Zaterdag 27/11/2021

'Als we Franco hadden kunnen stoppen, was WO II misschien anders verlopen'

De laatste brigadisten over de Spaanse

Burgeroorlog

Georges Orwell en André Malraux hebben er gevochten, Pablo Neruda en Ernest Hemingway hebben erover geschreven, la Passionaria heeft erover gezongen. De Spaanse Burgeroorlog is tegelijkertijd het meest romantische en het meest vergeten conflict van de vorige eeuw. Het begon op 18 juli 1936, duurde drie jaar en kostte aan 250.000 mensen het leven. De strijd beroerde niet alleen Spanje: 35.000 vrijwilligers uit meer dan tien verschillende landen gingen vechten tegen het fascisme. Zeventig jaar later zijn de helden van de Internationale Brigade zo goed als uitgestorven. Toch vonden we in België nog twee levende en lucide kroongetuigen.

door Erik Raspoet Foto's Stephan Vanfleteren

Simon Radwanski

Zijn vrouw en dochter hebben ons alleen gelaten met een thermos koffie en een fles Zubrowka, Poolse wodka gebotteld met een spriet wisentgras. Hij was net in Le Canard Enchaîné verdiept, kwestie van de Franse politiek bij te houden. Op de hoek van de tafel prijkt voorts een vergeeld exemplaar van Oorlog en vrede. Simon Radwanski leest zijn Tolstoj nog het liefst van al in het Russisch, een van de acht talen die hij in de loop van zijn leven heeft verzameld. Jiddisch kreeg hij met de paplepel mee, en ook Russisch, Oekraïens en Pools zijn hem spelenderwijs komen aanwaaien. Zo was het lot als je in 1911 als Jood werd geboren in een sjtetl in Rowno, een stad die in de loop van de vorige eeuw achtereenvolgens bij Rusland, Polen, de Sovjet-Unie en Oekraïne hoorde.

Luisteren naar Simon Radwanski, het is een nederig stemmende ervaring. Onwillekeurig wordt de interviewer door twijfels bekropen: hoe zal hij straks verslag uitbrengen van dit rendez-vous met de twintigste-eeuwse geschiedenis? De formule van het feuilleton lijkt zich op te dringen, want behalve de Russische revolutie heeft Radwanski nog enkele gewapende scharniermomenten meegemaakt.

In de Tweede Wereldoorlog werd zijn hele familie door de nazi's uitgemoord, een lot dat 40.000 joden in de streek van Rowno ondergingen. Hijzelf overleefde onder een valse identiteit in Frankrijk en trok na de oorlog zoals vele ontheemde Joden naar Israël. In 1973, hij was toen de zestig al gepasseerd, heeft hij nog als vrijwilliger in de Jom Kipoeroorlog gevochten. Vrede zou hij pas vinden toen hij dertig jaar geleden met zijn Joods-Belgische vrouw naar Ottignies verhuisde.

Maar het oorlogsverleden trekt aan zijn mouw. Zelfs de Spaanse pers is hem in Ottignies op het spoor gekomen. Aanleiding: precies zeventig jaar geleden brak de Spaanse Burgeroorlog uit, een conflict dat in het collectieve geheugen van Europa volledig wordt overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog. Niet echter bij Simon Radwanski, een veteraan van de Internationale Brigades, die aan de zijde van de linkse regering in Madrid tegen de fascisten van generaal Franco streden. De laatste der Mohikanen, het cliché wordt voor een keer niet oneigenlijk gebruikt. Bij de laatste internationale reünie in Madrid waren ze nog met vier, naast Radwanski stonden nog een Fransman, een Amerikaan en een Schot. "Nee", mijmert hij,"het is geen cadeau om als laatste getuige over te blijven. Ik voel een verpletterende verantwoordelijkheid. Zelfs al vertel ik mijn eigen verhaal, dan nog spreek ik voor een hele generatie."

Hij schenkt de borrelglazen vol, alles is klaar om film af te draaien. De openingsscène is alvast grandioos. Het is 1917, de Rode Kozakken stormen met hun paarden door Rowno. Aan de kant van de weg juicht de zesjarige Simon Radwanski de herauten van de Oktoberrevolutie hartstochtelijk toe. "Ik kom uit een links nest van acht kinderen", zegt hij. "Ons hart klopte voor de revolutie. Verandering kon niet slecht zijn, want het waren moeilijke tijden. Er was veel armoede, en Joden kregen het extra hard te verduren. Als kind stond ik al op de barricades om onze straat te verdedigen tijdens de pogroms.

"Gek genoeg heb ik heb me nooit Jood gevoeld, want in mijn ogen is dat een religieus begrip. Ik ben heel jong van mijn geloof gevallen. Vader was ook niet religieus, maar moeder nam ons vaak mee naar de synagoge. Toen brak er een verschrikkelijke plaag van roodvonk uit. Kinderen vielen als vliegen, er waren duizenden doden. De mensen liepen naar kerken en synagogen om te bidden. Het haalde niks uit, ook mijn ouders hebben drie kinderen verloren. Toen heb ik het tegen mijn moeder gezegd: ik geloof niet in een god die zovele kinderen laat sterven. Negen jaar was ik toen, kort nadien ben ik bij de communistische jeugd gegaan.

"Polen was na de Eerste Wereldoorlog een reactionair land waar communisten genadeloos werden vervolgd. Op mijn zestiende ben ik daarom naar Parijs gevlucht, waar mijn broer geneeskunde studeerde. Omdat ik te trots was om bij zijn gezin in te trekken, huurde ik een appartement in Belleville, een linkse arbeidersbuurt. Ik verdiende goed mijn brood bij een decorateur. Ik ging aan huis balatum vloerbedekkingen leggen, toen een revolutionaire nieuwigheid. Tegelijkertijd bleef ik actief als communistisch militant. Ik verdeelde kranten en pamfletten, ik was betrokken bij de oprichting van een volkskeuken op de Place de la République. Allemaal openbaar, want in Frankrijk was de Communistische Partij perfect legaal. Het was een gelukkige tijd. Ik was niet getrouwd, maar het ontbrak me niet aan vrouwen in mijn leven.

"Toen in juli 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbrak, was ik langdurig ziek. Mijn kameraden vertrokken naar Spanje om tegen de fascisten te vechten, en ik lag in bed. Toen ik na twee maanden eindelijk op de been was, kon ik niet snel genoeg vertrekken. Nochtans had ik weinig sympathie voor Spanje, ik associeerde dat land vooral met de inquisitie en met het uitroeien van de indianen in Latijns-Amerika. Het enige positieve dat ik bij Spanje kon bedenken, waren de avonturen van Don Quichot, die ik als kind had gelezen.

"Mijn voorbereiding was minimaal. In een winkel op de Place de la République heb ik een mantel gekocht, zo'n indrukwekkend geval waarmee boksers zich in die tijd graag tooiden. Peperduur, maar ik had mijn geld toch niet meer nodig. Ik ben vertrokken zonder afscheid te nemen, mijn deur liet ik wagenwijd openstaan. Bezoekers mochten alles meenemen, zelfs de boeken waar ik zo aan gehecht was. Zie je, lezen en schaken waren mijn grootste passies. Mijn boekenkast was mijn heiligdom, ik zou zelfs gestopt zijn met roken om een boek te kunnen kopen. En toch heb ik mijn hele verzameling zomaar achtergelaten. Die onthechting leek me de enige gepaste houding. Als je op het punt staat je in een avontuur te storten dat je het leven kan kosten, dan mag je niet om boeken geven.

"Frankrijk was neutraal in de Spaanse Burgeroorlog. Dat betekent dat de Franse douaniers ons bij de grens moesten tegenhouden. Veel moeite deden ze niet, maar we namen toch geen risico. Met de hulp van tabakssmokkelaars zijn we door de Pyreneeën naar Spanje getrokken. Een van mijn gezellen, een Amerikaanse vrijwilliger, had zijn enkel verzwikt. Ik heb hem de hele tijd op mijn schouders gedragen, beresterk als ik was in die tijd. Het is gek, maar soms heb ik het gevoel dat ik het gewicht van die Amerikaan nog altijd op mijn schouders voel. Na die barre tocht zijn we in Figueras beland, een transitplaats voor vrijwilligers die via Frankrijk arriveerden. Van daar ging het met de trein naar Albacete, het hoofdkwartier van de Internationale Brigades.

"We werden in min of meer homogene taalgroepen verdeeld. Fransen en Belgen in La Marseillaise, Italianen in de brigade Garibaldi, Duitsers en Oostenrijkers in de brigade Thaelmann, Engelsen, Amerikanen en Canadezen in de brigade Lincoln. Met mijn achtergrond belandde ik in de brigade Dombrowski, een bonte verzameling van ballingen uit Polen, Oekraïne, Bulgarije en Wit-Rusland. Tijdens het marcheren zongen we liedjes van de communistische jeugd, in het Russisch.

"De Internationale Brigades stonden volledig los van het republikeinse regeringsleger, we hadden zelfs eigen ambulances en ziekenhuizen. Er liepen ook politieke commissarissen rond, zoals bij het Rode Leger. Niet dat we allemaal overtuigde communisten waren, in onze brigade zaten er ook anarchisten. Achteraf is er veel geschreven over de rivaliteit tussen communisten en anarchisten in de Spaanse Burgeroorlog, sommigen zoeken daarin zelfs de verklaring voor de nederlaag van de Republikeinen. Er was iets van, maar de echte oorzaak van onze nederlaag lag elders. De fascisten waren gewoon veel sterker, ze waren beter getraind en beter bewapend, en ze konden rekenen op de steun van Hitler en Mussolini. Wij hadden wel sovjetpiloten en tankisten, maar dat woog niet op tegen de Duitse en Italiaanse inbreng."

"In Albacete heb ik mijn boksersmantel achtergelaten. Terwijl ik mijn uniform aantrok, drong het ineens tot me door. Vanaf nu ben ik geen gewone mens meer, maar een soldaat die orders uitvoert en mensen doodschiet. Onze instructeurs waren veteranen van de Eerste Wereldoorlog, maar de meeste vrijwilligers waren jonge idealisten zoals ik, zonder enige oorlogservaring. Toch werd ik na mijn opleiding meteen tot commandant gebombardeerd.

"Mijn eenheid was bewapend met maxims, zware machinegeweren van Russische makelij die op een kar werden gemonteerd. We werden naar het front van Aragon gestuurd. Het duurde niet lang of we zaten midden in de oorlog. Van de gevechten zelf herinner ik me niet zoveel meer. Zie je, ik heb in mijn leven nadien nog zoveel meegemaakt. Sommige details zijn me wel bijgebleven. Hoe het front stilviel als er boven ons hoofd een duel tussen Duitse en Russische vliegtuigen werd uitgevochten. We vergaten zelfs te schieten, iedereen zat ademloos naar de hemel te turen.

"Aanvankelijk heeft onze brigade successen geboekt. De Italianen van Mussolini hebben we zowat van de kaart geveegd. Ik heb vele doden zien vallen, maar ik heb nooit angst gevoeld. Het zal de leeftijd geweest zijn, we waren jong en roekeloos. En daarbij, wie bang was om te sterven had ginder niks te zoeken. Ik ben zelf op het nippertje aan de dood ontsnapt. Bij de slag om Huesca raakte ik zwaargewond. Het was bij het krieken van de dag, we liepen door een open veld. Ik sloot de rij met een stuk van een mitrailleur op mijn rug. Plotseling lag ik bewegingsloos op de grond, ik had een schot door beide voeten gekregen. Hoe lang heb ik daar alleen gelegen? Ik dacht dat ik eraan ging, want ik verloor veel bloed.

"Uiteindelijk werd ik door een Spaanse ambulancier opgeraapt. Zo ben ik in een Spaans legerhospitaal beland, als enige brigadist tussen de Spanjaarden die me bekeken alsof ik een marsmannetje was. Zie je, we hadden nauwelijks contact met de bevolking. De eerste avond kwam er een meisje aan mijn bed zitten. Ze had een boek mee om me Spaans te leren. Ze kwam iedere dag terug, ik moest telkens een reeks nieuwe woorden instuderen. Later, toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, ging ik haar thuis opzoeken. Zo heb ik Spaans geleerd.

"In feite heeft dat schot in mijn voeten mijn leven gered. Door die voltreffer heb ik de slag om de Ebro gemist, de zwaarste nederlaag van de republikeinen in de burgeroorlog. Op zeker moment hebben de fascisten de dijken van de Ebro opgeblazen. Onze troepen waren compleet verrast. Ze zijn met honderden tegelijk verdronken, ook kameraden uit mijn eenheid. Ik heb er nog altijd gemengde gevoelens over. Opluchting, omdat ik aan die nachtmerrie ben ontsnapt, maar ook schuldgevoelens, alsof ik mijn makkers in de steek heb gelaten.

"Het absolute dieptepunt is pas later gekomen, toen de republikeinse regering in september 1938 de terugtrekking van Internationale Brigades beval. Ze hoopten op die manier alsnog een internationale interventie tegen Franco uit te lokken, maar dat is mislukt. Ik voelde woede en schaamte toen het nieuws bekend raakte. Al onze offers waren tevergeefs geweest, de wereld had Spanje aan het fascisme uitgeleverd. Nog altijd blijf ik het een schandvlek in de Europese geschiedenis vinden, want wat als we Franco hadden kunnen stoppen? Dan was de Tweede Wereldoorlog misschien helemaal anders verlopen.

"De aftocht was pijnlijk. Het hele noorden was in handen van de falangisten gevallen. Ik werkte als tolk voor een Russische generaal. Het heeft geen haar gescheeld of we waren samen in handen van de vijand gevallen. Uiteindelijk ben ik via Figueras weer naar Frankrijk ontsnapt. We dachten dat ze ons met open armen gingen ontvangen, maar in de plaats daarvan werden alle brigadisten in kampen opgesloten. Dat was begin 1939, anderhalf jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het ergste moest nog komen, maar daar had ik geen idee van.

"Ik ben nog altijd overtuigd dat onze strijd rechtvaardig was. Militair hebben we de oorlog verloren, maar ik beschouw ons als de morele overwinnaars. Na de dood van Franco ben ik nog vaak in Spanje geweest. Op een keer liep ik over de Ramblas in Barcelona, met het insigne van de Internationale Brigades. Het effect was wonderbaarlijk. Mensen kwamen mij spontaan omhelzen en bedanken, ik ben nog altijd ontroerd als ik eraan terugdenk."

Ik heb vele doden zien vallen, maar ik heb nooit angst gevoeld. We waren jong en roekeloos. En daarbij, wie bang was om te sterven had ginder niks te zoeken

Marcel Baiwir

'Ik ben vertrokken zonder iets te zeggen,

want moeder had me nooit laten gaan'

Hoe hard kan de winter van het leven zijn? Marcel Baiwir, een schriel mannetje van 1,54 meter, was altijd een lettervreter. Als jongeman verslond hij al het verzamelde werk van Marx en Lenin, twee idolen die hij nooit zou verloochenen. Ook als prille tachtiger kon je hem zelden zonder drukwerk betrappen. Maar een jaar of zeven geleden sloeg het noodlot toe. Baiwir (89) verloor nagenoeg zijn volledige gezichtsvermogen. Menselijke contouren kan hij nog net onderscheiden, maar boeken blijven definitief gesloten.

Zijn autobiografie, verschenen bij Form'action André Renard onder de wat pompeuze titel Contribution à l'histoire sociale wallonne. Un militant témoigne, heeft hij noodgedwongen moeten dicteren. Baiwir blikte onder meer terug op zijn oorlogsjaren, die hij goeddeels in Duitse concentratiekampen sleet. Mauthausen, Sachsenhausen, als communist en weerstander heeft hij zijn part van de ellende wel gekregen. Na de oorlog maakt hij carrière, zowel binnen de Belgische Communistische Partij als de vakbond. Baiwir werd hoofdafgevaardigde van de FGTB bij Cockerill Sambre, de staalproducent die in zijn topjaren meer dan 70.000 arbeiders telde.

Maar dat zijn niet de hoofdstukken die ons vandaag naar een Luikse buitenwijk hebben gelokt. Ons is het te doen om die tien bladzijden over zijn wedervaren als brigadist in de Spaanse Burgeroorlog. Zijn getuigenis is behoorlijk uniek. Baiwir kan nauwelijks geloven dat we in Ottignies nog een brigadist hebben gevonden. "Ik dacht dat ze allemaal dood waren", zegt hij. "Ik heb hier de namenlijst liggen van de Luikse brigadisten. Vroeger hielden we geregeld bijeenkomsten. Nu valt er niet meer bijeen te komen, ik ben de enige overlevende."

We installeren ons in zijn werkkamer. Aan de muur hangt een foto van Julien Lahaut, de vermoorde communistenleider die Baiwir persoonlijk heeft gekend. Dat hij zelf links zou worden, stond in de sterren geschreven. Grootvader van moederszijde was een uit Frankrijk gevluchte anarchist.

"Hij was amper geletterd", vertelt Baiwir. "Maar hij wilde wel alles weten over binnen- en buitenlandse politiek. Daarom liet hij moeder dagelijks de krant uitspellen. Het hele huis moest dan stil zijn, want lezen was heilig. Dat respect heeft moeder later op ons overgedragen. Ze was een dappere vrouw, die zowat in haar eentje zeven kinderen heeft opgevoed. En ze was ook politiek bewust, moeder ging naar alle meetings van de communistische partij. Onze hele familie was links, maar ik ben de enige die het tot partijmilitant heeft geschopt. Op mijn veertiende ben ik gaan werken, en in datzelfde jaar ben ik bij de communistische jeugd gegaan, de antichambre van de partij. Want je kreeg niet zomaar een lidkaart, je moest eerst bewijzen dat het menens was.

"Ik heb twee jaar lang pamfletten rondgedeeld en meetings bijgewoond, als er gestaakt werd, vond je mij bij het piket."

Onverwacht stokt zijn relaas. De gruwelen van de Spaanse Burgeroorlog zal hij zonder verpinken vertellen, maar de herinnering aan de communistische jeugd wordt hem te machtig. Hij mag dan half blind zijn, voor zijn geestesoog defileren de kameraden van weleer. "Allemaal al jaren dood", zegt hij terwijl hij zijn ogen met een zakdoek dept. "Ik zie ons daar nog zitten, op de banken van de partijschool." Dierbare herinneringen aan beroerde tijden: het waren de crisisjaren dertig. Werkloosheid en sociale onrust vormden een ideale voedingsbodem voor extreme politieke partijen. Tegenover de communisten stond het extreem rechtse Rex van Léon Degrelle. Die polarisatie hield niet alleen België maar heel Europa in de greep. In Spanje escaleerden de tegenstellingen tot een regelrechte burgeroorlog.

"Veel wisten we niet over Spanje", zegt Baiwir. "Maar het bericht van de fascistische opstand tegen de republikeinse regering maakte grote indruk op jonge partijmilitanten. We waren verontwaardigd omdat de internationale gemeenschap een democratisch verkozen regering zomaar in de steek liet. Ook Frankrijk en Engeland, landen nochtans met linkse partijen aan de macht, verklaarden zich neutraal. Ze weigerden zelfs wapens te leveren aan de Spaanse regering, terwijl die daar best voor wilde betalen. Ondertussen werden de fascisten van Franco voluit gesteund door Hitler en Mussolini. Tanks, vliegtuigen, elitetroepen, noem maar op. Het Volksfront kon alleen op Stalin rekenen, maar dat volstond niet. Het was van meet af aan een ongelijke strijd. De Spaanse regering had nauwelijks nog een leger. Vijfentachtig procent van de officieren was naar Franco overgelopen.

"De Secours Rouge Internationale lanceerde een oproep. Als we geen wapens mogen leveren, zo ging de slogan, dan geven we ons bloed. Nu klinkt dat misschien drammerig, maar de boodschap viel toen niet in dovemansoren. Ik ben vertrokken zonder thuis iets te zeggen, anders had moeder me nooit laten gaan. In ons groepje van zeven zaten drie bekenden, vrienden met wie ik 's zondags vaak op café ging dansen. Het begon slecht. Toen we 's avonds laat in Parijs arriveerden, bleek het kantoor van de Secours Rouge al gesloten. We hebben de hele nacht door de straten van Parijs gedoold. Maar denk vooral niet dat we naar de meisjes zijn geweest. Dat kwam bij ons zelfs niet op, zoiets druiste in tegen de idealen van de communistische jeugd.

"De douane in Marseille was een lachertje. We hadden allemaal valse namen gekregen, maar dat was niet eens nodig, want ze keken zelfs niet naar onze papieren. Op de boot naar Barcelona zaten 150 vrijwilligers, Belgen, Italianen, Fransen, Duitsers, er waren zelfs enkele Luxemburgers bij. De ontvangst in Barcelona was onvergetelijk. Hoe dichter we de haven naderden, hoe luider de massa op de kade tekeerging. In één klap 150 vrijwilligers, dat gebeurde niet alle dagen. Later heb ik vernomen wie het transport had georganiseerd. Niemand minder dan Tito, de latere president van Joegoslavië.

"De mensen waren dankbaar. Ze hadden zelf niks te eten, en toch gooiden ze ons appelsienen toe. Je had onze aankomst in Valencia moeten meemaken. Het perron zag zwart van het volk, jonge meisjes die ons kwamen toejuichen. Mijn makkers hebben me daar nog een loer gedraaid. Nu ja, het was een plezante loer. Ze hebben me uit het raam gegooid, bovenop een bende gillende meisjes. Jammer dat er geen foto's van bestaan. Ik werd door die meisjes letterlijk op handen gedragen. Niet moeilijk natuurlijk, als je zo klein bent als ik.

"Later, toen ik in Madrid was, heb ik een andere sfeer geproefd. Van dankbaarheid jegens de brigadisten was weinig te merken. Integendeel, de Madrilenen bekeken ons eerder wantrouwig. Madrid was natuurlijk de hoofdstad, er woorden meer bourgeois dan arbeiders. Ik denk dat velen stiekem voor Franco supporterden.

"Van Valencia gingen we naar Albacete voor onze opleiding. Ik was bij de Frans-Belgische brigade André Marty. Die naam zegt je waarschijnlijk niet veel, maar André Marty was toen secretaris van de Communistische Internationale, een zeer voorname figuur. Veel had onze opleiding niet om het lijf. We leerden schieten en in de pas lopen, en dan werden we klaar bevonden voor de strijd. Op het einde was er nog een donderpreek van André Marty. Van op een balkon bulderde hij dat brigadisten zich in alle omstandigheden waardig hoorden te gedragen. We mochten niet naar het bordeel, niet op café, zelfs fluiten naar de meisjes was ten strengste verboden. Met die gedragscode werd niet gelachen. Later heb ik jongens gestraft zien worden die een bordeel hadden bezocht."

"Nog geen drie weken na onze aankomst in Spanje werden we al naar het front gestuurd. Onze eerste opdracht was het bezetten van een vooruitgeschoven post in de verdedigingslinie rond Madrid. Daar heb ik de eerste kameraad zien sneuvelen, ik zal het nooit vergeten. Het was een knappe, potige kerel, een haantje-de-voorste die al dagen liep te popelen om naar het front te trekken. Hij werd geveld door een kogel in zijn mond. Oorlog, dat kun je niet vertellen, dat moet je meemaken. Er vlogen zoveel kogels rond dat je er op de duur niet meer op lette. Aan het front kende iedereen het gezegde. De kogel die je doodt, is de kogel die je niet hoort aankomen.

"Voor mijn drie vrienden uit Luik was de spanning er echter te veel aan, ze raakten verlamd door angst. Gelukkig toonden de officieren begrip. Omdat ze zo jong waren, mochten ze naar België terug. Ik zat op dat moment al aan het front. Toen ik hun vertrek vernam voelde ik met eenzaam en triest, maar ik dacht er niet aan om hun voorbeeld te volgen. Ik denk dat het met mijn vorming in de partijschool te maken had. Ik was bereid mijn leven te geven voor een ideaal.

"Noem het een staat van genade. Ik heb daar dingen gedaan waarvan ik achteraf niet begreep waar ik de moed ervoor vandaan haalde. Op een keer bleven er vijf kameraden gewond achter tussen de linies. Onze commandant zocht vrijwilligers om ze te evacueren. Ik heb me onmiddellijk gemeld. We zijn erin geslaagd drie kameraden te redden, onder vijandelijk vuur. Dat was in Madrid, op de campus van de universiteit waar ik maanden heb gelegen. Het was daar een echte guerrillaoorlog, met frontlinies die tussen de gebouwen liepen, soms geen tien meter van elkaar. Mijn kleinzoon heeft me vaak gevraagd of ik in Spanje vijanden heb doodgeschoten. Ik kon daar niet op antwoorden. Er werd de hele tijd over en weer geschoten. Misschien heb ik wel tien falangisten gedood, misschien ook geen enkele. Van de Tweede Wereldoorlog ben ik wel zeker. Ik heb verschillende Duitsers geliquideerd.

"Ik ben ginder ziek geworden. Geconstipeerd, een kwaal waar vele soldaten mee maken kregen. Aan het front kun je niet gaan wanneer je er de behoefte toe voelt, snap je. Op de duur kreeg ik zo'n erge buikpijn dat ik niet meer kon bewegen. Ze hebben me naar een noodhospitaal in een school afgevoerd.

"Ik wilde zo snel mogelijk terug naar mijn kameraden, maar daar is niets van in huis gekomen. Toen ik genezen was, werd ik bij André Marty geroepen. Ik snapte er niks was, wat had ik als kleine garnaal bij Marty te zoeken? Mijn verbazing werd nog groter toen ik zijn kantoor mocht betreden. Marty was niet alleen, hij werd geflankeerd door nog een zwaargewicht: Palmiro Togliati, de leider van Italiaanse Communistische Partij. Ze hebben hun boodschap met veel tact geformuleerd. Ze zeiden dat ik een voorbeeldige brigadist was, maar dat het nu tijd was om naar huis terug te keren. In België, legden ze uit, wachtte mij een belangrijke missie. Blijkbaar was Rex aan een propagandaoffensief tegen de communisten begonnen. Ze beweerden dat we minderjarigen ronselden om in Spanje te gaan vechten. Het was mijn opdracht die leugenachtige beschuldigingen te ontkrachten. Ik mocht vooral niet verklappen dat ik zelf als brigadist had gevochten. Nee, ik moest zeggen dat ik als waarnemer door Spanje was getrokken, en dat ik aan het front niet één minderjarige had gezien.

"Na tien maanden stond ik dus terug in Luik. Het was nog in vroeg in de morgen, moeder was compleet verrast en diep ontroerd toen ik ineens aan haar bed stond. In het begin was het wel oppassen geblazen. Thuis kon ik honderduit vertellen over mijn tijd als brigadist, maar voor de buitenwereld moest ik komedie spelen en doen alsof ik ginder als verslaggever was geweest.

"De overwinning van Franco was een bittere pil voor mij, en een schande voor Europa. Ik blijf erbij: hadden we in Spanje de fascisten verslagen, dan was misschien de Tweede Wereldoorlog nooit uitgebroken. Dat sommigen Stalin verantwoordelijk achten voor de nederlaag vind ik het toppunt. Stalin heeft gedaan wat hij kon, maar hij doorzag ook de valstrik die in Spanje voor hem was gespannen. In Europa waren er velen die hoopten dat Stalin massaal troepen zou sturen, zoals Hitler deed aan de kant van de fascisten. In dat geval kon de Spaanse Burgeroorlog uitmonden in een oorlog tegen de Sovjet-Unie. Want vergis je niet, in 1936 was niet het nazisme maar het communisme de boeman van het establishment.

"Ondanks alles heb ik mooie herinneringen aan die tijd. Misschien komt het omdat ik zo jong was. En natuurlijk, ik heb de penibele terugtrekking van de Internationale Brigades en de nederlaag van de republiek niet meer meegemaakt. Hoe dan ook, ik denk veel liever terug aan de Spaanse Burgeroorlog dan aan de Tweede Wereldoorlog. Dat was pas een echte nachtmerrie."

Ondanks alles heb ik mooie herinneringen aan die tijd. Misschien komt het omdat ik zo jong was

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234