Maandag 26/08/2019

Als de kijker ook kunstenaar wordt

Wie denkt dat musea alleen schilderijen en beelden tonen, kwam er wellicht al lang niet meer. De laatste vijftien jaar zagen musea en kunstmanifestaties een invasie van dansers en performancekunstenaars. Wat bezielt hen? Het tweejaarlijkse Performatik stelt al voor de vijfde keer die vraag. Wij geven drie hypotheses. Pieter T'Jonck

1 Eerste hulp bij kunst

Hedendaagse beeldende kunst kan taai zijn. Zelfs 'oude' kunst spreekt niet vanzelf. Performers helpen bezoekers dan misschien beter op weg dan een droge kunsthistorische uitleg. Dat gebeurt ook echt.

Dancing Museums, opgericht door de Nederlandse choreografe Kristin De Groot, zoekt met Europese subsidies uit hoe dansers een brug kunnen slaan tussen het kunstwerk en de bezoeker.

Het begon met dansvoorstellingen geïnspireerd op Jeroen Bosch. De Groot ontdekte dat bezoekers anders gingen kijken naar die schilderijen. Een danser blijkt andere, meer aansprekende details naar voren te halen dan een kunsthistoricus. De bezoeker voelt zich plots volledig betrokken, zeker als hij mee kan bewegen.

Dorothea von Hantelmann, die als curator van performance art de openingslezing deed van Performatik, doet dat echter snerend af als 'experience design'. Zeg maar: een reddingsboei voor educatieve medewerkers die uitgeteld en uitverteld zijn.

Dat zou cynisch zijn. Komen de performance en de kunst daar wel zonder kleerscheuren van af? Vraagt kunst niet net iets meer inspanning dan even gezellig participatief invoelend bewegen?

2 Grensverkeer onder kunstenaars

De kunstgeschiedenis was sinds haar ontstaan eind 18de eeuw geobsedeerd door genres en disciplines. Door stromingen te bedenken en evoluties aan te wijzen zou ze zich bewijzen als wetenschap. Geen mens neemt dat nu nog ernstig, maar kunstenaars hebben het nooit geloofd. Ze keken altijd graag over de muurtjes van hun discipline. De voorstelling Caspar Western Friedrich van Philippe Quesne liet op dit festival beeldende kunst en theater zelfs onontwarbaar in elkaar overlopen. Het werk lijkt eerst op een toneelstuk, maar er volgt geen plot, en de acteurs spelen geen personage. Uiteindelijk is het werk vooral een briljante meditatie over de beelden van de Duitse schilder Caspar David Friedrich.

Zo'n grensverkeer is niets nieuws. Het werk van de Amerikaanse danseres Loïe Fuller (1862-1928) veroorzaakte in Parijs rond 1900 al een sensatie onder beeldend kunstenaars. Het mensbeeld dat verscheen in haar verbluffende lichtinstallaties en kostuums liet art nouveau-schilders uit hun dak gaan.

Performatik organiseert morgen een studienamiddag rond haar erfenis. Fuller is maar een van de talloze dansers die beeldend kunstenaars inspireerden. Het omgekeerde geldt ook. Theatermaker Gordon Craig (1872-1966), een kennis van Fuller, was stikjaloers op beeldend kunstenaars, omdat die geen last hadden van acteurs. Hij droomde van een puur objectentheater. Beeldhouwkunst met een tijdsfactor dus. Als een museum de evolutie van de kunst wil tonen, kan het zo'n kruisbestuivingen dus niet negeren. Zeker omdat die vanaf de jaren 60 steeds talrijker werden, eenmaal zowel performers als kunstenaars beslisten dat alles kunst (en/of dans) kon zijn.

3 Het publiek als kunstfactor

De vraag is: waarom toonden musea dan al niet vroeger performance? Waarom nu? Waarom gaan performers hier zo enthousiast in mee? Misschien omdat we uitgekeken zijn op het 19de-eeuwse idee over kunst. Kunst als iets dat je sprakeloos laat en eerbied eist. Theater waar je in beate bewondering moet zwijgen en stilzitten. We willen niet meer zwijgen. We willen een dialoog, een band, samen iets doen in het museum of het theater. Voor ons is kunst de katalysator van een maatschappelijke zelfrepresentatie. Het object doet er niet meer toe.

Dorothea von Hantelmann stelt het met iets meer omslag zo: "De gehechtheid van plastische kunsten aan het materiële object cultiveert het feit dat burgerlijk-industriële maatschappijen gebaseerd zijn op materiële productie; de verschuiving van de hedendaagse kunst naar subjectieve ervaringen stemt net zo overeen met een postindustriële maatschappelijke orde, waarin immateriële aspecten naar voren treden eenmaal materiële noden bevredigd zijn."

Deze theorie over beeldende kunst vertaalde Lotte Van den Berg in Building pieces naar haar theaterpraktijk. In die stukken gaan 'toeschouwers' met elkaar in gesprek, soms op het scherp van de snee. Dat gesprek, en enkel dat, is het kunstwerk. Toch 'werkt' het. Beeldende kunst en theater schuiven zo elk van hun kant op naar de nog vage tussenzone van performance. Die heeft voorlopig onscherpe grenzen. Een precieze inhoud, motieven of thema's ontbreken. Maar spannend is het wel.

Performatik, nog tot 1 april op diverse locaties in Brussel.

Een niet te ontkennen fenomeen

Dat er iets beweegt in de wereld van de performancekunst is zeker. Choreograaf Boris Charmatz nam in 2016 twee dagen lang Tate Modern in Londen over. Bezoekers konden er meedoen met een warm-up, dansers gingen aan de slag met kunstwerken. Pompidou in Parijs doet hetzelfde. Voor een 'tentoonstelling' van Tino Sehgal in Palais de Tokyo liep het storm. Sehgal was ook een jaar te gast in het Stedelijk in Amsterdam. Maar Sehgal creëert geen dingen, maar vluchtige gebeurtenissen met performers. Dat dit meer dan toeval is bewijst Documenta. Dit jaar zie je er net zoveel 'voorstellingen' of 'acties' als schilderijen. Meer bewegingskoorts aan de overkant van de oceaan waar Anne Teresa De Keersmaeker dit weekend in MoMANew YorkWork/Travail/Arbeid toont. Dat werk is afgeleid van Vortex Temporum, een dansvoorstelling, die in zijn museumversie een van de grootste hits ooit werd voor Wiels in Brussel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden