Donderdag 07/07/2022

GetuigenissenWielrennen

Als hij maar geen wielrenner wordt: de gevaren van de koers

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

Koersen op de openbare weg wordt steeds gevaarlijker, zei Florian Vermeersch onlangs in Humo. Een stelling die afgelopen weekend helaas opnieuw bevestigd werd: wereldkampioen Julian Alaphilippe hield aan een zware valpartij in Luik-Bastenaken-Luik twee gebroken ribben, een gebroken schouderblad en een klaplong over. Wie in de koers als eerste over de meet wil, moet meer overwinnen dan alleen de tegenstand: putten, bulten, paaltjes, verkeerseilanden, onvoorzichtige toeschouwers... En bij de jeugd blijkt het nóg gevaarlijker, omdat ze daar geen oortjes en mobiele seingevers hebben. Jaarlijks raakt 10 procent van de 4.000 Vlaamse jeugdrenners gewond.

Loes Geuens

Vallen hoort bij de koers als een kater bij een feestje: ver­velend en pijnlijk, maar soms niet te vermijden. Renners die als stripfiguren over elkaar buitelen, keihard tegen het asfalt kwakken en meters verder schuiven om daarna verdwaasd weer recht te krabbelen, de kleren van het lijf gescheurd: het zijn beelden die zo normaal zijn geworden op een zondagmiddag dat u er uw stuk taart niet eens voor opzijzet. Af en toe blijft er ­iemand akelig stil liggen, of staat er alleen nog maar een fiets tegen de vangrail. Dan weet je dat het foute boel is.

Wielrennen is niet voor tere zieltjes, zo weet ook ­Tom ­Boonen, die na een ­kwart­eeuw op de koersfiets het peloton verruilde voor het racecircuit. Over de vraag welke van de twee sporten het meeste risico’s inhoudt, hoeft hij geen seconde na te denken.

Tom Boonen: “Wielrennen is de gevaarlijkste sport ter wereld, zonder twijfel. Kijk alleen al naar het aantal doden en gewonden, dan weet je genoeg.

“Nu, in de autosport kún je veel doen om de ­veiligheid te verbeteren. Wielrenners rijden tegen 80 per uur een berg af in een lycra pakje. Ik ben op training ooit los over mijn stuur gevlogen toen mijn wiel bleef steken tussen twee uitgeregende klinkers. Bam, sleutelbeen gebroken. Ik wist niet eens wat er gebeurd was.”

Heb jij als jeugd­renner veel valpartijen meegemaakt?

Boonen: “Eén keer ben ik overhoop gereden op training. Een autobestuurster ­wilde een straat inslaan aan een bakkerij, ik kwam uit de tegenovergestelde richting, maar ze had me niet gezien. Patat, op de capot. Ik ben er gewoon over gerold, ik had niks.

“Toen ik bij de beloften reed, is Claude Pauwels, een renner van Domo, in de sprint tegen een nadarhek gereden, recht op zo’n pin waarmee die dingen in elkaar haken. Die pin heeft zijn oog er als het ware uitgelepeld. Dat was verschrikkelijk. Claude heeft nog een tijdje met een glazen oog gereden, maar het lukte niet meer: hij was zijn dieptezicht kwijt.

“Als prof heb ik natuurlijk ook van alles gezien vanop de eerste rij. Ik heb vol bloed gehangen van andere renners, ik heb gebroken botten gezien, renners die dood­vielen. Ik was 22 toen Andrej ­Kivilev voor mijn neus verongelukte in Parijs-Nice. Je zag meteen dat het heel erg was. Een renner die valt, rolt zich op een bolletje, als beschermingsreflex. Bij Kivilev was het anders: hij viel met zijn hoofd op de stoeprand en lag daar als een lappenpop. Dat was nog in de tijd dat je je helm mocht afzetten voor de laatste beklimming. Dikke zever natuurlijk, maar iedereen deed dat toen.”

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

In 2015 maakte je zelf een doodsmak in de Ronde van Abu Dhabi.

Boonen: “Dat gebeurde op een viervaksbaan. We reden hard, 50 per uur, maar omdat de weg zo breed was, kon je achteraan in het peloton een beetje chillen. Op een bepaald moment rijdt een renner over een stuk beton­ijzer dat op de weg lag, en dat ding vliegt in het voorwiel van Theo Bos. Hij gaat tegen de grond, ik ontwijk hem, maar net wanneer ik langs hem schiet, schuift zijn stuur in mijn voorwiel. Ik val en raak met mijn hoofd eerst het ­asfalt. Door de slag schuift mijn helm af, waardoor ik die volledige impact op mijn hoofd krijg. Theo was helemaal van de kaart, want ik lag bewusteloos op de grond en bloedde uit mijn oor. Hij dacht dat ik dood was.”

Patrick Lefevere was meteen bij je, maar je her­kende hem niet.

Boonen: “Toen ik weer bijkwam, was ik blijkbaar heel agressief. Ik weet daar zelf niks meer van: ik ben een groot deel van die dag kwijt. Pas toen ik in de ziekenwagen lag, was ik opnieuw mezelf en kon ik antwoorden op vragen. In het ziekenhuis stelden ze een schedelbreuk van 15 centimeter vast, dwars door mijn oor. Achteraf bekeken is die breuk mijn geluk geweest, want daardoor kon er zich geen druk opbouwen in mijn hersenen. In mijn oor zelf was van alles kapot, en daardoor ben ik nu links voor 70 procent doof, en hoor ik continu een pieptoon.”

Was je bang toen je weer op de fiets kroop?

Boonen: “Ik was me meer bewust van de gevaren, ja. De laatste tien seconden voor een bocht of helling, waar je dat laatste zetje moet geven om vooraan te zitten… Als het echt gevaarlijk werd, blokkeerde ik. Ik herinner me nog de afdaling van de Nieuwe Kwaremont in de Ronde van Vlaanderen, die altijd met een rotvaart gaat. Ik hield in en ­draaide als één van de laatsten de Oude ­Kwaremont op, terwijl dat altijd mijn specialiteit was: zitten waar ik moest ­zitten als het erop aankwam. Toen ben ik voor het eerst in mijn ­leven met een ­psycholoog gaan praten. Als je in de koers begint na te denken, is het voorbij.”

Peter Van Petegem. Beeld Foto Ronny De Coster
Peter Van Petegem.Beeld Foto Ronny De Coster

Gat in de lucht

Peter Van Petegem, voor­malig winnaar van onder meer de Ronde van Vlaanderen (twee keer) en Parijs­-Roubaix, is de trotse vader van twee jeugdrenners.

Maurits Van Petegem is 17 en tweedejaars junior, ­Axandre (20) rijdt als belofte bij het opleidingsteam van Jumbo-­Visma. Van Petegem senior verkoopt ­tegenwoordig speciale verzekeringen voor sporters bij Concordia, en dat is geen toeval.

Peter Van Peteghem: “Ik zat vlak achter Wilfried ­Nelissen (voormalig topsprinter en tweevoudig Belgisch kampioen, red.) toen die in Gent-Wevelgem ­tegen een houten paaltje ­knalde. Ik dacht dat ik het ­paaltje ­hoorde breken, maar het was zijn been. Dubbele open scheenbeenbreuk, gebroken knieschijf, dijbeenbreuk: zijn been was volledig kapot. Zijn ­carrière was gedaan. Wilfried was toen 26 jaar. Nadat ik dat gezien had, wilde ik mezelf tegen zulk onheil verzekeren, maar dat is me nooit gelukt.”

Concordia verzekert de meer dan vierduizend Vlaamse jeugdrenners die elk jaar een competitievergunning aanvragen bij Cycling Vlaanderen. Wat leer je uit de dossiers die jullie binnenkrijgen?

Van Peteghem: “Een jeugd­renner heeft elk jaar één kans op de tien om gewond te ­raken. We spreken dan over zo’n 450 gevallen met lichamelijke schade. Daar zitten heel wat lichtere verwondingen bij – schaafwonden, kneuzingen en snijwonden – maar ook een honderdvijftig­tal breuken: sleutelbeen, pols, elleboog, hand, been… Ieder jaar zien we ook zo’n twintig zwaargewonden, met ernstige letsels in het gezicht en aan de tanden, heupbreuken, rug- en nekletsels of hoofdtrauma’s. In de afgelopen vijf jaar vielen er helaas ook twee doden. In 2019 overleed Stef Loos bij een ongeval in de koers, en in 2016 verongelukte de 15-jarige Matiz Vander Poorten tijdens de opwarming voor een wedstrijd.”

Word jij als wielervader bang van die cijfers?

Van Peteghem: “Ik kan dat vrij goed van me afzetten. ­Axan­dre heeft bij de nieuwe­lingen wel een paar keer verzorging nodig gehad in de ziekenwagen, maar dat bleef bij schaafwonden. Eén keer was het serieus, toen hij ­junior was. Mijn vrouw en ik zaten net in het vliegtuig, klaar om op vakantie te vertrekken, toen we hoorden dat ­Axandre naar het ziekenhuis was overgebracht met een hersenschudding. Mijn vrouw heeft hemel en aarde verzet om van dat vliegtuig af te raken. (lacht) Gelukkig mocht hij ’s avonds al naar huis, met veel ­schaafwonden en een grote bult op zijn hoofd.

“Maurits is een sprinter, en ik weet dat hij niet bang is om risico’s te nemen. Laatst kwamen ze met honderdvijftig man tegen 60 per uur naar de meet gestormd: één groot gevecht, dertig renners tegen de grond (blaast). Maurits lag er niet bij, maar dat weet je natuurlijk niet meteen.”

Kun je je inbeelden dat ouders geen gat in de lucht springen wanneer hun zoon of dochter wielrenner wil worden?

Van Peteghem: “Zeker. ­Maurits heeft lang gevoetbald, bij Kortrijk. Op een ­namiddag ga ik hem ophalen van de training en zegt hij: ‘Pa, ik stop met voetballen, ik ga koersen.’ We komen thuis, en een halfuur later vertellen ze op het nieuws dat Bjorg ­Lambrecht verongelukt is in de Ronde van Polen. Dat vergeet ik nooit.”

Tom Boonen. Beeld Photo News
Tom Boonen.Beeld Photo News

PLAS BLOED

Ruben Apers is vandaag tweedejaars prof bij Sport Vlaanderen-Baloise, maar het had weinig gescheeld of zijn wielercarrière was op zijn 20ste geëindigd. Hij raakte op 17 maart 2019 zwaargewond bij het ongeval in de Mémorial Alfred Gadenne in ­Dottignies waar de 19-jarige Stef Loos het leven liet.

Ruben Apers: “Het was die dag koud en guur. Vanaf de start was het chaos en al snel brak het peloton in stukken. De Japanse nationale ploeg reed mee, en die mannen zijn het niet gewend om in waaiers te rijden. Eén van die jongens reed in mijn wiel, mijn spaken vlogen alle kanten uit. Ik kreeg een nieuw wiel en begon aan een inhaalrace. Na een tijdje vormden we een groepje met een twintigtal renners. Voor ons uit reed de rest van het peloton, dat in twee stukken gescheurd was.

“Halverwege de ­wedstrijd volgden we een tweevaksbaan, en daar moesten we blijkbaar een klein ­straatje naar rechts inslaan. Maar omdat er geen seingever stond, gingen we rechtdoor. Twee kilometer verderop moesten we een grote baan kruisen. Wij waren ervan overtuigd dat we nog in koers zaten, en dus knalden we ­tegen 50 per uur rechtdoor. Het laatste wat ik mij herinner, is een witte schim rechts voor mij: de bestel­wagen die op volle snelheid op ons inreed. Stef, nog een andere renner en ikzelf werden weggekatapulteerd. We lagen 25 meter verder in een plas bloed. Ik weet nog vaag dat ik probeerde op te staan, daarna werd alles zwart.”

Aan de finish heerste paniek, want blijkbaar wist niemand waar het ongeval had plaatsgevonden.

Apers: “Mijn pa stond op drie kilometer van het punt waar wij fout zijn gereden. Hij zag de eerste twee groepen passeren, maar de derde groep kwam niet. Via via hoorde hij dat er ‘iets ergs’ gebeurd was. Hij begon langs het parcours te zoeken, maar omdat hij ons niet vond, reed hij naar de aankomst. Daar kon niemand hem vertellen in welk zieken­huis ik lag. Hij is zelf beginnen rondbellen en op den duur kwam hij te weten dat ik in Ronse lag. Drieënhalf uur na de feiten vond mijn pa me daar op intensieve zorg.»

Was je er erg aan toe?

Apers: “Mijn linkerdijbeen en rechtersleutelbeen waren gebroken en ik had een hersenbloeding. Omdat ik niet onder narcose mocht, moesten ze mijn dijbeenbreuk op een andere manier stabiliseren. Net boven mijn knie boorden ze een ijzeren staaf dwars door mijn bot. Dat is de ergste pijn die ik ooit heb gevoeld. Na drie dagen was de hersenbloeding onder controle en konden de dokters mijn sleutelbeen en dijbeen opereren.

“De eerste maand kon ik niks. Dat was confronterend: het ene moment ben je in topvorm, het andere moment moet een thuisverpleger je komen wassen en ben je zelfs niet in staat om een drankje uit de koelkast te nemen. De revalidatie was intensief, maar na twee maanden zat ik weer op de fiets.”

Amper anderhalve week later werd je opnieuw aangereden op training.

Apers: “Ik raakte gelukkig niet gewond, maar ik heb meteen mijn moeder gebeld: ‘Ma, ik stop ermee.’ Twee ­dagen heb ik niet gefietst, en toen heeft mijn trainer me gedwongen om een ritje te maken. Na een halfuur voelde ik me al beter.

“Eind juli, vier maanden na mijn ongeval, reed ik mijn eerste koers. Het eerste halfuur fietste ik met de daver op het lijf, maar daarna namen de automatismen het over en begon ik zelfs weer vooraan mee te koersen. Op het einde ging het licht uit, maar ik wilde absoluut uit­rijden. Al die miserie en moeite moesten ergens toe leiden. Ik kwam over de meet, stapte bij mijn pa in de auto, en heb geslapen tot de dag erna. (lacht)

De ploegmaats van Bjorg Lambrecht na zijn dood in de Ronde van Polen. Beeld EPA
De ploegmaats van Bjorg Lambrecht na zijn dood in de Ronde van Polen.Beeld EPA

Chute!

Ook de zoon van Wim Vansevenant, jarenlang de trouwe helper van Peter Van Petegem, kreeg de wielermicrobe te pakken. Mauri Vansevenant etaleerde de afgelopen weken alweer zijn ­klimtalent in de Ronde van het Baskenland, maar in de Alpenklassieker van 2017, één van zijn allereerste koersen in het hooggebergte, liep het helemaal mis. Vansevenant was toen net 18.

Mauri Vansevenant: “Ik zat alleen voorop en moest een vrij technische afdaling rijden. Ik had weinig ervaring. Op een bepaald moment ging ik een blinde bocht in, die veel scherper was dan ik had ingeschat. Ik probeerde nog te remmen, maar ik botste frontaal op een gevel. Door de slag op mijn hoofd brak ik twee nekwervels. Mijn pols was ook gebroken, maar dat was gewoon nevenschade.”

Besefte je meteen dat het ernstig was?

Vansevenant: “Niet echt. Ik zat nog volledig in de adrenalinerush van de wedstrijd. Ik ben meteen rechtgesprongen om weer op mijn fiets te kruipen, al voelde ik me wel wat duizelig. Gelukkig was er een ervaren motard in de buurt die me gedwongen heeft om op de grond te gaan liggen. Dat is mijn redding geweest.”

Je vader was de koers thuis aan het volgen.

Vansevenant: “Via tekst­updates, beeld was er niet. Hij wist dat ik alleen voorop was, en dan plots: ­‘Chute!’ Even later vernam hij dat ik was weggebracht naar het ziekenhuis. Hij is in zijn auto gesprongen en naar het zuiden van Frankrijk gereden.”

Na enkele dagen werd je overgebracht naar het ziekenhuis van Brugge, waar de behandelende arts aan je vader vertelde: als die nekwervels één millimeter verschuiven, is het afgelopen.

Vansevenant: “De breuk zat op een delicate plaats. ­Meestal loopt het in zo’n geval niet goed af (blaast). Ik heb daar niet te lang bij stilgestaan. Ik was gewoon blij dat ik nog leefde en snel weer kon fietsen. Ik heb tien ­weken met een brace gelopen die mijn nek volledig vastzette, en na vier maanden was ik volledig hersteld. Ik ben er goed vanaf gekomen.”

Beton uit de grond

Volgens de cijfers van ver­zekeraar Concordia raken nieuwelingen en juniors – jongens tussen 15 en 18 jaar – het vaakst gewond.

Van Petegem: “Omdat er vandaag veel minder wedstrijden zijn, rijden die jongens in grote pelotons, van 120 tot soms 180 man. Daarbij komt dat het jeugdwielrennen enorm geprofessionaliseerd is. De meesten hebben al een persoonlijke trainer en zeer goed materiaal. Dat zorgt ervoor dat de snelheden tegenwoordig een pak hoger liggen bij de jeugd. Gemiddeldes van meer dan 40 per uur zijn heel normaal.”

Is jeugdwielrennen even gevaarlijk als profwielrennen?

Van Petegem: “Gevaarlijker zelfs. Dat ligt voor een stuk aan de jeugdrenners zelf, die nog niet voldoende er­varing hebben, vaak grote risico’s nemen en elkaar onvoldoende waarschuwen voor hindernissen. Maar ook organisatorisch is er nog veel ruimte voor verbetering. Soms leggen ze de aankomst achter een bocht, op een weg van amper vier meter breed, omdat de koers moet aan­komen voor de slagerij die 200 euro sponsort.”

Apers: “In de grote wedstrijden bij de jeugd is er al veel verbeterd, maar in kleinere koersen stond ik er vaak van versteld hoe onveilig het was. Met 180 man door een stadscentrum, putten in het wegdek, publiek dat half op de baan staat, obstakels in het midden van de weg… Het was soms levensgevaarlijk.

“Bij de profs zijn de parcoursen veiliger. De budgetten zijn groter, en dus zijn er meer mobiele seingevers, worden hindernissen beter aangegeven en putten netjes opgevuld. Bij de jeugd rij je soms zo goed als blind, ook al omdat oortjes verboden zijn. Ik heb al redelijk wat gezien. Renners die met 50 per uur tegen een auto vliegen, of tegen een bloembak. Ik heb eens iemand zo hard tegen een paal zien rijden dat die met beton en al uit de grond kwam.”

Hoe kunnen we het jeugdwielrennen veiliger maken?

Van Petegem: “Bij de profs is er altijd een veiligheids­coördinator van de wielerbond om het parcours te keuren. Die moet er ook komen bij de jeugd. Zoiets kost geld, maar ik vind: vraag dan 50 euro meer voor een vergunning, of zorg dat toeschouwers entreegeld betalen, zoals in het voetbal. Op veiligheid mag je niet besparen.

“Pas op, organisatoren hebben het niet makkelijk. Niemand wil nog seingever spelen. Terwijl je er voor een rit in lijn al snel 400 tot 500 nodig hebt. Vind ze maar eens, hè.”

De seingever is een uitstervende soort, temeer daar zijn wit-gele bord – het zogenaamde spiegelei – voor de moegetergde automobilist niet zelden werkt als een rode lap op een stier. Dat leidt soms tot levensgevaarlijke situaties, zo ondervond Dylan Teuns toen hij op een mooie zomerdag in 2013 een beloften­koers ging rijden in het Waalse Aubel.

Dylan Teuns: “Het was een heuvelachtig parcours, met een aantal stevige klimmetjes. We waren net met vijftien renners weggereden en draaiden goed rond, toen er uit de ­tegenovergestelde richting plots een motard met passagier opdook. Blijkbaar had hij de instructies van een seingever genegeerd. Ik zie nog vaag voor mij hoe die motard op zijn zij valt en naar ons toe schuift. De hele groep ging tegen de grond, het was totale chaos. De eerste tien minuten had ik eigenlijk geen idee wat er precies gebeurd was. Overal om me heen lagen gewonde renners. Mijn moeder, die wat verderop stond, had de klap gehoord en kwam in paniek aange­lopen. Uiteindelijk viel de balans nog mee. Eén renner had grote snijwonden en een spierscheur, en zelf had ik een gebroken sleutelbeen en een gebroken teen.

“Ik moest zes weken revalideren in de drukste periode van het seizoen en had het moeilijk om weer op niveau te raken. Ik miste het WK, op een parcours dat me goed lag. Bovendien stond ik op het punt om een profcontract te tekenen, maar dat kon ik ook op mijn buik schrijven. Ik begrijp echt niet wat die motard bezielde. Wie doet nu zoiets? Dan heb je toch geen enkel respect voor wielrenners, of voor seingevers die elke vrije zondag opofferen om voor 25 euro en een sandwich aan een kruispunt te gaan staan?”

Heb je ooit nog iets van de motard in kwestie gehoord?

Teuns: “Er is een rechtszaak van gekomen en die man is gestraft, maar excuses hebben we nooit gekregen.”

Foto van Bjorg

De vele valpartijen en soms zware ongelukken die renners op jonge leeftijd mee­maken, laten ook mentaal sporen na. Op die manier gaat heel wat talent ver­loren, zegt Ruben Apers. “De meeste jongens die het ongeval in Dottignies gezien hebben, zijn gestopt met koersen, omdat ze het mentaal niet konden verwerken. Misschien was het mijn geluk dat ik me bijna niks herinnerde. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk weer op de fiets zitten. De echte klap is pas ­gekomen toen Bjorg Lambrecht vijf maanden na mijn ongeval stierf in de Ronde van Polen.”

Hoe goed kende je hem?

Apers: “Bjorg was een jaar ouder. We gingen vaak samen op stage. 24 uur per dag op elkaars lip, in een klein appartementje boven op een berg, waar je ’s avond na een lange trainingsdag nog je ­eigen potje moet koken: dat kun je alleen met mensen met wie je goed overeenkomt, ­anders eet je elkaar na twee dagen op. Met Bjorg ging dat heel goed.”

Welke impact had zijn dood op jou?

Apers: “Ik ben volledig ingestort. Daags na zijn dood moest ik de Ronde van Namen rijden. Mijn hoofd stond er niet naar, in de eerste 15 kilometer werd ik al vijf keer gelost. Ik raakte achterop. In een dorpje reden we verkeerd omdat er geen seingever stond. Exact dezelfde situatie als bij mijn ongeval in Dottignies. Ik ben meteen afgestapt.

“Een paar weken later kreeg ik een nieuwe dreun, tijdens een kleinere wedstrijd in Frankrijk. De koers was pas gestart toen een motard het peloton wilde voorbij­steken. Hij viel en vloog met zijn buik tegen een paal. Die man lag daar, en geen enkele renner stopte. Toen blokkeerde er iets in mijn hoofd: allee, dat kan nu toch niet? Ik ben gaan kijken hoe het met die man ging, hij was gelukkig nog bij bewustzijn. Even later ben ik in de bevoorrading gestopt en naast mijn fiets gaan zitten. Dat was echt het trauma te veel.

“an toen af raakte ik in een neerwaartse spiraal. Ik dacht voortdurend terug aan mijn eigen ongeval, en de dood van Stef en Bjorg. Ik ben mezelf daar volledig in verloren. Op een bepaald moment was ik bijna zoals een standbeeld: het kwam zelfs niet meer binnen als mensen tegen mij spraken. In samenspraak met de mental coach van de ploeg heb ik toen beslist om in mijn eentje naar Parijs te fietsen, met de gravelbike van mijn vader. Bjorg en ik hadden dat ooit voor de grap bedacht op training. In Parijs heb ik zijn foto achtergelaten op de Champs-Élysées, ongeveer op de plaats waar de Tour aankomt. Daarna is het langzaamaan beter beginnen te gaan.”

Bange moeder

Wie lang genoeg aan wielrennen doet, begraaft vroeg of laat een naaste collega. Het overkwam ook Tom Boonen.

Boonen: “Ik was erbij toen Frederiek Nolf in Qatar stierf aan een hartstilstand. Wouter Weylandt, die verongelukte in de Giro, kende ik ook heel goed. Daar ben ik heel, heel lang slecht van geweest. Toen heb ik me echt een paar maanden afgevraagd waar ik mee bezig was. Het lukte me niet meer om te sprinten of om risico’s te nemen. Maar uiteindelijk groeit dat er ook weer uit.”

Niet te veel nadenken en doordoen. Is dat de enige manier om het gevaar te bezweren?

Boonen: “Ja. (zwijgt even) Hoe moet ik dat zeggen? Het is alsof de dood altijd meerijdt in het peloton. Natuurlijk wil niemand meemaken dat er iemand naast hem doodvalt, maar dat sluimerende gevaar maakt de koers ook heroïsch. Ik denk dat iedere renner dat wel herkent: op de limiet zitten van wat mogelijk is, de spanning van in het peloton te rijden. Maar het komt niet zonder prijs.”

Begrijp je ouders die hun kinderen verbieden om aan wielrennen te doen?

Boonen: “Wielrennen blijft voor mij de mooiste sport ter wereld, en ik zou mijn kinderen nooit hun dromen ontzeggen, maar ik snap het wel. Zelf heb ik twee dochters van 7 jaar, en we zitten nu in de fase waarin we met de fiets naar school rijden. Alle twee op hun mountainbike, boekentas op de rug, en dan schiet er zo’n auto rakelings voorbij. Ik krijg daar keiveel stress van.”

Hoe ongerust waren je eigen ouders als je ging koersen?

Boonen: “Mijn afscheidskoers aan het Zilvermeer was de gelukkigste dag van mama’s leven. Ik heb in mijn ­carrière meer dan duizend wedstrijden gereden. Mijn ouders waren er vaak bij, maar bij de aankomst verstopte mijn moeder zich altijd in de auto. Ze heeft geen énkele sprint van mij gezien.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234