dat het verbale geweld van Franzen en consorten een ander soort geweld in het leven roept, maar toch.

Veel van Pecks stoere praat is makkelijk af te doen als belachelijk conservatief of zelfs jaloers, maar D.F. Wallace maakt het - toegegeven - al jaren bont. In het openingsverhaal van zijn meest recente (en onvertaald gebleven) verhalenbundel Oblivion ('Vergetelheid') wisselen tergend precieze situeringen, ondoorzichtige afkortingen en in-medias-res-anekdotes elkaar af, in een sfeer van hopeloze ambitie en mistroostige werkelijkheid. Niet dat dit een slecht verhaal is, verre van: zoals gewoonlijk bij Wallace getuigt 'Mister Squishy' (want zo heet het verhaal) van een onwaarschijnlijke literaire competentie en een inzicht in de condition humaine - een inzicht dat evenwel werkelijk te groot is om goed te zijn. In dit verhaal wordt een marktonderzoek naverteld, dat bij een gedetailleerd geportretteerde testgroep de merites van een nieuwe chocoladerijke snack zeer zorgvuldig tracht te onderzoeken (of toch minstens de schijn ophoudt, want gaandeweg wordt duidelijk dat de statistieken voor zowat alles moeten kunnen dienen). Dit verhaal is op veel manieren een schoolvoorbeeld van het maximalistische proza waar McGrath het over heeft (ook al omdat de auteur duidelijk erg hard heeft doorgestudeerd): de meeste zinnen moet je ofwel zeer zorgvuldig ofwel twee keer lezen, ze zitten bovendien vol met knipogen en ironie en dat alles maakt dat je op het einde van de zesenzestig bladzijden toch heel even naar buiten moet, een frisse neus halen. Of een pakje sigaretten.

Ik noem slechts één voorbeeld. Felony! - dat is de uitgekiende naam van de snack in kwestie - werd in dit verhaal geconcipieerd als een zogenaamd "schaduwproduct", een verkoopsartikel dat fel moet afsteken tegen de dominante trend van lite- en andere gezondheidsproducten (waarvan de verschillende soorten werkelijk uitputtend worden opgesomd door Wallace): het is, kortom, een zeer vette, calorierijke, bewust ongezonde reep, voor mensen die nu precies dat "bewust ongezonde" opzoeken. Laat me een deel van een zin van Wallace over Felony! citeren om zijn exuberante stijl, maar ook zijn psychologie te illustreren: "As with most Antitrend products, the Felony! had to walk a fine line between a consumer's resentment of the Healthy Lifestyles trend's ascetic pressures and the guilt and unease any animal instinctively felt when it left the herd" (een tentatieve vertaling: "Zoals de meeste Antitrendproducten moest Vergrijp! de dunne lijn bewandelen tussen de afkeer van de ascese die opgedrongen wordt door de Gezonde Levensstijl-trend en het schuldgevoel en de onzekerheid die elk dier voelt wanneer het de kudde verlaat.") Dit is nog niet eens de hélft van de zin, maar u begrijpt wat ik bedoel met excessieve literatuur. Noem het powerproza.

Het is ook allemaal zo godgeklaagd slim: ik twijfel er niet aan dat marketingbureaus inderdaad met dat soort antitrend-producten en -campagnes werken (denk aan die hilarische, trieste Eristoff-reclame, waarin de wodka aan het cinemapubliek wordt gesleten door een zakenman die zegt wat hij allemaal voor zichzelf kan kopen als wij maar genoeg Eristoff drinken. Het is cynisch dat dat soort cynisme werkt). Evenmin wil ik de basisgedachten van de onderliggende logica loochenen: de distinctiedrift - ik eet lekker vettig want ik ben echt wel anders dan al die fitness-slaven - zal in dezen inderdaad moeten opwegen tegen de onzekerheid die je bevangt als je niet zoals de anderen - de aspartaamverbruikende massa - doet. Als je erin slaagt om Wallaces zinnen te ontcijferen, dan zal je niet zelden ontdekken dat hij ook nog eens gelijk heeft. Wallace fietst van waarheid naar paranoia en laat niet na te suggereren dat het verschil tussen beide weleens heel klein zou kunnen zijn of nog erger: een geloofsartikel, dagelijks af te betalen.

Eén Wallace maakt natuurlijk nog geen trend, maar er zijn zoveel andere Amerikanen die iets soortgelijks doen en vooral: véél beter verkopen. (Sympathiek: Wallace schiet zichzelf met die uitgesponnen meta-zinnen in de voet, hij weet het, en dan doet hij het gewoon nog eens). Van Franzen moet natuurlijk The Corrections worden vermeld en van Dave Eggers zowat alles: de titel van één zeer kort en helaas onvertaald verhaal uit Eggers' laatste bundel - met de ook al veelzeggende titel Hoe hongerig we zijn - zegt genoeg: "What It Means When a Crowd in a Faraway Nation Takes a Soldier Representing Your Own Nation, Shoots Him, Drags Him from His Vehicle and Then Mutilates Him in the Dust" ("Wat het betekent wanneer een meute in een ver land een soldaat vasthoudt die jouw land vertegenwoordigt, hem doodschiet, uit zijn voertuig haalt en in het stof toetakelt"). De titel is beter dan het verhaal, maar ook hier spuit het proza alle kanten op - al moet gezegd dat deze verhalenbundel bij momenten al iets 'klassieker' aandoet dan zijn zeer speelse, zeer indrukwekkende debuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit.

In de nog te schrijven literatuurgeschiedenis van het Amerikaanse fin de siècle zouden Eggers en zijn McSweeney's-club weleens het uithangbord kunnen worden van dit uit zijn voegen barstend proza. In The Best of McSweeney's verzamelt de listige Eggers een aantal sterke verhalen die in zijn eigen tijdschrift verschenen zijn: daar zit veel relatief onbekend volk bij (want nieuw schrijftalent opduikelen is nog steeds een van McSweeney's sterke punten), maar ook een paar reeds genoemde powerprozaïsten zijn van de partij: Eggers zelf uiteraard, Rick Moody en, jawel, David Foster Wallace. Een aparte vermelding verdient ook William T. Vollmann, die hier op geheel innemende wijze "drie meditaties over de dood" weggeeft. Vollmann hoort hier niet alleen thuis omdat hij een wel zeer markant voorbeeld is van literaire uitzinnigheid (zijn Rising Up and Rising Down: Some Thoughts on Violence, Freedom and Urgent Means beslaat zeven volumes en 3.352 pagina's), maar ook van de radicale thematiek die veel van de reeds vermelde auteurs in de ban houdt. Om kort te gaan: deze auteurs schrijven geen miniatuurtjes over een stuk zeep of over de teloorgaande etiquette in Haagse kringen, en als ze over gebroken liefdes schrijven, dan nooit alléén maar over gebroken liefdes. Meestal is hun onderwerp gewoon pijn. De pijn van vader en/of moeder te verliezen, de pijn van gemartelde soldaten of juist de vriesletsels van een veilig, luxueus en volstrekt onzinnig bestaan.

En de diepe, diepe rouw van de nabestaanden van 9/11 en andere terroristische aanslagen. De kiemen van het alle kanten opschietende proza waren er al een tijd voor 2001, maar de aanslagen hebben het gevoel van 'urgentie' alleen maar aangewakkerd. In de reeks 9/11-boeken (denk aan Windows on the World van Fransman Frédéric Beigbeder of Saturday van Brit Ian McEwan) is de recente roman van Jonathan Safran Foer zeker visueel het meest opvallende boek. Op een manier die doet denken aan een andere tomeloze roman - Mark Z. Danielewski's Het kaartenhuis - experimenteert Extreem luid en ongelofelijk dichtbij met typografie, foto's, raamvertellingen, witte pagina's, waanzinnige zijplots, gratuite spelletjes en andere nutteloze wetenschap. Veel critici begonnen al te geeuwen als ze het boek opensloegen - been there, done that - maar wie de ogenschijnlijke frivoliteiten wat beter in zich opnam, kon alleen maar vaststellen dat het werkte. Natuurlijk vergt het wel enige welwillendheid van de lezer wanneer een negenjarig jongetje bijzonder mature inzichten poneert, maar uiteindelijk geeft dit boek precies wat het belooft: troost. En ook dat is een constante bij dit soort literatuur. Of het nu gaat over Eggers, Wallace, Pynchon, Franzen of Jonathan Lethem (die sinds De Burcht van eenzaamheid ook in dit rijtje thuishoort): het is alsof de explosieve veelheid, de "pyrotechniek" (zoals Salman Rushdie het zegt op de omslag van Foers boek) een nooit "uit te zeggen" verlies, een blijvende pijn van het particuliere zijn toch tracht te verwoorden. Dat zijn is 'particulier', want deze verhalen staan vér van het geschwärm met puberexistentialisme, maar formuleren het verlies in al zijn concrete details. Essentieel is bovendien dat er omzichtig om het loze sentiment heen geschreven wordt en dat de auteur weet én zegt dat de troost niet volkomen is. De nu al beruchte laatste bladzijden van Extreem luid en ongelofelijk dichtbij (waarin een man fotoreeksgewijs de Twin Towers weer binnenvalt) vormen een heel expliciet voorbeeld van hoe kunst de ellende tracht om te buigen naar schoonheid. Maar wat nazindert, is vooral de machteloosheid, de eindeloze naïviteit van die radeloze onderneming.

In Haunted van Chuck Palahniuk (bekend van Fight Club), ten slotte, zit het exces niet zozeer in een schier onmogelijke syntaxis (zoals bij Pynchon, Wallace of Moody), of in tekeningetjes en veelkleurige handschriften, maar in het aantal plots en de radicaliteit waarmee de menselijke duisternis wordt verkend. Deze "roman van verhalen" kruipt makkelijk onder de huid, en maakt je al gauw misselijk - denk aan de meest bloederige scènes in Bret Easton Ellis' American Psycho en vermenigvuldig. Haunted bestaat uit één afschuwelijk kaderverhaal, drieëntwintig korte verhalen van de personages uit dat kaderverhaal, en nog eens eenentwintig gedichten óver die personages. Er worden drag queens verkracht, een uitgeblust koppel draait zielige homeporno en mensen stikken terwijl ze de penis van hun naaste door trachten te slikken. Van de genoemde werken is Haunted ongetwijfeld het meest radicale, het meest degoutante, het meest verontrustende.

En toch zet ook Palahniuk in op de helende kracht van de vuurwerkroman. Mr. Whittier, de perverse schrijfgoeroe die deze lugubere Decamerone in gang duwt, zegt het zo: "Door verhalen te vertellen verteren we wat we meemaken." En hij voegt eraan toe: "Andere gebeurtenissen - diegene die je niet kunt verteren - vergiftigen je." In de inleiding op zijn recentste essaybundel (Non-fiction. (True stories)) zegt Palahniuk het nog anders: volgens hem heeft het succes van Fight Club alles te maken met "a structure for people to be together", een vorm waarin mensen samen kunnen zijn met elkaar. Gezien de beschavingshorror van Haunted is een dergelijke, ogenschijnlijke wolligheid verrassend: "Mocht je het nog niet gemerkt hebben: al mijn boeken gaan over een eenzame die op zoek is naar een manier om met andere mensen in contact te komen." Maar het is juist in dat licht dat Haunted werkelijk verschrikkelijk is, omdat Palahniuk toont hoe extreem moeilijk dat is. Veel Amerikaanse critici hadden het over "een sterke maag" (en die heb je zeker nodig), maar wie deze roman min of meer levenslustig wil doorkomen moet zich vooral richten naar de sprankeltjes hoop die Palahniuk in een of andere bijzin - en heel soms in een hoofdzin - verstopt.

Maar dan blijkt dat ook Haunted, net als de andere powerprozaboeken, de zuivering en troost van de gefingeerde waarheid kan bieden. Dat heeft te maken met de genoemde radicaliteit en de honger naar meer. Bovenal, echter, steken de romans van Palahniuk, Wallace, Eggers, Vollmann, Franzen, Lethem en vele andere Amerikanen boven veel van de andere één miljoen boeken uit, omdat ze zo onwaarschijnlijk goed geschreven zijn. Hun excessen laten het Engels alle hoeken van de kamer zien en steeds weer blijkt dat het Engels dat wel kan hebben. Hun kracht is groot en inspirerend: het zijn onder meer deze schrijvers die Gabriel Zaids liberaal optimisme en Nick Hornby's boekenliefde rechtvaardigen. Dit zijn teksten waarbij elk geblaat over het einde van de roman potsierlijk wordt; deze romans zijn geschreven voor tijden waarin het menens is. Hier gebeurt iets. Neem deel.

Bert Bultinck

Dave Eggers

Hoe hongerig we zijn

Oorspronkelijke titel: How We Are Hungry

Vertaald door Irving Pardoen

Vassallucci, Amsterdam, 235 p., 19,95 euro.

Dave Eggers (samensteller)

The Best of McSweeney's. Volume 1

Hamish Hamilton, Londen, 415 p., 17,99 pond.

Jonathan Safran Foer

Extreem luid & ongelooflijk dichtbij

Oorspronkelijke titel: Extremely Loud & Incredibly Close

Vertaald door Gerda Baardman & Tjadine Stheeman

Anthos/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 376 p., 19,95 euro.

Nick Hornby

The Polysyllabic Spree

Believer Books, San Francisco, 143 p., 14 dollar.

Chuck Palahniuk

Non-fiction (True stories)

Vintage, Londen, 233 p., 7,69 pond.

Chuck Palahniuk

Haunted

Jonathan Cape, Londen, 404 p., 12,99 euro.

David Foster Wallace

Oblivion

Abacus, Londen, 3 29 p., 12 pond.Gabriel Zaid

So Many Books

Sort of books, Londen, 144 p., 8,99 pond.

Hun excessen laten het Engels alle hoeken van de kamer zien en steeds weer blijkt dat het Engels dat wel kan hebben

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234