Vrijdag 20/09/2019

Interview Onderwijs

Alternatieve scholen: ‘De vooroordelen die ik ooit had, zijn weg’

Thomas (7), Viktor (5) en Leonie (2,5), de kinderen van Sofie Cardoen, gaan naar Sint-Ludgardis, een openluchtschool in Brasschaat: ‘Altijd een frisse bries in de klas, wat een luxe.’ Beeld Wouter Van Vooren

Steeds meer kinderen volgen een ‘alternatieve’ route naar een diploma. Ze krijgen thuisonderwijs, of kiezen voor een ‘alternatieve’ school. Zo gingen in 2018 al 28.000 zes- tot twaalfjarigen naar een methodeschool, een derde meer dan in 2013. ‘De eerste maand heeft mijn zoon vooral getekend.’ 

Sofie Cardoen beschrijft de school graag als een parktuin met paviljoenen. “Elke klas heeft toegang tot de tuinen via een groot schuifraam, dat altijd open staat. Ook in de winter, ja. Dan gaat de vloerverwarming aan en trekken de kinderen pantoffels aan. Heel huiselijk is dat.” Als het echt nodig is, wordt de wind tegengehouden met lage, houten schutsels en ook de uniformen zijn voorzien op guur weer: veel fleece, truien met kappen en thermostatische onderlijfjes.

Als kind is Sofie hier zelf naar school geweest, net als haar zussen. En allemaal sturen ze nu hun eigen kinderen naar de openluchtschool, die, voor alle duidelijkheid, verder wel een traditionele school is. “Pas toen ik in de rij stond om mijn zoon in te schrijven, besefte ik dat ik geen plan B had. Als kind sta je daar natuurlijk niet zo bij stil, maar er was geen dag dat ik niet met plezier naar school kwam.”

Wat een luxe immers, zegt ze, zo’n permanente frisse bries in de klas. “Jij herinnert je toch ook die duffe lucht in een gesloten klaslokaal? Zuurstof is goed voor de concentratie en het contact met de natuur maakt de kinderen rustig: ze horen de wind waaien door de bomen, of zien een eekhoorn lopen. Mijn kinderen zijn ’s avonds moe maar niet opgedraaid.” Vanuit de klas, vertelt Thomas, ziet hij een tuintje met een grasperkje waar ze soms mogen spelen. “We hebben ook een hele grote speelplaats.”

Nog een voordeel: winterse bacteriën en virussen krijgen hier naar verluidt weinig kans om te nestelen. Toen die ijskoude polar vortex een paar jaar geleden zowat iedereen ziek thuis hield, kreeg de griep hier nauwelijks voet aan de grond.

Toen Thomas nog bij juf Sandra in de kleuterklas zat, zegt hij, gingen ze regelmatig even buiten joggen. In de hogere jaren gebeurt het wel dat iedereen zijn stoel buitenzet en de les daar verder gaat. En Viktor maakte in de kleuterklas een spinnenspeeltuin met blaadjes, waarin de gevangen spinnen een week lang mochten spelen en de kinderen ze goed konden observeren.

“Ze krijgen van jongs af aan respect voor de natuur mee”, denkt Sofie. Haar oudere zus vertelde haar onlangs dat ze die behoefte aan frisse lucht nog altijd voelt. “Vaak zet ze alle ramen even open. Ik doe dat ook soms. Dat blijft precies toch bij.”

‘Ik ben zowat de enige christen: dat vinden de anderen heel interessant’

Emma Verhaegen (17) volgt economie-moderne talen aan het Lucernacollege in Antwerpen: ‘Ze noemden mij hier de Belg.’ Beeld Wouter Van Vooren

In haar vorige school klikte het niet met de leerkrachten, vertelt Emma. Dus hakte ze de knoop door, in de herfstvakantie van haar vierde jaar: ze zou naar het Lucernacollega gaan, waar haar moeder Frans geeft. “Het viel me meteen op hoe anders de mentaliteit hier is. De leerlingen kwamen naar me toe, stelden vragen. Ze hebben me direct omarmd. Ook met de leerkrachten kun je goed praten. De sfeer is echt nice.”

De Lucernacolleges zijn vijftien jaar geleden ontstaan vanuit de Turkse gemeenschap, met de bedoeling om kinderen met een moeilijkere achtergrond – en veelal ook met buitenlandse roots – klaar te stomen voor het hoger onderwijs. Ze krijgen extra uren Nederlands, kunnen tijdens de middag of op zondag bijles volgen en er zijn studiekampen voor de examens. In de vakanties en weekends kunnen ze mee op uitstap: naar een museum, of gaan bowlen.

“Het is een strenge school, maar rechtvaardig”, oordeelt Emma. Het uniform was even wennen. “Maar als je te laat bent om een taak in te leveren, dan vragen de leraars eerst hoe dat komt. Het niveau ligt wel hoog, hier studeren best slimme kinderen. Eigenlijk is dat goed. Ik kan mezelf moeilijk aan het studeren zetten, en zij motiveren me. En je kunt altijd bij leerkrachten terecht als iets niet lukt.”

De Lucernacolleges kwamen de laatste jaren soms in de aandacht omdat ze gelinkt worden aan de Turkse Gülen-beweging, aartsvijand van de Turkse president Erdogan.

Jo Verhaegen, de moeder van Emma: “Het lerarenkorps is enorm divers. De geruchten over indoctrinatie zijn compleet uit de lucht gegrepen.”

De eerste weken, zo zegt Emma wel, moest ze even door een cultuur­schok. “Ze noemden mij hier de Belg. (lacht) Nu vind ik dat juist leuk. Ik vertel mijn vrienden vaak over alle godsdiensten en culturen die ik hier tegenkom. De vooroordelen die ik ooit had, zijn weg. Ik ben hier zowat de enige christen en dat vinden de anderen heel interessant.”

‘Mijn oudste zoon heeft op de steinerschool de eerste maand vooral gekleurd’

Arend (8), zoon van Ilse Claeys, zit in het derde leerjaar op een steinerschool. Beeld Thomas Nolf

“Mijn oudste zoon, hij is 19 inmiddels, hebben we destijds naar het dorpsschooltje gestuurd, maar dat lukte niet. Hij had slechte punten, werkte niet mee in de klas, was angstig. Zo zijn we uiteindelijk in een kleine steinerschool beland. Ik geef toe: ik had er wel wat vragen bij. Maar uiteindelijk is die school ontzettend meegevallen.”

In een steinerschool, zo legt Ilse uit, is er aandacht voor het hoofd, hart en handen van het kind. Tekenen en zingen is er even belangrijk als wiskunde en taal. “Mijn oudste zoon heeft de eerste maand vooral gekleurd. De leerkracht stond daar voor open. Laat hem maar eerst tot rust komen, klonk het. Dat is het verschil met een reguliere school, waar iedereen op dezelfde manier moet leren. Díé woordjes moet je kennen in december, en díé woordjes in februari. En als het niet lukt, is er geen alternatief.”

Deze week, vertelt Arend, heeft hij voor het eerst in een koor gezongen. “We leren ook rekenen, schrijven en schilderen. En elk jaar spelen we toneel, maar dat doe ik niet graag.” Zijn favoriete moment is nog altijd de speeltijd. Ilse: “De kinderen zijn heel veel buiten. Elke avond komt hij vuil naar huis.”

Haar oudste zoon, die inmiddels fysica studeert aan de universiteit, vroeg na het zesde leerjaar zelf om naar een college te mogen gaan. “Hij had een uitgesproken interesse in wetenschappen, en het mocht wat moeilijker, zei hij. Hij was ook nogal kritisch geworden: toen ze hem leerden over de geneeskundige werking van mineralen, vond hij het onzin dat je hoofdpijn kunt genezen met een steen.”

Wat vond Ilse daar zelf van? “Ik heb altijd mijn vertrouwen in steiner behouden, er zitten waardevolle elementen in. Maar sommige leerkrachten, en ik wil zeker niet veralgemenen, schieten te ver door in de steinerpedagogie. Dan wordt het nogal zweverig.”

Een populaire boutade luidt: de tekeningen van steinerkinderen zien er net hetzelfde uit als honderd jaar geleden, alsof de wereld niet veranderd is. “Ik vind het wat dubbel: het is goed dat ze niet zomaar meelopen met elke digitale hype, maar soms zijn ze nogal rigide en snel om te veroordelen. Als het thema ‘kabouters’ is, dan moet je echt niet aankomen met een mannetje uit Minecraft. Daar houden ze niet van.”

De twee oudste kinderen van Ilse hebben de overstap naar een college vlot verteerd, bij de derde ging dat wat moeizamer. “Maar ik weet niet of het makkelijker geweest zou zijn als hij van een gewone lagere school kwam.” Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die steinerscholen aanbieden, is er wel minder ruimte voor oefenen en automatisatie, merkt Ilse ook op. “In andere scholen worden de tafels van vermenigvuldiging erin gedrild, bij steiner kennen ze dat woord niet. Voor kinderen die iets minder goed zijn in wiskunde, is dat wellicht niet ideaal.”

Wat haar kinderen dan wel weer missen, op het college, zijn de creatieve vakken. “Daar was nauwelijks aandacht voor. Ze hebben wel weer een streepje voor qua zelfinzicht. Ze hebben geleerd om daarover na te denken, ze zitten zeer goed in hun vel.”

Ook opvallend: steiner werkt niet met punten, dus ze zijn daar volstrekt ongevoelig voor. Ze zeggen het zelf: ‘Mijn klasgenoten zijn altijd maar bezig met punten’. Die stress voelen zij totaal niet.”

‘Thuis leren is rustiger, in de klas vond ik het echt luid’

Maithé (8) en Roan (10) krijgen thuis les van hun mama Lindsay Knockaert: ‘We volgen het ritme van de kinderen.’ Beeld Wouter Van Vooren

“Roan was vorig jaar al aan zijn derde school toe, een steinerschool”, vertelt Lindsay. “Ik dacht: als het hier niet lukt, doe ik het gewoon zelf. En ook daar was hij niet gelukkig. Er waren incidenten op de speelplaats waardoor hij helemaal niet aan leren toekwam. In maart zijn we, midden in de week, overgeschakeld. Mijn dochter had het omgekeerde probleem: zij leert heel snel en verveelde zich in de klas. We hebben haar laten kiezen, en ook zij wilde liever thuis les volgen.” (Het aantal kinderen die thuisonderwijs volgen, steeg van 1.054 in 2013-2014 naar 1.287 vorig schooljaar, red.) 

Voor Roan en Maithé is het schooljaar al aan zijn vierde week toe: in juni zijn ze immers vroeger gestopt omdat het zo’n mooi weer was. Dat is voor Lindsay meteen een van de grote voordelen: “We volgen het ritme van de kinderen. Ze slapen lang, dus we beginnen zelden voor tien uur.” Soms zelfs later, als ze eerst naar de winkel gaan, maar ook dat beschouwt Lindsay als een leermoment: ze laat hen mee nadenken over de boodschappen of de rekening napluizen.

“Roan had het op school ook lastig om elke vijftig minuten over te schakelen naar een nieuw vak; nu kan hij zich een paar uur aan een stuk verdiepen in pakweg wiskunde. Als ik merk dat hij moe wordt, gaat hij even buiten spelen, daarna is het tijd voor iets anders. Juist daardoor kan hij lang doorgaan: gisteren zijn we pas om zes uur gestopt. En Maithé, die kan nu eindelijk doorwerken op haar eigen tempo.” Roan zegt er zelf over: “Thuis is het rustiger. In de klas vond ik het echt luid.”

Basisvakken als wiskunde en Nederlands komen elke dag aan bod; geschiedenis en wetenschappen clustert Lindsay thematisch. Deze week hebben ze het bijvoorbeeld gehad over mobiliteit en zijn ze naar zee getrokken om met de kusttram te rijden. “Ze zijn zelf met dat idee afgekomen. Ik probeer altijd vanuit hun eigen interesse te vertrekken, zo absorberen ze de informatie beter.”

Aan zijn vriendjes vertelt Roan: “Ik kan nu kiezen wat ik doe, maar ik moet wel werken.” Lindsay: “Ik merk ook dat ze me over alles vragen stellen. Heel mooi om te zien.”

Er komt voor haar wel wat bij kijken: in het voorjaar en deze zomer nam ze telkens een maand vrij om een planning op te stellen, en elke zevende week is het inhaal- en voorbereidingsweek. “Het was ook experimenteren in het begin: hoe leren de kinderen het best? Roan is heel visueel ingesteld, daar kan ik op inspelen door hem relevante YouTube-filmpjes te tonen. Maar het is best vermoeiend, ja.” Voor en na de lesuren werkt ze ook nog eens als zelfstandig coach. “Ruzie maken we gelukkig niet veel.”

“Mensen reageren nogal uiteenlopend”, zegt Lindsay. “Sommigen vinden het knap, anderen zeggen dat ik hier niet voor opgeleid ben of vragen zich af of de kinderen wel genoeg sociaal contact hebben.” Sociaal contact betekent meer dan vriendjes hebben, vindt Lindsay. “Alleen naar de bakker kunnen gaan is ook belangrijk.”

Volgend jaar, als hij 11 wordt, moet Roan een examen afleggen om zijn getuigschrift voor het basisonderwijs te halen. Wil hij daarna nog thuis les blijven krijgen, dan kan dat, zegt Lindsay. “Voor wiskunde en Nederlands laat ik nu al wekelijks iemand komen voor bijles, want pakweg de theorie achter een zelfstandig naamwoord krijg ik ook niet altijd uitgelegd. Dat zouden we ook kunnen doen voor chemie of Latijn.”

Het belangrijkste, zo stelt ze, is dat haar kinderen later weten wat ze willen en hoe ze daar moeten geraken. “Deze onderneming is voor mij geslaagd als de kinderen opgroeien tot zelfstandige en verantwoordelijke volwassenen.”

‘Op mijn Daltonschool mag je drie tot zes lesuren zelf invullen’

Keagan Cravillon (14) zit in het derde jaar Sport-Wetenschappen in Het Leerlabo, een Daltonschool in Westerlo. ‘Elke dag, behalve woensdag, werken we twee uur zelfstandig.’ Beeld Wouter Van Vooren

Keagan is een van die zeldzame pubers die graag naar school gaat. “De sfeer is goed”, zegt hij. Maar wat hem ook bijzonder aanstaat, zijn de keuzevakken. Elke leerling krijgt hier drie tot zes uur die je zelf mag invullen: met wetenschappen, technische vakken, talen of sport. Zo kan Keagan elke week behoorlijk wat voetballen op school. “De jeugdcoördinator van Westerlo komt die trainingen geven.”

Maar belangrijker is dat Daltonscholen – een minder bekende vorm van methodeonderwijs, of een school met een eigen, ‘alternatieve’ pedagogische visie – zich stoelen op een aantal pijlers zoals zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en samenwerking. “Elke dag, behalve woensdag, werken we twee uur zelfstandig”, legt Keagan uit. Daltontijd, heet zoiets: “De leerkracht geeft ons dan taken die we alleen of in groep moeten uitvoeren. Daarvoor krijgen we twee weken tijd.”

Na die twee weken zit elke leerling even samen met zijn of haar ‘coach’, een leerkracht met wie ze praten over wat wel en niet goed ging. “Ze zijn niet bang om te zeggen dat we wat harder moeten werken of ons beter moeten concentreren.” Het idee is ook dat ze zelf hun werk leren plannen. In het eerste middelbaar is dat nog een hele opdracht, maar gaandeweg worden de leerlingen daar vrijer in gelaten. Logisch, vindt Keagan. “Later moeten we ook met deadlines kunnen werken.”

De klassieke ‘invulblaadjes’ krijgen ze zelden voorgeschoteld, vaker werken ze in die vrije uren op de computer, werken ze presentaties uit of doen ze iets met hun handen. “Vorig jaar hebben we met pizzadozen en aluminiumfolie een soort oven op zonne-energie gemaakt, voor biologie.” De meeste klasgenoten houden wel van die vrije aanpak. Keagan kent maar één leerling die er zijn draai niet vond en vertrokken is.

Het is ook een relatief kleine school en de leerlingen worden aangemoedigd om problemen en conflicten zelf op te lossen. “Als je als eerstejaars niet goed in de groep valt, dan zijn er leerlingen aan wie je zoiets kunt gaan zeggen. Zij zullen dan bijvoorbeeld de klas aanspreken. Nee, bij ons word je voor zoiets niet uitgelachen.”

Keagan belandde hier eigenlijk via zijn oudere broer, die moeite had met het traditionele onderwijs. Hier moest hij niet heel de dag stil op een stoel zitten, en dat hielp. Ondertussen studeert hij met succes aan de hogeschool. “De meeste van mijn vrienden gaan naar een gewone school, en ze zijn toch een beetje jaloers op mij. Ze vinden dat ik op mijn gemak kan werken terwijl zij erg worden opgejaagd.”

Klopt dat dan? “Ja, er is echt veel rust bij ons op school.”

‘Op de leefschool leer je je ideeën te verkopen’

Loe Ruts (9) en haar broer Toon (7), de kinderen van Evelien Maes, gaan naar De Sterappel, een leefschool in Sint-Gillis-Waas: ‘Aan ontdekkend leren hebben ze meer plezier.’ Beeld thomas legreve

“We spelen veel spelletjes in de klas”, vertelt Loe vlot. “Dan krijgen we een getal, bijvoorbeeld 3.800, en dan verstopt de juf papiertjes in de klas met getallen op. Die moeten we dan zoeken, tot we samen aan 3.800 komen.”

Loe en Toon gaan naar een leefschool, waar veel aandacht is voor ‘ontdekkend leren’ en de betrokkenheid van de leerlingen. Concreet: de klas van Loe werd vorig jaar omgebouwd tot een restaurant, waar de ouders mochten komen eten. De weken daarvoor verdiepten de kinderen zich in gezond eten, lokale voeding en de impact van vleesconsumptie, maar ook in het reilen en zeilen van een restaurant.

“We leerden hoe je een schotel moet vasthouden of water moet uitschenken.”

Voor het project ‘Topmodel’ maakten ze zelf kleren en juwelen, organiseerden ze een modeshow en gingen ze op zoek naar informatie over historische klederdracht.

De leerlingen dragen die thema’s zelf aan. Loe: “Ik heb dit jaar gevraagd om iets te doen met dokters, dieren of wetenschap. Ik wil graag weten hoe een blender werkt. En ik wil naar Technopolis.”

Uit alle voorstellen worden een aantal onderzoeksvragen gepuurd, waar de leerlingen er via stemming eentje uitkiezen. “Zo leren ze hun ideeën verkopen, kritisch nadenken en researchen”, vertelt Evelien. “Ze gaan zelf op zoek naar informatie, in boeken of online.”

Evelien heeft zelf lang voor de klas gestaan en vindt de leefschool een pedagogische voorloper. “Ik zie dat hogescholen, in pakweg de lessen biologie, ook steeds meer uitgaan van ontdekkend leren. Als je vertrekt vanuit de vragen van de leerlingen, hebben ze meer plezier in het leren. Mensen reageren soms bezorgd als ik daarover vertel. Ze denken dat mijn kinderen een leerstoornis hebben of vrezen dat ze later niet zullen meekunnen, maar een leefschool moet evengoed de eindtermen halen.”

Wat Evelien ook erg apprecieert, is de aandacht voor het welzijn van de leerlingen. “De rapporten zijn zo dik als een telefoonboek, met een bijzonder uitgebreid psychologisch profiel van je kind, en uitleg over hoe het functioneert in groep. Ik geloof daar wel in: een kind dat zich goed voelt, leert beter.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234