Vrijdag 18/10/2019

'Als je oud wordt, zijn alle vrouwen jonge meisjes'

U zat waarschijnlijk nog in de bloemkolen toen hij in 1952 debuteerde in Vooruit. Drie decennia lang schreef Prosper De Smet (Gent, 1919), onder het pseudoniem P. Pluym, dagelijks een stukje dat telkens precies één A4 besloeg. Met de pen, en tijdens zijn middagpauze. Bijna vijftig jaar na zijn debuut verschijnt zijn column nog elke week in De Morgen. Sinds hij het wat rustiger aan doet, wijdde De Smet zich aan een jeugdliefde: de poëzie. Onlangs verscheen een bloemlezing van zijn gedichten: Gekke gedachten, Stille gepeinzen. Een gesprek.

Gent / Eigen berichtgeving

Jeroen De Preter

Prosper De Smet is allicht de trouwste ziel in medialand. Nog elke week maakt de 81-jarige Gentenaar in deze krant een ironisch-melancholische kanttekening bij de veranderende wereld om hem heen. Veel minder bekend is dat De Smet ook poëzie schrijft. "Ik schrijf al gedichten sinds mijn jeugd", vertelt hij. "Op mijn 23ste ben ik ermee gestopt. Ik was erg ontgoocheld over mijn jeugdwerk, vond het allemaal slecht en besloot om nooit meer gedichten te schrijven. Tot ik een paar dagen later het idee kreeg om een satire op mezelf te maken. Dat werd Aan de voet van het Gravensteen, een op rijm gezet verhaal dat bij De Arbeiderspers verscheen. Het ging allemaal over mezelf: over zelfmoord plegen, en over mijn gedichten die slecht zijn. Na die bundel heb ik vooral proza geschreven. Ik ben pas opnieuw beginnen dichten toen het schrijven van een roman me wat te zwaar begon te vallen, en ik ook niet meer dagelijks een stukje voor De Morgen schreef. Op een nacht ben in mijn werkkamer gaan zitten. Ik staarde naar die wanden vol boeken om me heen, en schreef een melancholisch gedicht. Over al die boeken die ik gelezen heb, en allicht nooit meer herlezen zal."

De Smet kreeg de smaak van de poëzie weer te pakken en schreef in de jaren '97 en '98 bijna wekelijks een nieuw gedicht. De beste selecteerde hij voor de bundel Gekke gedachten, Stille gepeinzen. De toon van zijn poëzie verschilt niet echt van die van de stukjes in De Morgen. Als De Smet al eens een triester onderwerp aansnijdt, is het met een relativerende knipoog. "Ik zeur niet, ben niet bitter", dicht hij in 'Zelfportret met rimpels'. "Al wat ik denk of lijd / hou ik voor mij, verborgen. / Ik lach, doe mee en lijk / een hartje zonder zorgen." Kennelijk houdt hij er niet van om zijn emoties te etaleren. "Moet ik dan voor Jan en alleman mijn hart uitstorten, zoals op de televisie constant gebeurt? Kom nu... dat is toch gênant? Als ik mijn hart wil uitstorten, dan ga ik naar mijn vrouw. En als ik al eens over persoonlijk leed schrijf, dan probeer ik dat altijd te relativeren."

In zijn poëtisch zelfportret noemt De Smet zich ook een conservatief. "Ik bedoel dat niet in politieke zin. Maar het is wel zo dat ik me niet aan de tijd heb aangepast. Ik ken nogal wat bejaarden die zich volop op de computer hebben gestort. Ik niet. Ik schrijf nog met de pen, en rijd met de fiets. Of ik daar last van heb? Nooit."

Dat hij nooit op de schrijfmachine overschakelde, heeft ook een praktische oorzaak. "Ik schreef mijn stukken tijdens de middagpauze, tussen mijn werk door. Ik was layoutman en had geen schrijfmachine. Ik moest wel met de hand schrijven." Met een writer's block kreeg P. Pluym naar eigen zeggen zelden af te rekenen. "Ik schreef die stukjes in één ruk. Het duurde nooit langer dan drie kwartier. Als de inspiratie even niet wilde komen, nam ik mijn notitieboekje. Ik had altijd wel een paar ideeën op overschot."

De Smet was dertig toen hij letterzetter werd bij Vooruit. Vier jaar later verscheen zijn eerste column. "In die tijd had elke krant zo'n zot in huis die elke dag een stukje over de Ronde van Frankrijk schreef. Onze zot van dienst gaf het al na een week op. Ik heb het van hem overgenomen. Zo ontstond de rubriek 'Ernst en luim met Polleke Pluim'."

Een tijd lang schreef De Smet ook stukken voor Het Geestesleven, de boekenbijlage van Vooruit, die in die tijd onder leiding stond van de Gentse schrijver Richard Minne. "Op een dag, het was in het jaar '52, las ik een stuk over Simenon voor Het Geestesleven. Ik dacht: dat kan ik beter. Bovendien was ik net vader geworden. Wat extra geld kwam dus goed van pas. Ik heb mijn stuk over Simenon op het bureau van Minne gelegd. Ik zie het nog steeds voor mij: ik stond aan de steen, een arduinen tafel waarop we de letters zetten. Minne kwam die dag langs om de opmaak te bekijken. Hij riep me bij hem, en zei: ''t Is een goed stuk, ge moogt voortschrijven. Maar liefst over Vlaamse literatuur. Daar heb ik te weinig van.' Maar eigenlijk schreef ik niet graag kritieken. Ik denk niet dat ik toen veel goeds heb ingeleverd."

De gedichten van De Smet doen overigens wel eens denken aan die van Minne. "Dat kan wel kloppen", zegt De Smet. "Ik denk dat ik een beetje zoals hij in elkaar zit. Feit is dat ik hem al sinds mijn zestiende lees. De onderwijzer had me toen een goedkope uitgave van Minnes In den zoeten inval geschonken. Hij moest het niet hebben. Hoveniersgedichten, noemde hij het."

In tegenstelling tot vroeger is De Smet tegenwoordig best tevreden over zijn gedichten. "Maar mijn meesterwerk heb ik toch vooral in de krant geleverd. Een meesterwerk tussen aanhalingstekens, wel te verstaan. Je kunt die stukjes immers niet in een boek afdrukken. Als je ze allemaal achtereen leest, stelt het niets voor."

Drie keer stond P. Pluym op het punt ermee te stoppen, drie keer beslisten het lot en vooral zijn lezers daar anders over.

"Ik was zestig toen Vooruit De Morgen werd. Plots kwam er een hoop nieuwe redacteurs uit Antwerpen en zo op de redactie. Ze kenden me niet en lieten mijn stukjes wel eens weg of plaatsten ze op een andere pagina. Ik dacht: laat ik er maar mee ophouden. Toevallig hadden mijn laatste stukjes allemaal op de pagina 'Vakantievreugde' gestaan. Uit een rondvraag bleek dat de meeste lezers die stukjes het enige goede van die pagina vonden. Ik ben toen bij Paul Goossens moeten komen, en die heeft me opnieuw een vaste plaats gegeven. Vijf jaar later werd ik ernstig ziek. Het leek me een goeie gelegenheid om te stoppen, maar naar het schijnt werd de redactie overspoeld met mensen die vroegen waar mijn stukjes bleven. Nog eens vijf jaar later, toen ik zeventig werd, ben ik naar de redactie in de Brogniezstraat gegaan. Piet Piryns was toen hoofdredacteur. Ik heb hem verteld dat ik een oude pee was en dat ik ermee wilde stoppen. Net op dat ogenblik belde er iemand om te zeggen dat mijn stukje zo goed was. Er is toen afgesproken dat ik nog drie stukken per week zou leveren. (grijnst) Aan hetzelfde tarief. Na al die jaren heeft De Smet ook wel een vermoeden wie zijn grootste fans zijn. "Vooral oudere vrouwen houden van mijn stukjes. Maar dat is niet erg: in mijn ogen zijn alle vrouwen jonge meisjes. Dat is het grote verschil tussen oud en jong zijn."

De bundel 'Gekke gedachten, Stille gepeinzen' is te verkrijgen door storting van 450 frank op rekeningnummer 600-0512361-07 (Prosper de Smet) of de Gentse boekhandels

'Als ik mijn hart wil uitstorten, dan ga ik naar mijn vrouw'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234