Donderdag 29/07/2021

'Alsof kunstenaar een scheldwoord is'

Een filmproject met de liefdevolle titel Bruxelles Mon Amour: daar moet Marc Didden voor iets tussen zitten. De band tussen Didden en onze hoofdstad is algemeen bekend sinds hij in 1983 als scenarist en filmmaker debuteerde met Brussels by Night. Er was toen meteen sprake van 'een nieuwe wind' door het Vlaamse filmlandschap. Minder bekend is wellicht dat hij meteen daarna het Cyriel Buysse-toneelstuk Het Gezin van Paemel wilde verfilmen. Een gesprek als een slingerbeweging tussen hoop en pessimisme. Over Vlaamse film: oase of woestijn, over zijn werk als scenariodocent, over VTM-isering en de babe-cultuur, en zelfs over mayonaise en platte kaas.

Het initiatief voor Bruxelles Mon Amour kwam in eerste instantie van de Louis Paul Boonkring, een Brusselse culturele organisatie, die met plannen voor een filmproject ging aankloppen bij het cultuurfestival Brussel 2000. Als inspiratiebron fungeerde de bekende (en inmiddels zelf al verfilmde) Boon-roman Vergeten straat. Op de kaart van Brussel werd zo'n vergeten straat uitgekozen: de Saint-Quentinstraat, in de marge van de steeds uitdijende Berlaymontwijk. Wat naar verluidt ooit 'een reeks van bevallige residentiële woningen' was, is nu gedegradeerd tot een stukje no man's land tussen de bouwputten, kantoortorens en andere glas-en-betonconstructies van de Europawijk. Leden van de Boonkring gingen praten met de resterende bewoners. Het resultaat van die gesprekken werd overgemaakt aan drie regisseurs-scenaristen, die op basis daarvan elk hun eigen filmverhaal schreven.

Drie filmverhalen, inderdaad, want Bruxelles Mon Amour werd ook opgezet als 'een creatieve ontmoeting tussen drie generaties cineasten/Brusselaars', met name Marc Didden (Hamont, °1949), Peter Vandekerckhove (Tielt, °1964) en Kaat Beels (Lier, °1974). Geen van de drie werd dus in Brussel geboren, maar ze hebben er wel, op diverse tijdstippen in hun leven, hun toevlucht gezocht en blijkbaar ook gevonden. "De film Bruxelles Mon Amour is een echt labour of love geworden," vertelt Marc Didden. "Drie korte films waarin ik en Peter en Kaat onze, weliswaar van een kritische ondertoon voorziene, liefde voor Brussel belijden. Wat mij vooral blij maakt, is dat de film, ondanks zijn drieledige structuur, toch een eenheid heeft meegekregen. Die zat al in de scenario's, maar de monteurs - Ludo Troch voor het beeld en Sen Jan Jansen voor het geluid - hebben er die eenheid toch op zeer subtiele wijze ingebouwd. Een bonus voor mij is dat ik zelf herontdekt heb dat ik zeer graag film en dat een korte film maken moeilijker, én vermoeiender, is dan een langspeelfilm." In 1983 debuteerde Marc Didden dus met Brussels by Night en 'nieuwe wind' moet toen zowat de meest gebruikte omschrijving geweest zijn voor deze moderne stadsfilm, die beschouwd werd als een breuk met de zogenaamde Vlaamse boerenfilms. "Ik heb die films nochtans altijd verdedigd," merkt Didden op. "Niet die films op zich, maar wel het recht om dat genre films te maken. Weinigen weten wellicht dat ik na Brussels by Night als tweede film aan Het Gezin van Paemel wou beginnen. Ik ben namelijk - en dat weten ook niet veel mensen - een zeer groot liefhebber van beeldende kunst en een van mijn favoriete Belgische schilders is Permeke. Toen ik indertijd nog bezig was met de montage van Brussels by Night, ben ik enkele dagen gaan uitrusten in Oostende. Van daaruit ben ik het Permeke-museum in Jabbeke gaan bezoeken en daar heb ik toen tegen mijn vrouw gezegd: 'Ik ga Het Gezin van Paemel verfilmen, zoals Permeke dat geschilderd zou hebben.' Tussen bruin en geel, zoals Last Tango in Paris er soms uitziet. Met bedrukte, onbekende, dikke acteurs onder gouden hemels. Het zou een zeer picturale verfilming geworden zijn. Als student had ik aan het RITS trouwens al een scriptie gemaakt over dat toneelstuk van Cyriel Buysse. Dat zat dus echt in mijn kop. Ik ben dat toen aan Erwin (Provoost, producent van Brussels by Night, JT) gaan vertellen en die vond het ook een erg goed idee, maar toen bleek dat regisseur Paul Cammermans al met dat project bezig was. Ik zou het nochtans fantastisch gevonden hebben om dat te verfilmen en op die manier ook elk verwachtingspatroon te doorbreken, want ik was zogezegd degene die, volgens sommige critici, de traditie van de boerenfilms doorbroken had door met een echt urbane film af te komen. En juist die regisseur zou daarna iets met koeien en Vlaamse landschappen maken! Ik heb er nog altijd spijt van dat het toen niet gelukt is, want Het Gezin van Paemel blijft een ijzersterk verhaal." Maar dat is inmiddels allemaal lang geleden en intussen zou het dus zeer slecht gaan met de Vlaamse film. "Dat zegt men al jáááren - ook over de Nederlandse, Duitse, Franse en Engelse film trouwens - maar dat neemt niet weg dat het waar is," beaamt Didden. "Aan wie ligt dat? 'Er is een schrijnend gebrek aan scenaristen': dat is zo'n dooddoener die men vaak hoort of leest in artikels over de Vlaamse film. Maar in Sint-Lukas hebben we die opmerking toch ter harte genomen en we zijn daar in alle stilte iets aan beginnen te doen. Aan een aantal studenten die geslaagd waren in hun eerste jaar en waarvan we gemerkt hadden dat ze goed met de pen overweg konden, hebben we voorgesteld om het zwaartepunt van hun opleiding tijdens de volgende drie jaren te verleggen naar het schrijven. Dat verandert uiteraard niets aan het feit dat wij een 'kunstschool' blijven en dat het uitgangspunt ook blijft dat elke student alles gedaan moet hebben, dus: de lichtmensen moeten ook eens geluid opnemen, de scenaristen moeten ook wel eens iets regisseren en de regisseurs moeten ook eens koffie zetten. In de school heerst ook een sfeer waarbij geprobeerd wordt de begrippen kunst en film met elkaar te verbinden. Film als individuele uiting van een creatieve persoonlijkheid en niet alleen maar een vak. Maar tegelijk moet natuurlijk wel een aantal wetmatigheden bekend zijn: montage, sonorisatie, decoupage. In die context werd nu ook beslist het scenarioaspect nog verder uit te diepen. Hoe vertel ik een verhaal met beelden, want een film maken is beelden schrijven. Het eigenlijke abc van het klassieke Hollywood-scenario, zoals dat bijvoorbeeld in de boeken van Syd Field beschreven wordt, komt natuurlijk ook aan bod. We doen niet alsof dat niet bestaat of dat men daar tegen móét zijn, maar we stimuleren tegelijk wel dat men zijn eigen manier om een verhaal te vertellen zeker niet zou beknotten. We zijn ons er erg van bewust dat Brussel in België ligt en België in Europa. We zijn dus een Europese filmschool. We leiden ons studenten niet op voor Klein Hollywood. "Maar tegelijk vragen we ons als docenten natuurlijk wel af in welke wereld onze studenten terecht zullen komen. Ik las laatst in een interview met Bruno Wyndaele dat hij niets merkte van de zogenaamde VTM-isering van de openbare omroep. Nu, how Baas Gansendonck can you get? Zijn eigen programma is een schoolvoorbeeld van VTM-isering. Om niet het gevaar te lopen dat iemand langer dan drie minuten interessante dingen zou vertellen, wordt daar systematisch naast iemand als Aster Berkhof of Jan Dewilde een dom blondje geplaatst, dat dan tot overmaat van ramp soms ook nog zelf vragen begint te stellen. Hetzelfde geldt voor het VRT-nieuws, dat zijn structuur helemaal aan die van de VTM is gaan aanpassen - alleen de vettige knipogen ontbreken nog. En het geldt zeker voor de zogenaamde kwaliteitsprogramma's op Canvas - overigens en vooral uit miserie mijn favoriete binnenlandse zender - die godzijdank wel zeer toegankelijk zijn, maar vaak ook zeer oppervlakkig. Wat de gedrukte media betreft, erger ik mij als alleslezer vooral aan het feit dat de babe-cultuur zo wijdverspreid is geraakt. Tegen dat Vlaanderen echt onafhankelijk is, zal het een heel vulgair landje geworden zijn. "Wij kunnen op school wel gedurende vier jaar heel hard hameren op artisticiteit en persoonlijkheid, maar dan moeten onze studenten na hun opleiding ook nog hun brood kunnen verdienen. Normaal mag je je daar niet mee bezighouden: pedagogie en commercie zijn twee totaal verschillende dingen. Als iemand opgeleid wordt in de Germaanse filologie, kan dat zowel een goede leraar Nederlands of een uitstekende bibliothecaris als een grote schrijver worden. Ik twijfel nooit of we wel zinvol bezig zijn, maar toch ligt het niet voor de hand om in het huidige culturele, lees: mediatieke, klimaat jonge mensen op te leiden tot filmmaker. Hoe gaan ze tegenover die wereld staan als je hen jarenlang verteld heb dat ze integere, kritisch denkende mensen moeten zijn en ook op die manier met het maken van een beeld moeten omgaan. Terwijl net het tegenovergestelde van hen verwacht wordt, namelijk dat het handige Harry's worden, die hun hele filmcultuur zo kunnen interpreteren dat ze met succes een reclamespot voor de KBC, of een andere criminele organisatie, kunnen realiseren. Ik ben ooit eens opgebeld door een producent die een goede student zocht om een feuilleton te regisseren, maar het mocht 'geen artiest' zijn. Alsof dat een scheldwoord is! En alsof we als kunstschool artiesten afleveren, die eigenlijk 'ambetanteriken' zijn of eigenwijze mensen, die niet zomaar in een systeem willen meedraaien. Bon, eigenlijk beschouw ik zo'n opmerking als een badge of honor. We leveren audiovisuele kunstenaars af en sommigen hebben het er dan voor over om gedurende een aantal jaren bij wijze van spreken droog brood te eten om hun eerste langspeelfilm te kunnen maken, zoals Frank Van Passel, Patrice Toye en Vincent Bal. Inmiddels is er een andere generatie opgestaan - Dorothée Van den Berghe, Pieter Van Hees, Bie Boeykens, Erik Lamens -, die volgens mij niet toevallig door een kwaliteitsomroep als de VPRO opgepikt zijn om Lolamoviola's te regisseren. "Gesteld dat er zoiets zou bestaan als Waalse film - want ik heb het altijd graag over Belgische film, die zich dan zou moeten aansluiten bij de Europese film -, dan doen onze Franstalige vrienden het, zowel op kwalitatief als commercieel vlak, de laatste jaren inderdaad véél beter dan wij. Dat is zo en daar zijn duizend en één historische redenen voor, waarvan de voornaamste natuurlijk is dat zij cultureel aansluiting vinden bij de grote Latijnse filmcultuur, terwijl wij vriendjes moeten zijn met de Nederlanders en de Zuid-Afrikanen, niet echt wereldleiders op het vlak van de cinematografie. Deze zomer heb ik nog in de Franse krant Libération een jubelend stuk gelezen over Vlaamse kunst. Zo'n snobmadammeke uit Parijs schrijft daarin dat men in Frankrijk niet genoeg beseft dat de artistieke dynamiek van België momenteel in Vlaanderen zit. Ze heeft het dan over mensen als Alain Platel, Wim Delvoye, Jan Fabre en Anne Teresa De Keersmaeker. En ze besluit dat het toch wel étrange is dat al deze creativiteit zich niet manifesteert op het audiovisuele vlak. Daarmee sloeg ze volgens mij de nagel op de kop. Er is een volledige dynamiek bezig, waardoor Vlaanderen eigenlijk hipper is dan Brussel of Wallonië, maar op het audiovisuele vlak? Ik ben daarover gaan nadenken, maar ik kan niet correct analyseren hoe dat komt. We zijn toch niet stommer of onnozeler dan de Walen? "Overigens is het fout te stellen dat dit Franstalig Belgisch overwicht een zeer recent fenomeen zou zijn, zoals men nu denkt door het Rosetta-succes van de gebroeders Dardenne. De films van André Delvaux en Chantal Akerman worden al decennialang gerespecteerd in de hele wereld. Le Maître de Musique en Farinelli van Gérard Corbiau waren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Daens, wel kaskrakers in Frankrijk, Engeland en de States. Films zoals Toto le Héros en Le Huitième Jour van Jaco Van Dormael hebben stapels lof én stapels geld opgebracht. C'est Arrivé Près De Chez Vous heeft hele generaties jonge Amerikanen en Engelsen aan het filmen gezet. Terwijl een Vlaamse film blij mag zijn als hij een paar tienduizend mensen op de as Gent-Antwerpen uit hun huizen krijgt. Hoe dat komt? Ik weet het niet. Of eigenlijk weet ik het wel, maar ik durf er niet aan denken. We zullen in elk geval uit een ander vaatje moeten gaan tappen als we willen dat er binnen vijf jaar nog zoiets bestaat als Vlaamse film. "Het zou ook helpen als bij de overheid iemand zich met de audiovisuele sector zou gaan bezighouden, die iets anders dan platte kaas tussen zijn oren heeft. Wat er vooral ontbreekt, is respect vanuit de overheid voor het medium film. Mijn buitenlandse en Franstalige collega's vallen omver als ze horen dat film in Vlaanderen niet bij Cultuur thuishoort maar bij Economie. Of is het Jacht en Visvangst? In die omstandigheden vrees ik dat we naar een sfeer gaan waarin film alleen nog maar een product is en waarin wij - ik zou dat eigenlijk niet mogen zeggen, want ik ga mijn studenten deprimeren - jonge mensen de woestijn in sturen. Maar ik denk wel dat de sterken onder hen daartegen zullen vechten en anderzijds geloof ik ook in slingerbewegingen." Dus na de woestijn moet uiteindelijk weer de oase volgen? Maar is er in Vlaanderen ooit sprake geweest van zo'n filmoase? Het is in dit kleine taalgebied toch altijd al erg moeilijk geweest. "Ja, maar nu suggereert de minister van Media in een interview dat er misschien maar drie films per jaar moeten worden gemaakt en dat die dan alle drie zouden moeten lukken. Maar als er één zaak is die de minister zou moeten weten, dan is het dat er in Hollywood een bekend zegswijze bestaat, namelijk: 'Nobody knows anything.' Je kunt dus nooit zeggen: 'We gaan drie filmhits draaien of we gaan drie prestigefilms maken, die iedereen fantastisch zal vinden.' Ik heb mezelf ook al schuldig gemaakt aan het draaien van een film die uiteindelijk niet geworden is wat ik ervan gehoopt had. Ik had de eerlijke droom dat Mannen Maken Plannen een heel grappige film zou worden, maar dan bleek dat dus niet het geval te zijn. Mayonaise maken is al niet gemakkelijk, maar een film maken, da's echt héél moeilijk. Ik verwijt dus niemand dat een film mislukt. Ik heb er zelf vier geregisseerd, maar ik heb ook aan een aantal andere films meegeschreven of er zelf in meegespeeld. Mijn ervaring gaat dus verder dan mijn eigen films en als ik nu één ding weet, dan is het dat ik het niet weet. Nobody knows anything. Ik ken ook niemand die aan een project begint en zegt: 'Ik ga een slechte film maken' of 'Ik ga het geld van de gemeenschap verbrodden'. Een film neemt al snel twee jaar of langer van je leven in beslag en dan kan het bij elke tussenstop ook nog fout lopen. Je kunt verkeerde beslissingen nemen bij het scenario, bij de casting, bij de montage, bij de muziekkeuze. Of je kunt ook de verkeerde producer kiezen. Want men zegt altijd dat de Vlaamse cineasten niet goed zijn, maar er zijn ook niet veel goede producers. Ik ga het daar nu niet over hebben, maar je mag het wel schrijven. "Het is natuurlijk niet altijd en overal hun schuld. Wat bij de regisseurs zelf vaak ontbreekt, is ernst of intelligentie of zelfkritiek of talent. En in sommige gevallen: alle vier. Voor te veel regisseurs is het draaien van een langspeelfilm een soort beloning voor een lange carrière rommel maken. Voor anderen is het een cynische schnabbel, op de rug van een of andere tv-komiek of omdat ze de diepe behoefte voelden 'eens iets voor hun kinderen' te maken. Vaak zijn films ook geesteskinderen van mensen die denken dat ze producers zijn en tijdens het golfspelen plotseling aan een Vlaamse pater denken waarover nog geen film werd gemaakt. Dat leidt dan tot iets als Damiaan, een film die behalve prinses Mathilde niemand, waar ook ter wereld, interesseert."

'Bruxelles Mon Amour' wordt op woensdag 6 december om 19.30 uur vertoond in de Pachecozaal, Pachecolaan 11 te 1000 Brussel. Binnenkort ook te zien op Canvas en na nieuwjaar op tournee door het ganse land.

Marc Didden: 'We zullen uit een ander vaatje moeten gaan tappen als we willen dat er binnen vijf jaar nog zoiets bestaat als Vlaamse film.'

'Mayonaise maken is al niet gemakkelijk. Maar een film maken, da's echt heel moeilijk'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234