Maandag 20/09/2021

GetuigenissenPesten op het werk

‘Als je gepest wordt op het werk, sta je machteloos. De wetgeving staat aan de kant van de werkgever’

Rita Gielen. Beeld Marco Mertens
Rita Gielen.Beeld Marco Mertens

In 2001 kreeg België een antipestwetgeving, na de tragische zelfmoord van de jonge postbode David Van Gysel, die in zijn afscheidsbrief verwees naar de jarenlange pesterijen op het werk. Twintig jaar later heeft de wetgeving het sarren op de werkvloer – en de zelfmoorden – niet gestopt. De reglementering is vaag, nodeloos ingewikkeld en biedt nauwelijks bescherming aan de tot wanhoop gedreven slachtoffers.

“Ik ben vanochtend in tranen opgestaan”, zegt Rita Gielen (58) aan de telefoon, daags na ons interview. “In mijn droom zat ik weer op mijn werk en beleefde ik die hel opnieuw. Het is nu vier jaar geleden, maar het trauma van wat ik toen heb doorgemaakt, gaat nooit meer weg.” Rita Gielen werkte vijftien jaar als commercieel directeur voor een kmo, die ze in vijftien jaar tijd mee hielp uitbouwen tot een succesvolle onderneming met vestigingen in het buitenland. Ze werkte zestien uur per dag en vloog naar klanten in heel Europa en Amerika.

Gielen: “Mijn dochter vertelde me onlangs nog dat ze me altijd zag werken, ook als ze ’s nachts opstond om naar het toilet te gaan: ‘Je stopte nooit, mama.’ Dat was ook echt zo. Ik sliep maar vier tot vijf uur per nacht, jaren aan een stuk.”

De jetlags en de jaren in overdrive eisten hun tol, en in 2015 voelde Rita dat haar lichaam uitgeput was. Ze bleef drie maanden thuis met een burn-out, en toen ze terugkeerde, zei ze dat ze haar job met hetzelfde enthousiasme zou blijven doen, maar niet meer al dat extra werk op zich wilde nemen. Dat viel slecht bij de zaakvoerder. “Als je je werk niet aankunt, moet je maar iets anders gaan doen”, was zijn reactie.

Dat was het begin van een psychologische oorlog van haar bazen om haar naar de uitgang te begeleiden, zonder ontslagvergoeding voor haar jarenlange inzet.

Gielen: “Ze hoopten dat ik zelf ontslag zou nemen. Maar ik ben een vechter, en toen de pesterijen almaar erger werden, heb ik een formele klacht ingediend bij een externe preventiedienst. De procedure was een martelgang, want het is aartsmoeilijk om te bewijzen dat je gepest wordt als het over psychische treiterijen gaat. Maar uiteindelijk heb ik wel ‘gewonnen’. Ze hebben me uitbetaald voor mijn ontslag. Een magere troost; je bent altijd een verliezer.

“Ik vond het allemaal zo ingrijpend, dat ik andere slachtoffers ben gaan opzoeken om hun verhalen te bundelen in een boek. Niet om wraak te nemen op mijn ex-werkgever, maar om een debat te openen. Er is nauwelijks aandacht voor het thema, terwijl het zo’n prangend probleem is. Pesterijen zijn als betonrot in de werkvloer: als je er niks aan doet, ondermijnt het je hele organisatie én je werknemers.

“Als je zelf het mikpunt van kwelduivels op het werk wordt, besef je pas hoe machteloos je als slachtoffer staat. Je hebt nauwelijks wapens om je te verweren. De wetgeving staat helemaal niet aan jouw kant, maar aan die van de werkgever.”

Het boek is nog niet klaar, maar je hebt wel al een titel: Knock-out.

“Ik heb al veel slachtoffers geïnterviewd, en wat me opviel, is dat de sterkste persoonlijkheden gekraakt kunnen worden, ook na een succesvol professioneel leven. Hoe ze met je geest spelen, is vernietigend. Pesten schuilt aanvankelijk in kleine dingen, maar het wordt erger met de tijd. Ik vergelijk het met een muziekstuk dat zachtjes begint en naar een crescendo gaat, om te eindigen als een finale van een angstaanjagend muziekstuk in een horrorfilm. De schade die het berokkent, is vaak onherstelbaar. Ik heb zelf met een touw om mijn nek gestaan.”

‘PESTERS, BEDANKT!’

Twintig jaar bestaat de antipestwetgeving al, maar pesters op de werkvloer worden zelden gestraft, laat staan veroordeeld door een rechtbank. In 2011 gingen schrijnende beelden het land rond van een werknemer die in een magazijn door zijn collega’s in folie werd gerold, vastgebonden aan een pallet en vernederd. De pesters werden door het bedrijf ontslagen, maar omdat het gerecht de feiten liet verjaren, werden ze nooit veroordeeld. De collega die het hele tafereel met de pesters had gefilmd, vocht zijn ontslag aan voor de arbeidsrechtbank en kreeg 250.000 euro schadevergoeding.

In de zomer van 2007 beroofde Patrick Van Coppenolle, een 53-jarige onderhoudstechnicus bij de stad Gent, zich van het leven. “Aan de pesters, verkleineerders, bedankt!”, schreef hij in zijn afscheidsbrief. De twee oversten van Van Coppenolle werden door de correctionele rechtbank vrijgesproken. Ook de collega’s van postbode David Van Gysel, die in 2000 zelfmoord pleegde, gingen in beroep vrijuit.

Het blijkt erg moeilijk te zijn om pesters veroordeeld te krijgen voor een rechtbank, omdat er een oorzakelijke fout bij de pester moet worden aangetoond. Onlangs gaf een arbeidsrechtbank wel een boete van 8.000 euro aan de Brusselse organisatie Mission locale d’Etterbeek, na de zelfmoord van een werkneemster in 2018. Er volgde een onderzoek van het arbeidsauditoraat naar de werkomstandigheden van het personeel in de vzw. Daaruit bleek dat die te weinig had gedaan om de werkneemster op te vangen nadat zij verschillende keren had geklaagd over pesterijen, discriminatie en machtsmisbruik door haar oversten. “De pesterijen tegen de dame zijn begonnen toen ze vakbondsvertegenwoordiger werd”, zegt Marina Künzi, vakbondssecretaris van het ACV.

Künzi: “Het personeelsbeleid in de vzw was gekenmerkt door terreur, maar de directie heeft nooit ingegrepen, ook niet toen een ander personeelslid een jaar eerder al een zelfmoordpoging had ondernomen. De werkneemster trok verschillende keren aan de alarmbel, maar vond nergens steun en werd ziek. Na een grof telefoontje van haar werkgever beroofde ze zich van het leven. De vzw werd niet veroordeeld voor de zelfdoding, maar wel voor inbreuken op de wet op het Welzijn op het Werk. Dat is toch al een stap in de goede richting.”

De christelijke vakbond ACV vraagt al langer aandacht voor de psychosociale risico’s op het werk en vindt dat de antipestwetgeving ingrijpend moet veranderen. “Mentale problemen en pesterijen blijven veel te lang onder de radar”, zegt vakbondsman Stijn Gryp.

Gryp: “Slachtoffers winnen hun zaak zeer zelden. Werknemers zien het niet zitten om procedures aan te spannen. Ze begrijpen de complexe reglementering niet en zijn bang voor represailles, en in veel gevallen terecht. Bij fysiek geweld nemen bedrijven wel maatregelen, maar psychisch getreiter en grensoverschrijdend gedrag worden vaak gebagatelliseerd. Dan krijgt de werknemer te horen dat hij de oorzaak bij zichzelf moet zoeken. Het slachtoffer vertrekt, terwijl de pleger kan blijven.

“Pesterijen zorgen voor enorm veel stress en mentale problemen op de werkvloer. We hebben cijfers bij het RIZIV opgevraagd, waaruit blijkt dat eind 2020 meer dan honderdduizend langdurig zieke werknemers thuiszaten met een depressie of een burn-out, onder meer veroorzaakt door pesterijen. De laatste vier jaar zijn die cijfers snel gestegen, en door de coronacrisis zal het er niet op verbeteren. Mentale problemen op het werk leiden dus ook tot enorme economische kosten. Wij vinden dat er verplichte metingen van psychosociale risico’s moeten komen in bedrijven, en actieplannen en boetes voor hardleerse bedrijven. De wetgeving moet ook beter.”

RECHTER EN PARTIJ

Wat is er dan mis met die antipestwetgeving, die in 2001 met de beste bedoelingen is opgesteld, en in 2014 is aangepast? “Mijn grootste kritiek is dat ze het slachtoffer veel te weinig beschermt”, zegt advocaat Johan Nulens, die als specialist in sociaal recht veel pestdossiers van slachtoffers heeft behandeld.

‘De antipestwetgeving is het toppunt van pesten’, zei een slachtoffer me.

Nulens: “Ja, eigenlijk is dat wel zo. Eerst en vooral is het een heel ingewikkelde reglementering vol complexe en vage regeltjes. Daar sla je iedereen mee dood, zeker een leek die niets van juridische begrippen kent. En de wetgeving is ook heel vaag. Wat zijn pesterijen precies? Een werkgever mag een werknemer bepaalde instructies geven, maar waar ligt de grens tussen werkgeversgezag en pesterijen? Men zegt dat iemand niet ‘buiten het redelijke’ mag handelen. Maar wat is dat, ‘buiten het redelijke’? Dat is zo vaag dat iedereen er wel een eigen draai aan kan geven.

“Ik heb een overzicht van de rechtspraak met tweehonderd vonnissen van de afgelopen jaren. Daar is geen enkele lijn in te trekken. Wat je in een bouwfirma als werkgever tegen de werknemers kunt zeggen, is anders dan op kantoor. Op een bouwwerf is schreeuwen tegen elkaar de gewoonste zaak van de wereld, maar als dat gebeurt in een administratie, is het grensoverschrijdend gedrag. Alles hangt dus ook af van de werkcontext.”

Het is moeilijk om als slachtoffer je gelijk te halen.

Nulens: “Het probleem met de wetgeving is dat de bewijslast bij het slachtoffer ligt. Je moet zelf aantonen dat je wordt gepest en het bewijs van die feiten leveren. Daar heb je een stevig dossier voor nodig: je moet chronologisch bijhouden wat er is gebeurd, met bewijzen en mailverkeer, en je hebt ook getuigen nodig. Je moet collega’s vragen om je verhaal te bevestigen, wat niet makkelijk is, want vaak werken die mensen daar nog. Maar zonder een goed uitgewerkt dossier hoef je er niet eens aan te beginnen. De werkgever of de beklaagde collega kan immers makkelijk ontkennen en hoeft niet aan te tonen dat het geen pesterijen waren. Ook dat zorgt voor een onevenwicht.”

De meeste pestdossiers gaan niet naar een rechtbank, maar naar hr-bedrijven met een sociaal secretariaat en een preventiedienst voor psychosociale klachten, zoals IDEWE, Liantis, Securex en andere.

Gielen: “De overheid heeft het onderzoek naar pesten grotendeels uitbesteed aan de privésector, waar commerciële wetten gelden. Elke organisatie is wettelijk verplicht om zich aan te sluiten bij een externe preventiedienst, die toezicht houdt op het welzijn op het werk. Officieel zijn dat vzw’s, maar ze maken vaak deel uit van een commerciële groep met een sociaal secretariaat, een verzekeringspoot of een bank. Zo zijn er tien, verspreid over het hele land.

“Een werknemer die een klacht over pesterijen heeft, kan een formele procedure starten bij de externe preventiedienst waarbij zijn werkgever is aangesloten. De preventieadviseur zal de klacht dan onderzoeken, maar het is de werkgever die hem onrechtstreeks betaalt. Het is toch een vreemde positie om dan een onderzoek te voeren, zeker als de werkgever betrokken partij is in het pestverhaal.

“Bovendien verliest zo’n externe dienst niet graag klanten. Wat als de werkgever ermee dreigt om naar een andere preventiedienst over te stappen als de uitslag van het onderzoek in zijn nadeel is? Ik heb toch vragen bij de onafhankelijkheid van zo’n preventieadviseur. Hij is tegelijk rechter en partij.”

Kunnen preventiediensten die betaald worden door de werkgever, wel een objectief onderzoek voeren?

Nulens: “Ik heb inderdaad al onderzoeken gezien waar de preventieadviseur er met zijn pet naar gooit. Dan levert die een slap verslag af waar je als slachtoffer geen stap verder mee komt. Getuigen horen ze ook niet altijd, wat ik toch problematisch vind. Je kunt niet zeggen dat de ene externe dienst beter werk aflevert dan de andere, het hangt echt af van de persoon bij wie je terechtkomt. De ene preventieadviseur steekt er meer energie in dan de andere of is beïnvloedbaarder dan de andere.”

Zo’n onderzoek is dus eigenlijk heel willekeurig?

Nulens: “Ja. Ik beweer niet dat preventieadviseurs niet onafhankelijk kunnen werken. Maar omdat de werkgever hen betaalt, is er altijd een risico dat hij druk probeert uit te oefenen. Ook dat heb ik wel een paar keer gezien.”

GEEN TOFFE PAPA

Dirk (35), ex-kaderlid in een bekende voorziening voor mensen met een beperking, is één van de slachtoffers die zijn hoofd aan de wetgeving stootte. Hij werkte als teamleider in de instelling, toen hij het mikpunt werd van één van de opvoedsters, die een goede band met de directeur had.

Dirk: “Ik doe mijn werk heel goed en heel graag. Ik werk al vijftien jaar in de sector en kreeg altijd goede evaluaties over mijn inzet, mijn resultaten en mijn inborst. De directeur en de raad van bestuur toonden zich altijd heel tevreden. Ik leidde een team van twintig gehandicaptenbegeleiders. Eén van die twintig heeft mij beentje gelicht. Ze heeft me het leven zuur gemaakt, de laatste jaren met steun van de directie, tot het onhoudbaar werd. Toen heb ik besloten om eerst een informele, en daarna een formele klacht in te dienen bij de externe preventiedienst waar onze organisatie bij was aangesloten. Dat heeft de zaak doen escaleren. De directeur was woedend omdat ik er de externe dienst bij had gehaald. Hij wilde geen pottenkijkers en wuifde mijn klachten weg.”

De gedelegeerd bestuurder verweet Dirk ‘dat hij de goede naam van de instelling in het gedrang bracht’. Als hij doorging met zijn klacht, zo dreigde de raad van bestuur, zou hij nooit meer werk vinden in de sector. Maar als hij vrijwillig ontslag nam, zouden ze zijn realisaties extra in de verf zetten en voor heel positieve referenties zorgen.

Toen Dirk toch doorzette, werd hij verbannen naar een gebouw in een uithoek van het domein. Hij kreeg geen toegang meer tot zijn bureau en zijn computer. De directeur wilde hem niet meer zien en communiceerde alleen nog via tussenpersonen. Enkele maanden later volgde zijn ontslag, midden in de coronacrisis, terwijl het onderzoek van de preventiedienst nog maar net gestart was.

Dirk: “Als signaal naar de collega’s kon dat tellen. Dat heeft ongetwijfeld ook hun getuigenissen tijdens het onderzoek beïnvloed.”

De twee preventieadviseurs die het onderzoek voerden, besloten in hun eindverslag dat Dirk geen slachtoffer van pesterijen was. Er was wel grensoverschrijdend gedrag gepleegd door zijn collega, zoals verbale agressie en roddelgedrag, maar dat was te situeren in de context van een conflict tussen twee botsende karakters. ‘Herstelbemiddeling is moeilijk in de huidige werkcontext,’ schreven de preventieadviseurs in hun conclusie, ‘aangezien Dirk niet langer werkzaam is in de voorziening.’

Dirk: “Mensen kunnen maar moeilijk geloven dat het ook in de gehandicaptensector zo hard wordt gespeeld. Ze denken dat daar alleen geëngageerde mensen met goede bedoelingen werken. Vaak is dat ook zo, maar voor sommigen draait het toch vooral om macht en status.”

In 70 procent van de gevallen zijn pesterijen afkomstig van een leidinggevende. Bij jou was het net andersom. Hoe kon dat?

Dirk: “De directeur en de dame in mijn team werken allebei al meer dan twintig jaar in de instelling. ‘Dat schept een band,’ zeiden ze zelf. Bovendien zorgde de dame, ik zal ze noemen, onrechtstreeks voor extra inkomsten voor de instelling. Een familielid van haar is parochiaal medewerker. Kinderloze parochianen stelde hij tijdens zijn huisbezoeken een duolegaat voor: dat betekent dat er dankzij een schenking aan een goed doel – in dit geval de gehandicaptenvoorziening – bij hun overlijden minder successierechten betaald moeten worden op de rest van hun erfenis. Daardoor houden neven en nichten of vrienden netto meer over, en de instelling kreeg zo extra budget voor nieuwe projecten.”

Wanneer is het pesten begonnen?

Dirk: “Ergens in 2017. Alles begon met een nieuwe regeling van de directie voor de overuren. Er werd met een nieuw prikkloksysteem gewerkt, in vertrouwen. Het was de taak van de leidinggevende – mijn taak dus – om toe te zien of alles correct verliep. Iedere begeleider heeft een vast dienstrooster en overuren konden alleen op vraag van de dienst. Sigrid werkte hard en had haar eigen projecten, waar ze naar eigen believen overuren voor maakte, vaak op momenten dat het niet nodig was. Zo sprokkelde ze extra vakantiedagen, vaak in de drukste periodes voor de instelling. Daarmee bracht ze het schema van de andere collega’s in gevaar, want die moesten altijd bijspringen. Op een bepaald moment had ze in zes maanden tijd weken recup opgebouwd. Zoiets is onhoudbaar, ik moest twintig mensen coachen. Het verziekt de sfeer in je team, collega’s beginnen te morren en op den duur houdt niemand zich nog aan de regels. Sigrid eigende zich ook allerlei privileges toe. Zo stond ze steeds minder vaak in voor het busvervoer en de verzorging van onze cliënten, volwassenen met een mentale of fysieke beperking. Verbaal was ze heel sterk, ze praatte iedereen onder tafel, en ze kwam er dus vaak mee weg. Veel collega’s waren bang voor haar.

“In het begin sprak ik haar daar op een vriendelijke manier over aan, maar dat had totaal geen effect. Ik heb echt jaren mijn best gedaan om de situatie recht te trekken. Maar ze begon verhalen over mij rond te strooien: dat ik niet deugde als teamleider, dat ik slecht communiceerde… Als ze voelde dat ik aan één van haar privileges zou raken, schoot ze in een kramp. En dat werd altijd maar erger. Op teamvergaderingen stelde ze elke beslissing van mij ter discussie voor het hele team. Als ik aan het woord was, rolde ze met haar ogen, zat ze luid te zuchten en gefrustreerd droedels te tekenen. Ze onderbrak me vaak om me te bekritiseren en schoof fouten in mijn schoenen. Ze lachte me uit voor alle collega’s. Ze achtervolgde me door het hele gebouw, soms op een halve meter afstand. Eén keer stormde ze binnen op een vergadering met leveranciers van de instelling, en begon ze me uit te schelden. Daar zit je dan als leidinggevende, ik werd voor schut gezet. Met die externen erbij kon ik niet reageren. Toen ze uitgeraasd was, liep ze naar buiten. IJzige stilte op de vergadering. Tegen iedereen die het wilde horen, zei ze dat ik mijn job niet aankon. Zo probeerde ze mijn reputatie te schaden, en ze ontkende het niet eens. Ze had immers gelijk, zei ze. Ik kon me niet verdedigen tegen die verhalen, die ook buiten de instelling een leven gingen leiden.

“Als ik er de directeur over aansprak, suste die: ‘Ze heeft nu eenmaal haar stijl.’ Hij vond ook dat ik beter moest communiceren met haar, maar hij greep niet in, terwijl het pesten ook niet te onderschatten gevolgen had voor de kwaliteit van de zorg. Onze cliënten zijn mensen met een beperking, maar ze voelen het wel als er iets scheef zit. Na verloop van tijd zie je kampen ontstaan. Sommige cliënten willen in een goed blaadje staan bij bepaalde begeleiders, zeker als ze zien dat die veel aanzien hebben. Er is dan ook veel angst onder de begeleiders om fouten te maken. Je bent constant op je hoede.”

Wat doet zoiets met je?

Dirk: “Eerst twijfel je. Heb ik het verkeerd? Ben ik ziek? Beeld ik mij dingen in? Je wordt achterdochtig, paranoïde zelfs. Je weet niet meer wie je nog kan vertrouwen. Ik werkte nog harder dan voorheen omdat ik geen fouten wilde maken, ik dekte me voortdurend in. Je wordt gewoon afgemaakt, elke dag. Op den duur zit je in een soort koker en denk je nog maar aan één ding: ik moet overleven, ik wil hier blijven werken. Terwijl je hoort hoe die dame de poten van onder je stoel aan het zagen is.

“Ik begon te eten uit stress, en kwam 20 kilo bij. Thuis was ik niet te genieten. De kinderen merkten het natuurlijk, ik was geen toffe papa meer. Mijn vrouw dacht dat het kwam door de zieken in mijn familie, voor wie ik moest zorgen. Ik durfde haar niets te vertellen over de problemen die ik op het werk had. Ik schaamde me diep. Ik heb pas iets tegen mijn vrouw gezegd toen ik al bijna ontslagen was. Ik bleef hopen dat ik het nog kon oplossen.”

HERSENMIST

Hoe is het onderzoek van de externe preventiedienst verlopen?

Dirk: “Eigenlijk was die procedure nog het meest traumatisch. Ik had helemaal niet het gevoel dat het onderzoek op een onpartijdige manier werd gevoerd. Ik had bijna honderd feiten van pestsituaties opgelijst. Je moet elke situatie tot in detail beschrijven – wat, waar, wanneer, hoe? – en zoveel mogelijk bewijzen leveren, zoals mailverkeer. Verschillende collega’s hebben meerdere malen mijn verhaal aan de preventieadviseurs bevestigd. Maar eigenlijk heb je voortdurend het gevoel dat ze je niet geloven.

“Ze leggen je verhaal voor aan de beklaagde, die een andere versie van de feiten geeft, en dan gaan ze ervan uit dat ‘de waarheid wel ergens in het midden ligt’. Een leidinggevende die gepest wordt door een ondergeschikte? Dat was ook moeilijk te geloven. Maar haar gedrag was dan ook echt niet normaal. Tegen zoveel ontkenning en manipulatie kun je niet op. Het was zo stresserend dat ik ook niet de beste versie van mezelf was. Ik zat bij de externe preventiedienst te schudden en te beven en had moeite om mijn verhaal coherent te vertellen. Ik zat er toen al compleet door.

“Ik ben overtuigd van de goede bedoelingen van die preventieadviseurs, maar het ontbrak hun duidelijk aan tijd en aan middelen om de zaak tot op het bot uit te spitten. Alleen al voor mijn dossier moesten bijna dertig getuigen geïnterviewd worden in een tijdsbestek van zes maanden. En dat werd doorkruist door corona en de vakantie, wat alles nog lastiger maakte.

“De directeur legde al zijn gewicht in de schaal om ervoor te zorgen dat ik de schijn tegenhad. Ik kreeg wel veel steunbetuigingen van collega’s, cliënten en ouders, maar incognito. Ze waren op hun hoede om samen met mij gezien te worden. Zij waren ook bang. Het vergde veel moed van die collega’s om te getuigen, zij het anoniem.”

Waarom besloten de preventieadviseurs dat het geen pesterijen waren?

Dirk: “Ze noemen het een conflict, omdat er geen machtsonevenwicht tussen ons is. Bij pesterijen zit het slachtoffer in een positie waarin hij zich niet kan verdedigen, en ze vonden dat dat voor mij niet het geval was. Maar het was geen gelijkwaardige relatie. Sigrid had de steun van de directie én de raad van bestuur.”

En nu?

Dirk: “Ik heb een procedure opgestart voor de arbeidsrechtbank, over het niet naleven van de wettelijke procedures. Die loopt nog. Om de fouten van het machtsmisbruik aan te kaarten, zouden we voor jaren vertrokken zijn. En ik weet niet of ik dat nog wil, want emotioneel is het heel zwaar geweest.”

Je werkt nu als coronacontacttracer.

Dirk: “(knikt) Nuttig werk, maar eigenlijk ondergekwalificeerd voor iemand met mijn ervaring. Meer kan ik nog niet aan. De voorbije jaren zijn zo stresserend geweest dat mijn concentratie nog altijd niet in orde is. Als contacttracer ken ik natuurlijk alle medische gevolgen van corona, en hersenmist is er één van. Al die verhalen over neurologische problemen zijn voor mij heel herkenbaar, ook al heb ik geen corona gehad. Pesten doet iets met je geest. Mijn hersenen voelen aan alsof ze gekookt zijn. Alles gaat trager, ik vergeet sneller dingen en kan moeilijker praten. Het komt weer in orde, maar heel langzaam.

“Kijk, ik ben een beer van een vent, ik ga door muren. Ik heb mijn familie door heel moeilijke jaren geloodst. Ik kan tegen een stootje. Maar hier ben ik gewoon tegen de grond gemept. Mijn hele persoon is met de grond gelijkgemaakt. De schaamte die ik voel, is enorm. Voor mij is de erkenning belangrijk, maar ik snak er ook naar om het achter mij te kunnen laten. Toch wilde ik mijn verhaal doen, in de hoop dat het kan helpen om de wettelijke procedures te evalueren en bij te sturen.”

ONDER DE ESDOORN

Het verhaal van Dirk is erg herkenbaar voor Rita Gielen. Zij kwam in het vizier toen de zaakvoerder van haar kmo een consultant introduceerde die zich in een mum van tijd naar de top wurmde. “Het was duidelijk dat hij mij eruit wilde en mijn plaats wilde innemen”, zegt Gielen. Ook bij haar begon het met kritiek op de manier waarop ze werkte. Haar communicatie was niet goed, om niet te zeggen ‘zeer slecht’, zei de consultant. “Die opmerking sloeg mij compleet uit mijn lood, want communicatie is het belangrijkste in de job die ik al achttien jaar naar ieders tevredenheid deed.” Opdrachten die ze kreeg, waren volgens de consultant nooit goed uitgevoerd. Langzaam begon hij haar functie uit te hollen.

Gielen: “Ik zie me nog aan zijn bureau staan voor een vergadering: ‘Boris, we moeten toch kunnen samenwerken? Hoe komt het dat je mij niet betrekt? Ik ben altijd verantwoordelijk geweest voor het commerciële team.’ Hij dook met zijn neus in zijn papieren en mompelde een ontwijkend antwoord.

“De CEO, een man met wie ik jaren goed had samengewerkt, at uit zijn hand en begon me na verloop van tijd te negeren. Ik werd niet meer op vergaderingen uitgenodigd en niet meer op de hoogte gebracht van beslissingen voor zaken waar ik mee verantwoordelijk voor was. Op een dag stond er plots een man voor mij die zijn arbeidscontract kwam tekenen. Bleek dat hij mijn team kwam versterken. Wat een gezichtsverlies! Ik werd niet eens meer betrokken bij de aanwervingen voor mijn team.

“De sfeer werd steeds vijandiger. Op vergaderingen werd ik afgesnauwd en geïntimideerd. Ik kreeg plots een negatieve evaluatie. Mijn telefoons en mails werden niet meer beantwoord. Op een bepaald moment merkte ik dat mijn mails gehackt waren. Op den duur begin je iedereen te wantrouwen. Je bent doodsbang om fouten te maken. Je vraagt je af: wie ben ik nog? Wat kan ik nog? Het beheerst je leven. Na elke scheldtirade van de consultant of de CEO moest ik naar adem happen. ‘Ga daar toch weg,’ zei mijn man. Maar ik had met hart en ziel voor dat bedrijf gewerkt en wilde er graag blijven. Het komt wel in orde, heb ik lang gedacht. Maar dat was dus niet zo.

“Daags voor ik op vakantie vertrok, liet de consultant me naar het kantoor komen. Toen ik binnenkwam, zaten de CEO en nog een ander directielid er. De scheldtirade die ik over me heen kreeg, was het finale muziekstuk in de horrorfilm waar ik het daarnet over had. Daar ben ik afgemaakt en vernederd. Ik liet alles over mij heen gaan, maar inwendig ontplofte een granaat en reet die me aan stukken. Op het einde van het gesprek wenste de CEO mij een goede vakantie. ‘Iedereen heeft recht op vakantie,’ zei hij. Ik ben opgestaan zonder een kik te geven en naar mijn auto gestapt. Ik weet nog altijd niet hoe ik die 100 kilometer naar huis zonder ongelukken heb afgelegd.”

Je bent uiteindelijk naar de externe preventiedienst gestapt voor een formele klacht.

Gielen: “Na die zware intimidatie was het duidelijk dat ik daar niet meer kon blijven werken. Mijn advocaat zei dat het een duidelijk geval van pesterijen was en is eerst naar het bedrijf gestapt om te onderhandelen: hij stelde voor om me te ontslaan en een eerlijke ontslagvergoeding uit te betalen. Ik werkte daar al meer dan vijftien jaar en verdiende behoorlijk goed mijn boterham. Als ze daar niet op ingingen, zou ik een formele klacht indienen. Maar de CEO weigerde. ‘Rita ontslaan? Geen sprake van. Wij willen haar terug,’ antwoordde hij in een aangetekende brief. Maar dat kon ik niet. Ik was te bang om daar ooit nog een voet te zetten.”

Je omschreef die formele procedure als een hellegang. Wat maakte het zo moeilijk?

Gielen: “Ik heb eerst dertig dagen moeten wachten op een afspraak met een preventieadviseur. Daarna kreeg ik tien dagen om mijn dossier samen te stellen. Op het moment dat je mentaal kapot bent, moet je op een heel rationele manier gaan bewijzen dat jou onrecht is aangedaan. Ik moest al die feiten van de voorbije achttien maanden chronologisch oplijsten en bewijzen. Dat gaat over dingen die je emotioneel gekraakt hebben. Zoiets op papier zetten is heel traumatiserend. Het voelt aan als een straf. Ik beleefde alles opnieuw. Ik heb dag en nacht aan dat dossier gewerkt, wenend, en ben 7 kilo afgevallen van de stress. Daarna begint het onderzoek en moet je wachten. Negen maanden heeft het geduurd. Dat was zenuwslopend. Ik vroeg de preventieadviseur wanneer hij met mijn getuigen zou praten. ‘Dat ga ik niet doen, want die mensen zijn partijdig,’ antwoordde hij. Ik vroeg hem of het niet zijn taak was om alle getuigen en partijen te horen, maar hij antwoordde dat hij niets moest. Dat vond ik verbijsterend. Maar je kunt niets doen. Je kunt alleen wachten op het eindverslag.

“Ik zat thuis te piekeren en zag alles zwart. De constante stress van de voorbije achttien maanden hadden al mijn reserves uitgeput. Van mijn zelfvertrouwen bleef niets meer over. Ik had hulp nodig en ging op zoek naar een psycholoog, maar al wie ik belde, had een overvolle agenda.

“Om mijn zinnen te verzetten ging ik op een dag de tuin in. Ik begon bladeren bijeen te harken, het was herfst. En daar voelde ik het weer: een zware druk op mijn borst. Ik kon moeilijk ademhalen en ging op een grenen bank zitten. Ik probeerde tot rust te komen door het hout van de bank te strelen. Toen wandelde ik naar de esdoorn in de tuin. Ik keek naar boven. Welke tak zou stevig genoeg zijn om mij te houden? Ik ging een touw zoeken. Ik zie me daar nog staan, met dat touw in mijn handen, tussen een hoop dorre bladeren.

“Dat ga je toch niet doen, Rita, dacht ik toen. Dat is het niet waard. Ik ben de tuin uitgelopen, naar binnen, en ben de stad ingetrokken. Van toen af heb ik ervoor gezorgd dat ik zo weinig mogelijk alleen thuis was. Mijn man heeft me enorm gesteund, maar het waren zwarte dagen.”

Negen maanden later was het eindverslag van de preventieadviseur er. Wat stond erin?

Gielen: “Dat verslag was mossel noch vis. De preventieadviseur schreef dat de gebeurtenissen ‘kunnen worden ervaren als pesterijen’. Hij schreef niet dat het pesterijen waren, en ook niet dat het geen pesterijen waren. Daar ben je dus niks mee. Voorts deed hij een aantal aanbevelingen aan beide partijen om de samenwerking te verbeteren. Mondeling raadde hij me wel af om nog naar het werk terug te keren, want ze zouden me blijven pesten. Maar dat stond natuurlijk niet op papier.

“Maar goed, mijn advocaat is opnieuw met mijn werkgever gaan onderhandelen, en toen gingen ze wel akkoord om mijn ontslagvergoeding te betalen.”

Rita Gielen. Beeld Marco Mertens
Rita Gielen.Beeld Marco Mertens

NOG MEER GESTRAFT

Als een preventiedienst beslist dat er geen sprake is van pesterijen, sta je machteloos als slachtoffer, zegt advocaat Johan Nulens.

Nulens: “De preventieadviseurs hebben een grote verantwoordelijkheid. Als zij de boot afhouden, sta je als slachtoffer nergens. Je kunt dan naar de inspectie stappen, maar ook dat is een slopende procedure. Vaak kiest een gepeste werknemer dan maar voor een andere job. Het resultaat is dat hij of zij nog meer gestraft wordt.”

Hoe kan het beter?

Nulens: “Eigenlijk zou het onderzoek naar pesterijen beter door een onafhankelijke dienst gevoerd worden. Je hebt als slachtoffer ook de mogelijkheid om een strafklacht in te dienen bij de inspectiedienst Toezicht Welzijn op het Werk (TWW). Dat is een officiële overheidsdienst die toezicht houdt op de reglementering inzake welzijn bij bedrijven. Zij zijn wellicht onafhankelijker, maar de dienst is naar mijn aanvoelen onderbemand. Ze moeten ook zware arbeidsongevallen onderzoeken, zoals bij die school in Antwerpen die is ingestort en waarbij vijf bouwvakkers zijn omgekomen. Dat soort zaken neemt veel tijd in beslag, en dan blijft er weinig tijd over om pesterijen op het werk te onderzoeken.»

Peter Decavele is voorzitter van de Werkgroep Psychosociale Aspecten van CO-PREV, de koepel van externe preventiediensten. Hij heeft alle vertrouwen in de onafhankelijkheid – ‘of toch een grote mate van onafhankelijkheid’ – van de diensten. Zelf is hij preventieadviseur psychosociale aspecten bij IDEWE.

Decavele: “Ik hoor vooral dat er geen toegevingen gedaan worden aan de druk van werkgevers met betrekking tot pestdossiers. Wel kun je als preventieadviseur meegaan in de visie van het bedrijf, wat het slachtoffer misschien als onpartijdig kan ervaren. Maar we laten ons advies niet beïnvloeden door commerciële overwegingen. Er zijn bij IDEWE al bedrijven en organisaties als klant vertrokken omdat ze niet tevreden waren over ons verslag. Er zijn zelfs dossiers waarin we hebben geadviseerd om de directeur te ontslaan, omdat die aan de basis van de pesterijen lag. We hebben zware gevallen gehad waarin de pleger van grensoverschrijdend gedrag een belangrijke figuur was, maar dat heeft ons niet tegengehouden om een duidelijk rapport te schrijven.”

Hoe bepalen jullie of iemand gepest wordt of niet?

Decavele: “We vertrekken van het dossier dat het slachtoffer – de wet spreekt van ‘verzoeker’ – ons bezorgt, en gaan dan met de aangeklaagde, met getuigen en met de directie praten. Het is niet makkelijk om scheidsrechter te spelen in dat soort zaken. Ik heb honderden mensen met schrijnende verhalen gehoord, waarbij ik dacht: hier moet ik een goed dossier over opstellen. Maar dan bel je een neutrale waarnemer in de organisatie en krijg je een heel ander verhaal te horen.

“In heel wat gevallen blijkt dat er een gedeelde verantwoordelijkheid is tussen de zogenaamde daders en slachtoffers. Echte slachtoffers halen we er meestal uit, daar ben ik van overtuigd. We proberen pestdossiers altijd eerst op een informele manier te regelen, met bemiddelingsgesprekken. Maar soms is dat niet meer mogelijk. Als mensen bij ons komen, hebben ze soms al een heel parcours afgelegd en is de situatie geëscaleerd. Van alle meldingen die we krijgen, gaan er tussen de 5 en 10 procent over tot een formele procedure. In heel wat andere gevallen kunnen we het oplossen met gesprekken.”

Rita Gielen raadt iedereen die formele procedure af.

Gielen: “Ik zeg andere slachtoffers altijd: ‘Als je nog niet lang in een bedrijf werkt, maak je dan zo snel mogelijk uit de voeten, want ze maken je kapot.’”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234