Dinsdag 19/10/2021

Als je niet zot bent van het vak, laat je het beter zitten

José Van Dam vindt dat hij erg lijkt op een van zijn fetisjrollen, Hans Sachs in Wagners Die Meistersinger von Nürnberg: een schuchtere man die vakkennis essentieel vindt. Dat heeft hij van zijn vader. “Hij was meubelmaker. U zult vragen: hoe wordt een meubelmakerszoon zanger? Ik heb het al vaak gezegd: ik heb dat vak niet gekozen, het vak heeft mij gekozen. Ik ben beginnen te zingen toen ik tien of elf was. Mijn vader begreep gelukkig dat dat mijn weg was. ‘Als je denkt dat je muziek moet leren’, zei hij, ‘leer dan muziek. Maar je moet het wel goed doen, anders is het uit.’ Ik deed het graag, dus had ik geen enkele moeite om het goed te doen. Spijtig genoeg is hij gestorven aan botkanker toen ik achttien was. “Maar inderdaad, hij was een ambachtsman en in het Frans is de stam van artisan en artiste dezelfde. Als hij ’s avonds thuiskwam van zijn werk maakte hij nog kleine meubelen voor vrienden. Hij politoerde nog zelf zijn meubelen, een hele avond lang. Wanneer ik terugdenk aan de liefde waarmee hij het deed... Ik herinner mij dat mijn vader voor mijn schoonbroer een schaakspel gemaakt. Da’s niet simpel, hoor, die witte en zwarte vakjes! En toen ik in het vierde leerjaar zat, had hij voor heel de klas naaikastjes gemaakt, die opengingen als een accordeon. Voor mij zijn ambachtslui een heel respectabel ras.”

En voor u is dus een kunstenaar ook altijd een ambachtsman.

“Absoluut. Hij moet zijn vak kennen en elke dag opnieuw een werk op stapel zetten. Het verschil tussen de ambachtsman en de kunstenaar is dat de kunstenaar iets uitvindt. De ambachtsman reproduceert. Een pianist of violist doet dat ook maar voegt er iets aan toe van zijn eigen persoonlijkheid.”

Hebt u de dagelijkse arbeid altijd belangrijk gevonden?

“Ja, ik deed dat graag. Soms moest ik moeite doen om aan een rol te beginnen. Maar zodra ik aan het studeren was, voelde ik me als in een trein die vertrok. Heel aangenaam.”

U hebt er honderden ingestudeerd.

“Ja. Ik leerde tamelijk makkelijk. Ik had een heel bijzondere gave. Als ik een rol kreeg, las ik de partituur door - of dat nu Saint-François d’Assise was van Messiaen of Die Meistersinger von Nürnberg van Wagner - en als ik ze uit had, wist ik precies hoeveel tijd ik zou nodig hebben om de rol te leren. Neem Saint-François, een heel lange rol: daar heb ik twee maanden over gezet. Ik kreeg de partituur stukje per stukje vanaf april 1983. In de vakantie heb ik ze doorgekeken en beslist: ik begin na de vakantie. Ik ben in september beginnen studeren. Op 2 november begonnen de repetities in Parijs en kende ik de rol.”

Ongelooflijk voor zo’n moeilijke partij.

“Bij die rol is het een kwestie van geheugen. De vogelpreek met vierentwintig vogels... Maar de muziek zelf is niet zo moeilijk: ze is duidelijk thematisch gestructureerd. Saint-François is heel complex voor het orkest maar tamelijk gemakkelijk voor de zangers.”

U hebt de rol met Messiaen kunnen instuderen. Hoe was hij?

“Jezuïtisch. Maar erg lief, hij presenteerde koekjes en thee. Ik was verwonderd dat hij een bariton wilde voor de rol. Ik had eerder aan een tenor of een lichte bariton gedacht. Maar hij zei: ‘Nee, nee! Ik wil een Franciscus met de stem van Boris en Amfortas.’ Hij was erg gelovig en de kracht van het geloof moest voor hem hoorbaar zijn in de stem.”

U hebt eigenaardig genoeg niet in Brussel gedebuteerd maar in Parijs. Waarom eigenlijk?

“Toen ik afstudeerde, was het mijn droom te zingen bij de Munt. Maar ik deed ook mee aan concoursen; het eerste was dat van de radio in Parijs en dat heb ik gewonnen. Na de wedstrijd kwam de artistiek directeur van de opera van Parijs, Gabriel Dussurget, naar mij en zette mij aan om bij hem auditie te doen. Twee dagen later ben ik aangenomen. Ik was nog geen 21. ”

U hebt later ook in Zwitserland en Duitsland gewerkt. Waar hebt u het meest kunnen leren?

“In Genève: daar heb ik geleerd wat spelen op het toneel is, bij Lotfi Mansouri, die in de staf zat en later directeur is geworden in San Francisco. Die heeft mij hard doen werken en hij had gelijk. Daarna ben ik naar Berlijn gegaan omdat Lorin Maazel mij daar wilde hebben, maar toen was ik al klaar om mijn ‘grote’ Mozartrollen te zingen en te spelen: Leporello, Figaro, Alfonso en later Don Giovanni.”

U hebt later veel samengewerkt met Herbert von Karajan. Wat is uw herinnering aan hem?

“Ik ben naar Berlijn gekomen in 1968 en ben er zes jaar in het gezelschap van de Deutsche Oper gebleven. In 1970 vroeg men mij om auditie te doen bij Karajan in de Filharmonie. Ik heb de aria van Leporello gezongen. Hij vroeg me of ik ook het requiem van Verdi kende. Ik zei ja, en hij: zing maar. In het midden van de aria brak hij af en bedankte mij. Nadien zei men mij dat hij heel tevreden was en het jaar daarop heb ik mijn eerste plaat gemaakt met hem: Fernando in Fidelio. Later kwam Le Nozze di Figaro in Salzburg en nog veel meer. Ik kon heel goed met hem opschieten en hij mocht mij ook wel. Ik had de indruk dat hij een heel schuchtere man was. Maar hij had heel veel mensen die rond hem cirkelden en profiteerden van het ‘de maestro heeft zus of zo gezegd’. Maar hijzelf was innemend en een harde werker. Hij had veel respect voor de artiesten met wie hij samenwerkte maar hij werkte enkel met hen die hij graag had: Jon Vickers, Mirella Freni, Piero Cappucilli, José Carreras... Het enige probleem was dat als hij graag met je samenwerkte, hij je gelijk wat vroeg. Mij heeft hij gevraagd om Pizarro en Telramund te zingen en dat heb ik geweigerd. Over Pizarro heb ik hem gezegd: ‘Dat is een brulrol’. En hij bromde: ‘U hebt gelijk, uw stem is daar te mooi voor.’ Echt waar: je kon met hem praten.”

Wie onder de dirigenten met wie u gewerkt hebt, beschouwt u voorts nog als de groten?

“Uiteraard Karl Böhm, met wie ik vooral Mozart heb gedaan; Eugen Jochum, Georg Solti, Giuseppe Patané, James Levine, Daniel Barenboim, Riccardo Muti, Claudio Abbado... De dirigenten van die tijd kwamen pas tot hun volle bekendheid als ze vijfenveertig, vijftig waren. Karajan is begonnen in Ulm en mocht daar twee opera’s per jaar dirigeren. Jonge dirigenten nu doen vijf nieuwe opera’s per jaar. Op die manier kun je je kennis niet verdiepen. Ik zeg niet dat er geen grote dirigenten meer zijn. Maar er zijn er geen meer van het slag van een Bruno Walter, een Wilhelm Furtwängler, een Otto Klemperer, een Herbert von Karajan. Met al het respect dat ik voor hem heb: zelfs Abbado is niet meer van dat kaliber. Daar gaat niet hetzelfde charisma van uit.”

Weinig zangers zingen, zoals u, met hetzelfde gemak Rameau en Berg, Verdi en Wagner.

“Aan de basis lag voor mij een goede, natuurlijke techniek. Ik heb een opname waarop ik met elf jaar het Ave Maria van Schubert zing. Als ik niet wist dat ik het zelf was, zou ik zeggen: fantastisch. Adem, ondersteuning: het is er allemaal al. Een andere kwestie is de stijl. Men spreekt vaak over een ‘Mozartstijl’. Volgens mij bestaat die niet, je moet gewoon zingen wat er geschreven staat. Idem voor Wagner. Toen ik de Vliegende Hollander zong, bewonderden de mensen dat ik een bepaalde passage zacht zong. Maar dat stáát er zo! Er staat geen crescendo, zoals iedereen doet, maar driedubbel piano en sotto voce. Niet alle zangers lezen even goed en met name de zogenaamde Wagnerianen beroepen zich liever op een bepaalde traditie dan op de tekst. Hetzelfde geldt voor de Franse muziek. Als artiest moet je niet proberen de muziek te overheersen, je moet je laten meeslepen, als op een golf. Je moet durven geloven dat er een reden is voor wat de componist heeft geschreven en proberen die reden te begrijpen.”

U gaat zich nu steeds meer toeleggen op de opleiding van jonge zangers. Hoe weet u eigenlijk of iemand een zanger kan worden?

“Om te beginnen is er de persoonlijkheid, verder muzikaliteit en techniek. Die laatste kun je leren maar dat doet men steeds minder. Vroeger had je dirigenten zoals Bruno Walter die jonge zangers vijf jaar lang met een vast ensemble van jonge zangers rollen instudeerden. Als zij die zangers loslieten, kenden die hun rollen op hun duimpje en hadden ze daarenboven een degelijke zangtechniek. Een vierde vereiste is de passie. Als je niet zot bent van het vak, laat je het beter zitten.”

En wat zegt u tegen een jonge zanger die dat allemaal heeft?

“Geduld! Leer wachten, studeer enkel de rollen in die bij je passen, ga niet te snel. Ik maak vaak de vergelijking met de sport. Als je wilt langeafstandslopen, begin je niet met de marathon. Je begint met 800 meter, dan , 3.000, 5000... Uiteindelijk zul je de marathon lopen. Je moet de juiste rollen kiezen, ze nauwgezet instuderen, een zware rol eerst in Antwerpen zingen en pas later in Parijs en nog later in de Met. Nu doet men het vaak omgekeerd: men brandt jonge zangers op. Er is nu een beroemde tenor, Rolando Villazón om hem niet te noemen, die op z’n bek is gegaan omdat hij per se Domingo wil zijn. Placído Domingo is een prachtige tenor maar ook een natuurgeweld en daarenboven zo oud als ik, al zegt hij dat het niet waar is. Er is niets fout aan een voorbeeld maar je mag het niet willen imiteren. Als iemand naar mij komt met een kopie van een Rubens, interesseert mij dat geen moer. Waarom zou dat met een zanger anders zijn?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234