Zaterdag 11/07/2020

Als ik in de spiegel kijk, zie ik steeds vaker mijn vader staan

DOOR BART STEENHAUTTwee dagen voor het interview laat Sting weten dat hij graag een biootje van me krijgt, zodat hij weet met wij hij straks aan tafel zal zitten. Hij wil weten hoe lang ik al schrijf en waarover, en welke van zijn collega’s ik onlangs nog gesproken heb. We hebben afgesproken in het kantoor van zijn vrouw Trudy Styler, een filmproducente met wie hij bijna dertig jaar getrouwd is. Sting, met bruin haar en volle baard, verwelkomt me en biedt een espresso aan. “Mijn enige zonde”, knipoogt hij. In het bureautje waar we ons gesprek hebben, hangen stemmige zwart-witfoto’s van Brigitte Bardot in haar mooiste dagen.De aanleiding voor onze ontmoeting is de winterplaat die hij net gemaakt heeft, een project waar de zanger kennelijk veel meer plezier aan heeft beleefd dan aan de reünietournee van The Police. Het is een kleinschalige folkplaat die hij deels bij hem thuis in Toscane heeft opgenomen. “Eigenlijk had de platenfirma gevraagd of ik een kerst-cd wilde opnemen, maar dat zag ik niet zitten. ‘Jingle Bells’, dat is mijn wereld niet, en ik háát ‘Rudolph the Red Nosed Reindeer’, de kerstman en ‘Frosty the Snowman’. Dat zijn dode symbolen die geen enkele emotionele betekenis hebben en stuk voor stuk door de commercie zijn geclaimd. Ik ben meer geïnteresseerd in de verhalen waar een beetje mysterie in zit. Daarom ben ik wat research gaan doen. Eerst op de computer, door op iTunes woorden als ‘koude’, ‘winter’ en ‘sneeuw’ in te geven. Zo had ik meteen een enorme lijst van nummers waarmee ik aan de slag kon. Achteraf ben ik ook in bibliotheken gaan zoeken en vroeg ik aan vrienden of ze toevallig nog oude volksliedjes kenden.”

Het contrast tussen deze folkplaat en de reünietournee die je vorig jaar met The Police hebt gedaan kon nauwelijks groter zijn.

Sting: “Dat is waar, maar ik heb uitersten nodig. Als artiest moet je voortdurend openstaan voor nieuwe impulsen, en ik voel momenteel erg de behoefte om het publiek iets aan te bieden wat het nooit eerder heeft gehoord, althans niet van mij. Ik raak heel snel verveeld en het interesseert me niet om keer op keer hetzelfde knopje in te drukken of altijd maar opnieuw dezelfde formule uit te melken. Daar word ik niet alleen knettergek van, maar ook diep ongelukkig.“Succes heeft me de vrijheid gegeven om compleet mijn eigen zin te doen. Zonder blasé te klinken: ik denk wel dat ik dat verdiend heb. De platenfirma vertrouwt me daarin. Als ik voorstel om een luitplaat te maken met uitsluitend werk van de klassieke componist John Dowland kijken ze wel wat raar op, maar ze weten dat ik het in het verleden altijd bij het rechte eind heb gehad, en daarom laten ze me mijn gang gaan. En kijk, zelfs van die cd zijn er een miljoen verkocht.”

Steek je als ervaren songschrijver nog iets op wanneer je die traditionele volksliedjes uitpluist die in sommige gevallen al vijfhonderd jaar oud zijn?

“Moeilijke vraag. Ik vond het vooral verfrissend om even uit mijn eigen vijvertje te kruipen en in een veel grotere oceaan te zwemmen. Het is alleszins erg verrijkend om je een tijdje onder te dompelen in het creatieve denkproces van meestercomponisten als Bach en Schubert. Zoals je zegt: ik weet intussen wel hoe een popsong in elkaar zit, maar van dat soort genieën kan ik altijd nog iets leren. Bovendien is het veel minder stresserend om materiaal te bewerken dat al bestaat. Ik ben in een fase in mijn leven aanbeland dat het erg vermoeiend wordt om nog een hele cd met uitsluitend eigen werk te verzinnen. Mijn hoofd staat daar ook niet naar.”

Omdat je de lat te hoog legt voor jezelf?

“Ja, dat is zo. De enige druk die ik vandaag nog voel, is degene die ik mezelf opleg. Die staat helemaal los van de vraag of een project al dan niet een commercieel succes wordt. Voor alle duidelijkheid: een hit hebben is plezierig, maar ik beschouw het niet langer als een streven op zich. Op dat vlak word ik met de jaren eigenlijk alleen maar egoïstischer: ik maak nog louter muziek om mezelf te plezieren. Een song schrijven is een fantastisch gevoel. Maar ik vergelijk het graag met vissen: soms gooi je je lijn uit en vang je helemaal niets, terwijl er op andere dagen al na vijf minuten een snoek aan je haak hangt te spartelen.”

Je stelt in de hoesteksten van de cd dat je de winter in de eerste plaats als een periode ziet om de balans £van het voorbije jaar op te maken. Het is een tijd van reflectie, van terugblikken.

“Er zit een dualiteit in die periode. Er wordt in familiekring gevierd, maar voor wie geen relatie heeft is het vaak de donkerste, eenzaamste en meest confronterende tijd van het jaar. Als mens verlang je instinctief naar je eigen thuis, naar je eigen nest. De winter houdt inderdaad ook de overgang van oud naar nieuw in. Maar voor je de toekomst binnenstapt, moet je eerst in het reine zijn met het verleden. Het is een simpele psychologie, maar ze gaat al eeuwen mee. Onze voorouders voerden rituelen op telkens als de seizoenen veranderden, omdat ze ervan overtuigd waren dat hen een groot onheil te wachten stond wanneer ze dat niet deden. Als je geen offer bracht aan de zon zag je ze misschien wel nooit meer terug. Wat primitief, natuurlijk, maar ik ben er wel van overtuigd dat we ook vandaag nog de behoefte voelen om dat gebruik in stand te houden. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom Kerstmis zo populair blijft: het is het verlangen om het veranderen van de seizoenen in een ritueel te gieten.”

Je bent zelf een atheïst. Voelde het niet wat onnatuurlijk aan om traditionals te zingen over Kerstmis, engelen en de verrijzenis?

“Bij dergelijke nummers val ik louter voor de magie in de verhalen. Ik kan ze onmogelijk aanvaarden als getuigenissen van een geloof. De onbevlekte ontvangenis vind ik een prachtig verhaal, maar wetenschappelijk is het uiteraard volkomen absurd.“Maar ook al ben ik zelf atheïst, toch kan ik die christelijke liedjes zingen omdat ze een deel van mijn verleden zijn. Ik zing ze gefilterd door mijn eigen vrijzinnigheid. Vaak schetsen die verhalen de tijdsgeest van vroeger. Neem ‘Gabriel’s Message’, over de engel Gabriel die naar Maria fladdert en haar zegt dat ze het kind van God op de wereld moet zetten. Ze knikt en spreekt niet tegen. Dat zegt veel over de seksuele politiek vroeger. Mocht diezelfde situatie zich vandaag voordoen, dan kun je er donder op zeggen dat de engel een flinke mep op zijn kop zou krijgen.”

Hecht je zelf belang aan het kerstfeest?

“De mooiste kerst is het voor mij als ik al mijn kinderen kan overtuigen om naar huis te komen, wat niet eenvoudig is. (lacht) Ik zeur ze de oren van het hoofd, koop ze om, pest ze en smeek ze desnoods tot ze door de knieën gaan. Dan zit ik thuis met mijn zes kinderen, mijn vrouw en de hond rond een grote open haard en vertellen we verhalen, daten we elkaar up over wat zich de voorbije maanden in onze levens heeft afgespeeld. Meestal gaan we daarvoor naar mijn huis op het Engelse platteland. Dat is voor iedereen het gemakkelijkst.”

Je hebt huizen in Malibu, New York en Wiltshire, maar het merendeel van je tijd breng je in Toscane door. Nochtans hebben Italiaanse fans net de reputatie nogal heftig met hun idolen om te gaan.

“Je zou er versteld van staan hoe weinig ik in Toscane lastig word gevallen. Niet dat ik er anoniem kan zijn, dat lukt haast nergens meer, maar ik kan er rustig gaan wandelen of op een terras een stukje eten, en ze behandelen me met respect. Ik heb er geen bodyguards nodig. Dat heb ik trouwens altijd onzin gevonden. Ik ben in Italië blijven plakken toen mijn jongste dochter er werd geboren. Ik ben verliefd geworden op dat land en ik heb er een huis gekocht. Alleen heb ik nog altijd niet het gevoel dat ik me echt ergens gesetteld heb. De plek waar ik het vaakst ben, is de luchthaven van Heathrow. Wanneer je zoals ik voortdurend op tournee bent, is ‘thuis’ per definitie een abstract begrip. Ik associeer dat veeleer met een groep mensen, met name mijn familie, dan met een specifieke plek. Ik besef dat er een dag komt dat ik niet meer in staat zal zijn om te reizen, en dan zal ik me ergens definitief moeten vestigen. Maar ik heb er nog steeds geen flauw idee van waar dat zal zijn.”

Je hebt een gedicht van Robert Louis Stevenson op muziek gezet. Daar heeft hij het over een schipper die op de woeste zee voor zijn leven vecht, terwijl hij in de verte het dorp ziet waar zijn familie kerst zit te vieren. Heeft dat verhaal je geraakt omdat je zelf in de nabijheid van een scheepswerf bent opgegroeid?

“Dat heeft zeker meegespeeld. Bij ons in de familie heeft de zee altijd een belangrijke rol gespeeld. Mijn twee grootvaders waren scheepskapiteins en zoals je zegt heb ik mijn jeugd in Newcastle doorgebracht met uitzicht op een werf waar boten werden gebouwd.”

Voel je nog veel binding met de plek waar je bent opgegroeid? Ik vraag het omdat nogal wat van de nummers uit The Soul Cages,wat mij betreft de meest persoonlijke plaat uit je hele carrière, zich ook in Newcastle afspelen.

“(denkt na) Ik keer nog zelden terug, maar toen ik tijdens de research voor mijn nieuwe cd op ‘The Snow It Melts the Soonest’ stootte, een oude traditional uit Newcastle, werd ik plots door een soort heimwee overvallen dat ik al lang niet meer had gevoeld. Ik ben er mijn beide ouders verloren, en het was alsof ik een beetje thuiskwam. Toevallig was ik vorige week nog in de buurt omdat we daar in de plaatselijke kathedraal een concert hebben opgenomen. Mijn hele familie was er, evenals al mijn schoolvrienden van vroeger. Mensen die ik al sinds mijn jeugd niet meer gezien had. Het was alsof al die oude geesten weer tot leven waren gekomen. Ik vond het griezelig, hartverwarmend en triest tegelijk. Ik werd er melancholisch van.“Tegelijk was het belangrijk om die reis naar mijn verleden te maken, en ik ben ontzettend blij dat ik het gedaan heb omdat ik voelde hoe trots ze op me waren: een van hen, een local, die het helemaal gemaakt had. Er was niemand die het daar in zijn hoofd haalde om me Sting te noemen. Voor hen ben ik altijd Gordon Sumner gebleven, de zoon van de melkboer. De dag nadien moest ik het startschot geven voor de halve marathon van Newcastle, zowat de drukst bezochte ter wereld. Wat ik niet besefte, was dat elk van die vijftigduizend deelnemers me aan de start ook nog eens een hand wilde geven. Mijn vingers zagen helemaal blauw achteraf, maar het was een fantastisch gevoel om zo verwelkomd te worden op de plaats waar ik het eerste deel van mijn leven heb doorgebracht.”

Je klinkt een beetje nostalgisch.

“I know. Maar ik heb heel specifieke herinneringen aan de winters daar. Als kind van acht moest ik elke ochtend om vijf uur ’s ochtends uit bed om mijn vader te helpen met zijn melkronde. Er was geen geld voor extra personeel, dus voor ik naar school vertrok verplichtte hij me tot kinderarbeid. Dat mocht nog, toen. Natuurlijk liep ik de hele tijd te klagen en te sakkeren omdat ik in de bijtende vrieskou moest rondlopen terwijl al mijn vrienden nog sliepen. Maar achteraf bekeken was het een fantastische ervaring waar ik als als artiest veel aan gehad heb. Het voelde alsof de straten van ons waren. Mijn voetafdrukken stonden altijd als eerste in de sneeuw, en als kind mocht ik al met de bestelwagen rijden. We kwamen toch nooit politie tegen. Bovendien kreeg mijn stadje, dat er grijs en industrieel uitzag, iets feeërieks als het sneeuwde. Het werd net een magisch koninkrijk uit een sprookje. Mijn vader zei nooit veel, waardoor ik tijd zat had om te fantaseren terwijl ik aan en af liep om de flessen melk af te zetten. Dat zijn geweldige herinneringen. De winters leken me ook veel strenger, toen. Vandaag heb je dat niet meer, als gevolg van de globale opwarming van de aarde. Mijn kleinkinderen zullen het fenomeen sneeuw alleen nog kennen van oude, vergeelde foto’s.”

Wat voor een band had je met je vader, destijds?

“Dat lag moeilijk. Hij was een koppige, norse man die zich niet gemakkelijk openstelde. Onze gesprekken zijn altijd heel stroef verlopen. Maar hij was mijn vader en ik hield van hem. In zekere zin denk ik dat ik steeds meer zoals hij word, zelfs fysiek. Er zijn dagen dat ik in de spiegel kijk en hém zie staan. Dat overkomt me steeds vaker.“Ik geef wellicht ook meer van mezelf prijs in mijn nummers dan in het dagelijkse leven. Ik ben op mijn eerlijkst wanneer ik zing. Mijn zonen klagen daar wel eens over. Ze noemen me een ouwe taaie. (lacht) Maar goed: ze hebben me als vader gekozen, daar zal wel een reden voor zijn.”

Twee van je kinderen maken zelf muziek. Heb je hen dat nooit uit het hoofd proberen te praten? Er zijn precedenten zat van rocksterren wier zonen en dochters de muziek ingaan. Haast altijd draait dat op een mislukking uit.

“Ik heb opinies, en die laat ik horen. Maar negen keer op de tien leggen ze wat ik te zeggen heb gewoon naast zich neer. Mijn kinderen zijn erg op hun onafhankelijkheid gesteld. Die koppigheid hebben ze van geen vreemden. Ik heb thuis echt geen zak te zeggen. Kijk, het feit dat hun vader Sting heet heeft voor- en nadelen. Enerzijds is iedereen op zijn minst nieuwsgierig naar wat ze doen, maar aan de andere kant duikt voortdurend de vergelijking met mijn werk op, wat je voor een beginnende muzikant moeilijk een cadeau kunt noemen. Het is niet zo dat ze alles in de schoot krijgen geworpen. Dat zou niet gezond zijn.”

Denk je dat ze songschrijver zijn geworden omdat ze hun vader thuis nooit iets anders hebben zien doen?

“Dat kan haast niet anders. Hun leven lijkt nu erg op het mijne: ze schrijven liedjes, brengen cd’s uit en gaan op tournee. Twee van mijn andere kinderen zijn acteur, er zit een filmmaker bij en de jongste is nog volop bezig zijn weg te zoeken. Mijn vrouw werkt in de filmwereld, dus erg ver zijn ze het niet gaan zoeken. Ik kan alleen vaststellen dat ze net als hun ouders voor een creatief bestaan hebben gekozen, en dat ze het stuk voor stuk vertikken om hun familieconnecties uit te spelen - wat ik erg respecteer, overigens.”

Wat denk je als je terugkijkt op het leven dat je tot nog toe heb gehad?

“You lucky bastard. Ik besef beter dan wie ook hoeveel geluk ik heb gehad. Met mijn vrouw, met mijn kinderen, met de getalenteerde muzikanten die me hebben bijgestaan, met de kansen die ik gekregen heb. Het toeval is me altijd ontzettend gunstig gezind geweest. Het overheersende gevoel is er een van dankbaarheid, want ik betwijfel eerlijk gezegd of ik al die meevallers wel verdiend heb. Anderzijds is de honger naar nog meer gebleven. Dat lijkt me wel goed, zo. Ik kan me geen leven voorstellen waarin die appetijt gestild zou zijn.”

Vaak is het zo dat hoe succesvoller artiesten zijn, hoe genadelozer de eisen worden die ze zichzelf opleggen.

“Dat herken ik. Dertig jaar geleden was ik sowieso veel productiever dan nu. Toen was ik een veelschrijver, ik had nog geen filters waardoor alles wat ik maakte gezuiverd moest worden. Op professioneel vlak ben ik veel harder voor mezelf dan vroeger. Het moet allemaal veel gefocuster zijn. Daardoor ligt de lat steeds hoger, ben ik minder snel tevreden en komen er almaar minder cd’s uit. Ik ben stikjaloers als ik mijn kinderen elke dag een nieuwe song zie schrijven. Af en toe ga ik zelfs bedelen in de hoop dat ze me er eentje cadeau zullen doen. Want ik heb niks liggen op dit moment, echt niks. De bank is leeg.”

Dat baart je geen zorgen?

“Nee. Ik moet eerst tabula rasa maken voor ik met iets nieuws kan beginnen. Daarnaast gun ik mezelf de luxe om wat minder te werken. Ik heb een leeftijd bereikt waarop je beter de zoete smaak proeft van wat het leven te bieden heeft. Vroeger had ik daar de tijd niet voor. Toen had ik het te druk met de wereld te veroveren. Er moesten hits zijn, en alsmaar grotere tournees. Het was een bestaan in de overtreffende trap. Nu neem ik geregeld even de tijd om achterover te leunen en stil te staan bij wat me allemaal overkomen is. Ik heb geld genoeg, en dat geld heeft me de mogelijkheid gegeven om goed en comfortabel te leven. Wat voor zin heeft het als je niet de tijd neemt om daar echt van te genieten? Met Mark Knopfler - ook van Newcastle, trouwens - heb ik het daar wel eens over. Hij heeft zich net als ik een leven lang de pleuris gewerkt. Niemand zal het ons kwalijk nemen als we nog maar eens om de zoveel jaar een nieuwe cd opnemen. Al valt dat bij hem nogal mee, hij is nu productiever dan bij Dire Straits.”

Is je interesse in conventionele popmuziek verminderd? Je laatste twee soloplaten hebben er nog weinig mee te maken, en bovendien bracht je ze uit bij Deutsche Grammophon, zowat het meest prestigieuze label in de klassieke muziek.

“Ik blijf een popartiest, een muzikant. Mijn corebusiness is zoveel mogelijk verschillende soorten muziek te spelen en ervoor te zorgen dat die toegankelijk wordt voor een zo groot mogelijk publiek. Ik voel er weinig voor om als een paard met oogkleppen op te lopen. Of het nu over jazz, klassiek, folk of rock gaat, de bouwstenen zijn in principe altijd dezelfde. Bovendien zullen pure muziekvormen vroeg of laat toch verdwijnen. Die sterven uit. Maar pop slaagt er gek genoeg altijd in om te overleven.“En laat ons wel wezen: ik heb nu wel een folkplaat gemaakt, maar eigenlijk is dat evengoed popmuziek. Het zijn songs die de mensen kunnen fluiten terwijl ze over straat een kinderkoets voor zich uitduwen of terwijl ze de ramen staan te lappen. Wat me wel verbaasd heeft, is dat veel muzikanten me met open armen in hun biotoop verwelkomd hebben. Ik had niet de indruk dat ze me een parvenu vonden. Integendeel, vaak kreeg ik te horen dat ik hun muziek eerde, dat ik een frisse wind door hun wereld liet waaien. Want uiteraard ben ik geen operazanger en kan ik niet belcanto zingen. Daar schaam ik me ook niet voor. Belcanto is als zangtechniek ontstaan om zonder microfoons in grote concertzalen te kunnen zingen. Erg natuurlijk is dat niet. Voordien gingen mensen gewoon samen rond een tafel zitten en zongen ze volksliedjes voor elkaar. Ik hou heel erg van dat soort authenticiteit.”

Nu je er zelf over begint: je stem is doorgaans herkenbaar uit de duizenden, maar deze keer klinkt ze opvallend anders. Je zingt lager, grofkorreliger zelfs.

“Blij dat je dat gemerkt hebt. Een stem is als een goede wijn: die wordt dieper, rijker en rijper met de jaren. Ten tijde van The Police zong ik heel anders, maar tot vandaag slaag ik er - hout vasthouden - nog altijd in om ‘Roxanne’ in dezelfde hoge toonaard te brengen. Dat was een heel atletische manier van zingen. Het kwam er gewoon op aan om die spier getraind te houden. Als jonge muzikant waande ik me toch een beetje een krijger: ik wilde door zo luid te zingen zoveel mogelijk vrouwen in mijn bed krijgen. Het was een soort paringsritueel, en het werkte nog ook. Toen ging ik, zowel in de muziek als erbuiten, voor de onenightstands, terwijl ik nu veeleer een lange, diepgaande relatie nastreef. Ze hebben alletwee hun charmes, maar voor de rest kun je ze moeilijk met elkaar vergelijken.”

Je bent achtenvijftig. Denk je wel eens aan je pensioen?

“Soms. Voor popmuzikanten bestaat er geen officiële leeftijd om je terug te trekken, dus ik hoop dat ik zal aanvoelen wanneer het tijd is om van de radar te verdwijnen. Zodra ik niets meer te zeggen heb, zit mijn werk erop. Soms heb ik dat gevoel als ik naar de optredens van mijn kinderen ga kijken. Dan denk ik: taak volbracht, tijd om te rentenieren. Maar twee dagen later krijg ik dan toch weer een idee en besef ik dat er nog veel muziek wacht om gemaakt te worden. Als ik al stop, zal het nog niet voor morgen zijn.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234