Zondag 24/10/2021

'AMERICANA'

In Americana belicht essayist Joost Zwagerman alle facetten van de Amerikaanse cultuur. Hij volgt daarbij zijn fascinaties en obsessies: van male chauvinist pig Henry Miller tot het talent van Dave Eggers, van Christopher Hitchens als eeuwige dwarsdenker tot macho Madonna, van Deep Throat tot Blue Velvet. We kozen voor u drie fragmenten.

Boksers als mensendieren

"Kunst moet een verhaal vertellen", heeft George Bellows ooit verklaard. Hij vertelde metStag at Sharkey'sgéén 'sportverhaal'. "Ik weet niets van boksen", is een andere uitspraak van Bellows. Hij beeldde geen sportieve scène, maar een geweldsdaad uit. Want: "Ik schilderde twee kerels die bezig zijn elkaar te vermoorden."

Niks innerlijke kracht, niks zen - Bellows schilderde de exaltatie van het publiek dat uitzinnig is, op het maniakale af. Dat publiek ruikt bloed en schreeuwt om moord. WatStag at Sharkey'suittilt boven veel andere 'wrede' bokstaferelen, is Bellows schijnbaar neutrale blik, vergelijkbaar met de nuchtere vertelwijze van Hemingway inFifty Grand. Bellows wil niet zeggen: zie hoe de mens óók kan zijn. Hij zegt: zie hoe de mens ís. Het publiek representeert misschien inderdaad die 'helse perversie van de Amerikaanse droom', maar de boksers zelf tonen een wet van de natuur: verslinden of verslonden worden. Charles Baudelaire zou dol zijn geweest op dit schilderij. InDe schilder van het moderne levenmerkte Baudelaire op: "Al het schone en edele is het resultaat van rede en berekening. De misdaad, waarmee het mensendier in de moederbuik gevoed werd, is van oorsprong natuurlijk." De boksers als mensendieren - en nog net niet 'het beest met de twee ruggen'. Voeg eraan toe dat Bellows bij uitstek een 'schilder van het moderne leven' wilde zijn, enStag at Sharkey'skrijgt een dwingende betekenis.

Na afloop van zo'n illegale bokspartij werden ingehuurde en eveneens illegale deeltijdwerkers geacht zo'n club als Sharkey's leeg te ruimen en schoon te maken - alsof het hele gevecht niet, nooit had plaats- gevonden.

Na zo'n gevecht bestond Sharkey's niet meer, en resteerde er niets dan een leegstaand pand, kaalgestript en schoongepoetst. De boksers bestonden ook niet meer. Er was immers helemaal niet gebokst. Wel was er vrijwel zeker een dode gevallen, maar die bestond ook niet, want ook die was 'geruimd', weggepoetst. Wat Bellows dus vereeuwigde was het actiemoment vlak voor die dood, vlak voor de grote schoonmaakpartij en schrandere verdwijntruc in en van club Sharkey's. Eén moment later, en het is alsof Jack Brennan, de hoofdfiguur uit HemingwaysFifty Grand, hier het woord mag voeren, die dan zijn memorabele zin kan uitspreken:"It was nothing."

"It was nothing."Nader tot het Niets. Wat zie je, staand in het schilderij en buiten de ring, als het 'zwarte licht van het onderbewuste' in zo'n illegale bokstent een schijnsel werpt? Je ziet twee individuen die één grauwe vleesklomp vormen: je ziet de grondeloze dynamiek van een doodsstrijd, je ziet een macaber staketsel van ledematen dat een withete copulatie persifleert, je ziet twee mannen die elkaar op leven en dood verorberen, verschalken, verslinden.Stag at Sharkey'sverbeeldt, om met Muhammad Ali te spreken,"the nearest thing to death".

Woest en viriel schildersbeest

Jackson Pollock was, zacht gezegd, een man die zo zijn buien had. Op een dag hoorde zijn echtgenote, de schilder Lee Krasner, een harde bons in zijn atelier. Er was iets gevallen of, erger, haar man had te veel gedronken en was onderuitgegaan. Dat laatste was wel vaker gebeurd. Toen hoorde ze hem uitroepen:"God damn it, that guy missed nothing!"

Krasner rende naar het atelier. Pollock zat op een kruk voor zich uit te staren. In de hoek van het werkvertrek lag een grote, zware Picasso-catalogus. Pollock had het boek woedend door de kamer gesmeten.

Dit soort verhalen deed het goed bij de tentoonstellingPicasso and American Artin het Whitney Museum of American Art in New York. Een aantal elementen van de mythen waaruit sommige kunstenaars zijn opgetrokken, kwam erin samen. Eerst was er het archetype van de kunstenaar als cholerische oermens. Pollock legde de catalogus niet geïmponeerd weg. Nee, er moest wel even gegooid en gesmeten worden. Wat de anekdote áf maakt, is dat ook het object van ergernis, Pablo Picasso (1881-1973), te boek staat als woest en viriel schildersbeest met een onuitputtelijke energie. Was Pollock iemand die een in temperament gelijkaardige voorganger niet kon velen? Of zag hij zichzelf toen al als de mindere van de titanische Picasso?

Te vrezen valt: het laatste. Jackson Pollock streefde ernaar Picasso zo niet te overtreffen, dan toch te evenaren. Die wedijver maakt Pollock, meer dan dertig jaar jonger dan Picasso, in één klap tot een tragische figuur. Rudy Kousbroek schreef ooit treffend dat Picasso geen genie was, maar een heel gezelschap aan genieën. Je moet met een heel legertje Pollocks zijn om dat gezelschap te overtreffen.

Wantrouwen tegen spectaculaire boeken

Waar te beginnen bij het gedenken van John Updike? Welk van zijn meer dan vijftig boeken moet je als eerste noemen? En, nog voordat je een keuze voor één boek hebt gemaakt: welke John Updike zal het meest worden gemist, de romancier, de essayist, de chroniqueur, de kinderboekenschrijver, de dichter wellicht, of tóch de meester van de short story? Hoe dan ook was John Updike een schrijversleven lang de cartograaf van de ziel van de Amerikaanse everyman, de typische klein-burger uit het kleinsteedse Amerika, autoverkoper, getrouwd, twee kinderen, en trouw stemmer op de republikeinen.

In zijn onmiskenbare meesterwerk deRabbit-cyclus staat niet één zin waar Updike zich patroniserend of cynisch over deze average American uitlaat. Daar was Updike de auteur niet naar. "Ik heb een diepgeworteld wantrouwen tegen spectaculaire boeken met spectaculaire personages", is een van de uitspraken die Updike typeerden. En: "Literatuur hoort zich bezig te houden met het innerlijk leven van gewone mensen, zoals de evangeliën dat ook doen."

Bij zoveel wantrouwen tegen 'spectaculaire boeken' kan het niet anders of een schrijver moet op een ánder vlak iets te bieden hebben wat dit ontbreken van spektakel direct doet vergeten. Bij Updike was dat altijd: de stijl. In zijn memoiresSelf-Consciousness(1989) benadrukt Updike dat hij streefde naar de al eerder in Amerika genoemde "stijl van tedere exploratie die zich om de dingen wikkelt, om tinten, stemmingen, geuren, om de bevattelijke werkelijkheid".

Niet alleen in zijn romans en verhalen, maar ook in zijn essays, kritieken en artikelen was het Updike te doen om die eerder genoemde 'tedere exploratie' van de dingen. Bij John Updike was vrijwel iedere zin een héérlijke zin, blakend, muzikaal, zintuiglijk, elegant, precieus en welluidend. Updike was hartveroverend genereus in zijn bijna boeddhistisch brede belangstelling. Van Shakespeare tot de genoegens van golf; van cartoons tot de poëtica van Proust; van de tekeningen van Rembrandt tot de logo's van multinationals; van Michelangelo tot Cees Nooteboom - Updikes lenige geest ontfermde zich over ontelbare onderwerpen zonder dat je ooit het gevoel kreeg dat hij per se zijn kennis wilde etaleren of loze krullen wilde draaien.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234