Maandag 19/04/2021

'Als een stoethaspel struikel ik de verhalen door'

Zaterdag wordt in Hasselt zijn gedicht 'Lamento' op een originele manier voorgesteld. Remco Campert: 'Regels ervan zijn aangebracht op stadswagens en die zullen achter elkaar worden voorgereden terwijl ik als een Mussolini de boel moet inspecteren, neem ik aan.' Het gedicht telt twaalf strofen en de dichter zal het kunnen aflezen van evenveel voorbijrijdende vuilniswagens. Nadien wordt de tekst in brons vereeuwigd bij de provinciale bibliotheek. Deze week verscheen ook Camperts nieuwe verhalenbundel, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen. Mooie, lichtvoetige verhalen waaronder enkele pareltjes in de onmiskenbare, vloeiende Campert-stijl. Humor, milde ironie en vakmanschap. De schrijver - 'Ik ben geen uit-mezelf-prater' - over het plezier van schrijven.

Johan Vandenbroucke

Het titelverhaal 'Een mooie jonge vriendin' gaat over de periode van de vijftigers.

"Het zat altijd al in mijn kop om eens iets over die periode te schrijven, maar dan op mijn manier. Dus historisch absoluut onbetrouwbaar en een beetje overdreven. Het is niet direct een verantwoorde terugblik op die tijd. Ik vond het leuk om me af en toe te laten gaan. Als je het gortdroog houdt, is er niets aan. Een avontuurtje van jonge kunstenaars is op zichzelf niet interessant, en bijna altijd hetzelfde, maar als je er een schepje op doet, wordt het grappig. Het gaat over lelijke jonge dichters, maar niet over een bepaald type, waarvan je kunt zeggen: o, dat moet die zijn. De sfeer waarin het zich afspeelt is heel herkenbaar, en er was ook een mooie jonge vriendin waar iedereen natuurlijk achteraan zat."

Opvallend is dat u ironisch kunt schrijven over gebeurtenissen waar u deel van uitmaakt.

"Dat is blijkbaar het geheim dat in me zit. Ik wil daar niet interessant over doen, maar het valt mij uiteraard ook op: dat ik me los kan maken van iets waar ik toch bij betrokken ben. Hoe dat precies gaat, weet ik niet, het gaat vanzelf."

Net als in uw leven was die mooie vriendin afkomstig uit Wassenaar. Haar vader verzette zich tegen de relatie en stuurde u zelfs naar een psychiater.

"Ja, dat is vrij letterlijk zo gebeurd. Ik was volgens die vader uiteraard een verwerpelijk type. Eerst had hij zijn dochter als au pair naar Duitsland gestuurd, maar toen ze terugkwam en onze liefde bleef doorgaan, werd het heel acuut voor hem. Toen heeft hij een vooraanstaande psychiater ingeschakeld, die dus eigenlijk omgekocht werd om een ongunstig rapport over mij uit te brengen. Ik dacht dat een psychiater een betrouwbaar mens was, maar ja, iedereen is zwak.

"Wat niet in het boek staat, is dat de vader erg begerig was om de uitslag te vernemen. Toen ik na het laatste consult de deur uitstapte, had hij net aangebeld. We ontmoetten elkaar dus op de drempel en als een soort automatisme stak ik mijn hand uit, ik was een beleefde jongen tenslotte. Maar hij beende van me weg. Ja, rare tijden."

De Nederlands-Belgische grens was in die tijd ongeveer hermetisch afgesloten, schrijft u, en in België lagen de boeken van de surrealisten en dadaïsten wel te koop.

"Holland was toen erg gesloten. Het land had te weinig deviezen en het geld moest binnen de grenzen blijven, weet ik veel hoe het financieel in elkaar zat, maar je mocht in ieder geval maar vijftig gulden meenemen. Daar werd je zwaar op gecontroleerd. In Essen was een lange loods, daar moest iedereen de trein uit en werd je bagage gecontroleerd. Je moest je portefeuille laten zien en er werd flink gegraaid in je bullen.

"Met vijftig gulden kwam je niet ver natuurlijk, als je het al had, want voor mij was dat een heel bedrag in die tijd. De echte wereld begon pas buiten de grenzen, het was net alsof je aan een soort beregende gevangenis was ontsnapt. België was eerder bevrijd en het was bovendien veel losser in alles, terwijl je in Nederland die stipte ambtenaren had. Op literair gebied was in België van alles te verkrijgen dat er in Nederland nog niet was. En als je dan naar Parijs kon gaan - liftend natuurlijk - was het helemaal vrolijke vreugde."

Ook in het nieuwe boek gaat het weer enkele keren over Parijs. Het is altijd uw stad gebleven.

"Ja, dat raak ik niet meer kwijt, dat komt natuurlijk door die periode. Parijs was toen het Mekka."

"Mijn dichterschap bestond toen nog voornamelijk uit het voelen dat ik dichter was." Is dat ook autobiografisch?

"Ja zeker. Ik schreef wel eens een gedichtje - zo moet ik het echt noemen - maar ik had geen idee welke kant ik daarmee uit moest. Mijn geluk was dat ik bij de vijftigers terechtkwam: Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Bert Schierbeek, een echte vriendenclub. Zij hebben me op het goede spoor gezet. Ik was nog erg jong toen ik met hen in aanraking kwam, achttien. Ik was niet van plan om schrijver te worden. Ik ben er min of meer in gedwaald, tot mijn grote geluk moet ik zeggen.

"Met Rudy Kousbroek had ik een blaadje, Braak, een soort erfenis van de middelbare school. We waren ongelofelijke bewonderaars van Lucebert. Na twee nummers die we op eigen kracht gemaakt hadden, hebben we op een dag dan toch onze stoute schoenen aangetrokken en zijn we naar Lucebert toe gestapt. Hij woonde in het huis van Bert Schierbeek en we hebben hen gevraagd of ze in de redactie wilden komen. Dat wilden ze, dus dat was prachtig. Het bleek wonderwel samen te vallen: wij hadden een blad en zij, de dichters die wij bewonderden, zaten verlegen om een publicatieplek. Bijna meteen daarna zagen we elkaar haast dagelijks. Dat waren mooie dagen."

Er werd gedanst bij het leven, schrijft u. En ooit schreef u: "Je stampte met je voet op de grond en er was een feest."

"Ja, dat gebeurde. Het kon niet op hé, die eerste jaren na de oorlog. Bert Schierbeek, die al bij de uitgeverij zat, haalde ons allemaal binnen bij De Bezige Bij. De directeur, Geert Lubberhuizen, een vreselijk lieve man, was ook een feestneus. Lubberhuizen en co kwamen uit het verzet, die hebben nog jarenlang feestgevierd eigenlijk, bevrijdingsfeest.

"De meesten hadden de oorlog direct meegemaakt. Gerrit Kouwenaar had in de gevangenis gezeten, Schierbeek in het verzet, Elburg ook, Lucebert was als arbeider in Duitsland moeten gaan werken en Hans Andreus had het ook aan den lijve ondervonden. We waren dus wel een beetje getekend door die oorlog. Ik iets minder, hoewel ik er ook een dode vader aan had overgehouden, maar ik was eigenlijk te jong om het echt bewust te hebben meegemaakt. Ik was vijftien toen de oorlog eindigde, ik zat in Epe, op de Veluwe in de bossen. Daar merkte je wel iets van de oorlog, maar niet zo erg veel."

Zoals u later in een gedicht schreef: tijdens de grootse dronkenschap van de bevrijding moest u zo nodig de zilverwitheid van een berkenstam bezingen.

"Dat gedicht is jaren later geschreven, maar dat was wel min of meer mijn situatie. In 1945, op de Veluwe, heb ik ook mijn eerste gedichtje geschreven. Ik merkte opeens dat ik iets aan het schrijven was dat buiten het schoolopstel viel, zal ik maar zeggen. Ik heb het daarna jaren niet meer gedaan, tot het terugkwam toen ik de vijftigers ontmoette en als jongste bediende werd aangenomen (lacht)."

U nam uw poëzie nog niet serieus, maar de oudere vijftigers deden dat wel.

"Ja, er was toch een soort wederzijdse erkenning. Maar als je zo jong bent, weet je eigenlijk nog niet zoveel. Je geniet van het jongemannenleven, de meisjes, de drank, de sfeer van de tijd. De echte poëzie die kon bewijzen dat ik dichter was, kwam eigenlijk pas een paar jaar later, in 1952, met de bundel Een standbeeld opwinden. In de eerste bundel stonden ook wel enkele aardige gedichten, maar het was toch nog meer het voelen dat ik dichter was.

"Zelfs ik, die uit een bohémienachtig gezin kwam, dacht dat je toch je brood moest kunnen verdienen, dat je een baantje moest hebben, met pensioen en een levensverzekering, dat soort rare dingen. Dat bracht me in de problemen. Ik had voortijdig de middelbare school verlaten, omdat ik niets uitvoerde. Ik wilde niet meer op school, maar wat ik wel wilde wist ik absoluut niet. Dus kwam ik in een raar tussengebied terecht waar schrijven me dan maar het aangenaamste leek.

Een periode van geldgebrek en armoede.

"Zeker, maar je ondervond het niet zo omdat het gewoon een gegeven was dat je moest worstelen om wat geld binnen te krijgen. Elke schrijver of schilder was arm in die tijd. Het viel ook niet zo op. Mensen die rijk waren, kenden we niet. Ik heb ontzettend veel vertaald, want dat is dan de enige toevlucht. Toneel en romans, vooral een beetje tussendoorboeken. Vervelende klussen, want het houdt je toch van je eigen werk af, maar je hebt geen keuze.

"Ik heb ook een beetje journalistiek gedaan. Dat kwam door Sylvia Bambuis, de vrouw van de hoofdredacteur van de Haagse Post, Hilterman. Een echte dame en een fantastisch mens met een enorm talent om goede mensen te ontdekken. Ze heeft de halve Nederlandse journalistiek van die tijd in dienst genomen, alle coryfeeën, die in die tijd allemaal berooide jongens waren. Ook uit een soort moederlijk gevoel: ach, die arme jongens, daar moet ik mij over ontfermen. Ze stuurde me bijvoorbeeld naar de Vierdaagse in Nijmegen, een wandeltocht waarover ik een sfeerstuk moest schrijven. Dan moest je met mensen praten, aan een oude wandelaar vragen of zijn voeten niet al te zeer pijn deden, maar dat durfde ik niet. Dus dat artikel heb ik uit mijn duim gezogen, maar het was wel een leuk stuk, geloof ik.

"Ik maakte ook een pagina met cartoons die ik stal uit de New Yorker en een rubriek 'Mensen, dieren, dingen' die dan weer op Time gebaseerd was, met berichten over filmsterren en rare gevallen die ik uit allerlei kranten haalde. Dat kon ik rustig thuis doen, hoefde ik niet als een razende reporter door het land te rennen. Ik schreef ook korte verhalen, maar daar was niet zo'n enorme markt voor. In Nederland had je toen een blad, Mandril, dat een beetje op de New Yorker was geënt. Daar kon ik stukken in kwijt, en ook in literaire bladen, maar die betaalden slecht. Bij mij heeft die periode vrij lang geduurd, tot Het leven is vurrukkulluk uitkwam in 1961. Dat gaf me financieel een steviger basis. Het luchtte wel op eindelijk een beetje geld te hebben. Al was het ook weer snel uitgegeven."

Met Het leven is vurrukkulluk hield u een vinger aan de pols van de tijd, zoals u later wel meer deed.

"Dat bleek helemaal in de tijd te zijn. Kennelijk is er een soort trendgevoeligheid in me aanwezig, hoewel ik vaak gedacht heb dat die erg oppervlakkig is. Je moet er ook mee uitkijken, want voor je het weet zit je in de reclame en dat is wel het laatste om te ambiëren. Na Het leven is vurrukkulluk kreeg ik veel verzoeken van reclamebureaus. Dat had iets verleidelijks, omdat er ontzettend veel geld omging in die wereld. Maar ik dacht: als ik dat doe, ben ik reddeloos verloren. Godzijdank heb ik het niet gedaan, al heb ik wel het woord 'vurrukkulluk' kunnen verkopen. Voor driehonderd gulden. Belachelijk mee opgelicht natuurlijk, maar wist ik veel in die jaren. Voor de Melkactie: melk was vurrukkulluk. Nu is ook de hele zin verkocht, voor een biermerk, Brant Bier, uit Nederlands Limburg. Spots op televisie en dan komt die zin als slotregel."

U schreef Het leven is vurrukkulluk in zes weken, in één langgerekte gelukzaligheid.

"Ik voelde me ook heel gelukkig in die periode, dus dat hielp wel. Ik woonde in een huis met de journalist Jan Vrijman en we waren allebei in ongelukkige liefdesomstandigheden geraakt. Toen gingen we een avondje uit, wat we wel vaker deden, en die avond ontmoetten we allebei onze nieuwe vriendin. Dus woonden we opeens met zijn vieren in dat huis. Het grensde aan het Vondelpark, waar het allemaal begon te gebeuren. De tijd net voor de rage van de Vondelpark-slapers losbrak, maar het zat er al aan te komen. Dat voelde je op een of andere manier: een nieuwe generatie. Hoewel ik toch een jaar of tien ouder was dan de meesten, boeide me dat geweldig.

"Het boek is heel spontaan begonnen. Ik schreef de eerste zin, daaruit volgde de andere, en zo dreef het verder. Ik weet nog dat ik dacht: misschien zit er een kort verhaal in, ik zie wel wanneer het ophoudt. Het was een gelukkig seizoen op een of andere manier. Mooi weer en ik was net weer eens getrouwd. Ik was altijd vreselijk trouwlustig, ik wilde altijd trouwen (lacht). Ik had het rare idee: dan raak je iemand niet kwijt."

Hoe kwam dat?

"Dat weet ik niet. Ik begrijp het gewoon niet, omdat ik uit zo'n ongebonden gezin kom. Misschien zat het juist daardoor in mijn kop: ik vond dat ik maatschappelijk iets moest worden en dat je moest trouwen. Vreemd, omdat dat natuurlijk geen enkele zekerheid biedt. Maar goed, daar ben ik nu ook wel achter, hoewel, ik ben toch weer getrouwd, maar nu ben ik zo oud dat de kans gering is dat het ooit nog zou aflopen."

In een van de nieuwe verhalen komt een vriendin naar Parijs, waar de ikpersoon werkt, om een einde te maken aan de relatie. Het verhaal eindigt dan weer met: "De poëzie lukte uitermate goed. Het werd een mistroostig bundeltje."

"Het heette Rechterschoenen, als je het helemaal naast elkaar wilt leggen. Daar staat een gedicht in over het Noordstation, 'Denkend aan Jacques Prévert en Joseph Kosma', dat over dezelfde situatie gaat. Het gedicht is erg licht, een beetje chansonachtig. Ik vind het nog altijd een leuk gedicht."

Poëzie lukt goed in een mistroostige periode?

"Of een periode nu mistroostig of vrolijk is, waar het om gaat, is dat het een aardig gedicht oplevert. De geest waar een gedicht uit ontstaat, doet er weinig toe, schrijven heeft weinig met je emotionele toestand te maken. Het is discipline en werken, al moet het natuurlijk ook geen tuchthuisstraf worden."

Citaat: "Ik kan me niets plezierigers voorstellen dan schrijven."

"Ik vind het echt het leukste wat er is. Ik zou niet weten wat ik zonder schrijven zou moeten doen, en begrijp ook nooit dat schrijvers klagen, alsof het een soort vreselijke worsteling is. Dat is mij vreemd. Ik vind het heerlijk als je ziet dat iets lukt, dat die zin goed is. Nooit denk ik van: gadverdamme, hoeft het maar niet."

Ook nooit: verdomme, het komt niet?

"Natuurlijk wel eens, maar dan hou ik mezelf een beetje voor de gek: even lijden voor huiselijk gebruik. Ik weet ondertussen, na al die jaren, wel dat het komt, als je er maar voor gaat zitten. De ene keer lukt het beter dan de andere keer, maar daar gaat het niet om."

Het hoofdpersonage is weer vaak een typische Campert: verlegen, onhandig, stuntelig en toch sympathiek.

"Het is bijna een soort cliché van mezelf geworden. Maar dat ben ik ook wel, kennelijk. Met die onhandigheid valt het langzamerhand wel mee, maar het zit toch in mijn wezen. Een zekere schroom, niet veel uitspraken over mezelf willen doen. Dus als onhandige stoethaspel struikel ik meestal die verhalen door."

'De rekening komt later', een verhaal in brieven, gaat over een ontiegelijke dronkenschap.

"Ook daarin zit een stukje van mezelf. Ik drink graag en dan krijg je soms allerlei door drank aangestichte moeilijkheden. Ik heb het vroeger meegemaakt, maar nu heb ik het een beetje in toom, ik laat het zover niet meer komen. Ik word fysiek ook gauwer moe. Een nachtje doorhalen, wat ik vroeger regelmatig deed, soms twee nachtjes na elkaar, kan ik niet meer. Dus het lichaam helpt me wel om het een beetje in toom te houden (lacht)."

Op het einde van het boek: "Ben ik niet al te braaf de laatste tijd? Ben ik niet een gigantische huismus aan het worden?" Is het bohémienachtige verdwenen?

"Ik ben meer thuis dan vroeger maar dat is niet iets waar ik onder zucht. Bohémien is natuurlijk ook vaak maar een ander woord voor alcoholicus, een beetje chiquer woord. Het is toch een raar soort zelfdestructie: eerst dat vreugdedrinken, plezier, hop, we nemen er nog een, en op den duur slijt de vrolijkheid en wordt het opeens een soort noodzaak. Enfin, dat wil ik niet."

"Ik ben angstaanjagend mild geworden," schrijft u ook.

"Ja, dat komt met de ouderdom, zegt men. Ik ben altijd wel relativerend geweest en dat is er niet minder op geworden. Ik wind me niet snel meer op, al kan ik nog heel boos worden, maar niet in het schrijven. Als ik al eens een kwaad stukje geschreven heb, ervaar ik het bijna altijd als raar winderig geschreeuw in de ruimte."

De ikpersoon verontschuldigt zich ook omdat hij gelukkig is.

"Ja, dat hoor je niet te zijn, hé. Er moet altijd wel iets mis zijn, maar soms is dat absoluut niet zo bij mij. Gewoon puur geluk: heerlijk, ik besta. Maar dan heb je bijvoorbeeld vrienden die zich juist doodongelukkig voelen en geneer ik me bijna voor dat geluksgevoel. Soms steekt het schril af tegenover wat anderen doormaken. Ik ben natuurlijk ook wel eens verdrietig, maar eigenlijk steeds minder. Behalve over grote dingen, narigheden in de wereld, slachtpartijen en zo, maar dat is dan meer woede."

Johan Vandenbroucke

Remco Campert, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen, De Bezige Bij, Amsterdam, 211p., 690 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234