Zaterdag 26/09/2020

Als de dood dat iemand het te weten komt

'De zusters wilden haar niet helpen, ze moest zelf naar het toilet kruipen. Toen ze dat niet meer kon, wilden de zusters haar niet verschonen. Ze wilden haar niet eens aanraken. Ze zeiden: waarom ligt ze hier nog, waarom gaat ze niet dood?' 'Het is een schande, een vernedering voor de familie. Wij Afrikaanse mensen hebben tijd nodig om te geloven dat er iets met ons lichaam aan de hand is. Wij zijn geneigd te denken dat het een vloek is'

Petra Quaedvlieg / Foto's Filip Claus

Het nieuwe Zuid-Afrika ziet een golf van aids-gevallen op zich afkomen, en zoekt wegen om daar iets aan te doen. Maar de vooroordelen blijken sterk en de sociale structuren, waarbij sugar daddies of leraars hun jeugdige minnaressen besmetten, helpen ook al niet.

Als een spook dwaalt Abraham door het dorp. Zijn broek zwabbert om zijn graatmagere benen, zijn bovenlichaam is gebogen over een oude golfclub. Daarmee port hij in het zand. Hij houdt zijn blik strak op het oneffen, zanderige wegdek gericht. Hij wil niet vallen. Abraham is vijfendertig jaar. Het dorp is Elandsdoorn, in het voormalige thuisland KwaNdebele, een uitgestrekt zwart woongebied in de provincie Mpumalanga. Abraham, denken de dorpelingen, heeft die geheimzinnige ziekte die men niet bij de naam wil noemen. Daarom wordt hij gemeden als de pest.

De dorpelingen beseffen niet dat mogelijk een kwart van het dorp besmet is met het virus dat vroeger of later die geheimzinnige ziekte zal veroorzaken. Ze beseffen het niet, want ze zijn nog kerngezond. Niet allemaal, er is ook weleens iemand ziek. Ook zijn er weleens jongeren ziek. Doodziek zelfs. Maar dat is de schuld van tbc, of van malaria, of van een longontsteking. En laten we niet vergeten dat er jaloerse dorpelingen zijn die je zoon of dochter middels een toverdokter naar het rijk der voorvaderen willen helpen en een ziekte over je kind laten afroepen. Natuurlijk hebben ze in het dorp allemaal van aids gehoord, en van het HIV-virus. Daarover wordt immers gesproken op de radio. Vorig jaar heeft de nieuwe president, Thabo Mbeki, zelfs een nationale toespraak gehouden en gezegd dat we onze broeders en zusters met aids niet aan hun lot moeten overlaten. Maar hier in het dorp kent niemand broeders en zusters met aids.

Behalve Abraham. Maar Abraham is een provocateur. Waarom gaat hij niet thuis dood?, zeggen de blikken van de dorpelingen. Waarom moet hij door het dorp dwalen, zodat iedereen hem in zijn vernedering kan zien? Is het hebben van die ziekte niet al vernederend genoeg? "Maar", houdt Maria Mokoena, het dappere hoofd van de lagere school in Elandsdoorn, de dorpelingen voor, "weten jullie dan niet dat iedereen het kan krijgen? Dat iedereen die seks heeft het kan krijgen?" Ja, dat hebben de dorpelingen gehoord. Maar kom, dat is toch een smoesje, een leugen om hun het enige plezier dat ze hier hebben, te ontnemen? Vooral de jongens in het dorp lachen: hoe kun je van seks ziek worden? Van hun oudere broers hebben ze altijd gehoord dat je ziek wordt als je geen seks hebt. Als je je niet geregeld ontlaadt, stijgt het bloed naar je hoofd en word je gek. Maria Mokoena hoort het gepraat aan en schudt haar hoofd. Waarom wil niemand naar haar luisteren?

Op een steenworp afstand van het dorp, in zaal 12 van het Philadelphia Ziekenhuis, het staatsziekenhuis in KwaNdebele, ligt een achttienjarig meisje. Ze heet Sizakele Mdebele en ze heeft 'het', maar niemand in het dorp die het mag weten. Zaal 12 bevindt zich in het achterste gebouw van het ziekenhuis en is voor patiënten die het niet lang meer maken. Er liggen aids- en tbc-patiënten. Of die twee ziektes misschien iets met elkaar te maken hebben? De ziekenhuiszusters halen de schouders op.

Er wordt flink gehoest op de zaal. Toch staan de ramen open, de gordijnen bollen op; het tocht. Sizakele ligt aan een infuus en heeft haar ogen dicht. Ze slaapt. Of sluimert. De vaalwitte beddenlakens zijn bevlekt met vegen geronnen bloed en draderige gele plekken. Bloeddruppels op het tafeltje naast Sizakele glinsteren in het zonlicht. Ook op haar handen, die op de lakens rusten, zit bloed.

Een paar maanden geleden stierf een andere jonge vrouw op zaal 12 aan de gevolgen van aids. Aletta Buthelezi was vijfentwintig jaar. Aletta's moeder, die niet ver van het ziekenhuis woont, is opnieuw van de kaart als ze denkt aan de laatste levensdagen van haar dochter. "De zusters wilden haar niet helpen", zegt ze. "Ze moest zelf naar het toilet kruipen. Toen ze dat niet meer kon, wilden de zusters haar niet verschonen. Ze wilden haar niet eens aanraken. Ze zeiden: waarom ligt ze hier nog, waarom gaat ze niet dood?"

De Nederlandse arts Hugo Tempelman bouwde vijf jaar geleden een eigen huisartsenpraktijk in Elandsdoorn, nadat hij een aantal jaren in het staatsziekenhuis Philadelphia had gewerkt en de beroerde kwaliteit van de zorg had aanschouwd. Hij besloot dat het anders kon, dat ook arme mensen op het verwaarloosde, zwarte platteland recht hebben op een fatsoenlijke, menswaardige medische behandeling. In korte tijd bouwde hij zijn praktijk uit tot een veelzijdig medisch centrum, met een operatiekamer, een eigen kraamkliniek en een voedingsafdeling met moestuin. Het centrum geeft wekelijkse voorlichtingsmiddagen over seksualiteit en contraceptie en psychologische begeleiding voor HIV-positieve patiënten.

Tempelman zag de afgelopen twee jaar het aantal HIV-positieve patiënten in zijn praktijk met schrikwekkende snelheid stijgen. Jonge mannen en vrouwen die voor behandeling van een geslachtsziekte of een andere kwaal komen, blijken vaak iets dodelijkers onder de leden te hebben. Tempelman biedt altijd een test aan. Wanneer de patiënt instemt en positief blijkt, drukt hij hem op het hart zijn partner in te lichten. "De meesten willen of durven dat niet", zegt hij. "Dat stelt me voor een immens dilemma, want ik heb mijn beroepsgeheim. Het enige wat ik kan doen, is zeggen: gebruik in godsnaam condooms."

De beperkte aids-voorlichting van de overheid dringt absoluut niet tot jongeren door, constateerde Tempelman al een paar jaar geleden. Pas als de HIV-fase straks overgaat in de aids-fase en jonge mensen bij bosjes zullen sterven, zal de boodschap doordringen, vreest hij. Reden waarom hij onlangs besloot zelf actie te ondernemen. Hij bracht een aantal werkzoekende schoolverlaters uit het dorp bij elkaar en maakte ze enthousiast voor zijn plan: aids-voorlichting op scholen, met heel concrete, praktische informatie. Twee sociaal werksters zouden de groep begeleiden. Nu toeren acht jongeren tussen de achttien en tweeëntwintig jaar met een theaterstukje over aids langs middelbare scholen in de omgeving.

Woensdagmiddag. Het theatergroepje puft uit in hun 'kantoor' in Elandsdoorn, een zijkamertje in het huis van een enthousiaste dorpeling: aids-voorlichtingsposters aan de wanden, dozen met gratis condooms op tafel. "Ik wist vroeger niks af van de ziekte", zegt Obed. "Nu kom ik zelf leeftijdgenoten tegen die zeggen: dat ding waar jij over praat, bestaat niet."

"Als iemand aids heeft probeert de familie het altijd weg te moffelen", zegt Oupa. "Het is altijd tbc of iets anders."

"Vaak hoor je pas achteraf dat iemand ziek was", zegt Sylvia. "Maar ook na de begrafenis komt niemand ervoor uit dat het aids was."

Alleen Sondo heeft weet van iemand met aids, het jongere zusje van een goede vriendin. "Ze heeft zich in huis opgesloten", vertelt ze. "Ze is als de dood dat iemand het te weten komt. Ook ik mag het eigenlijk niet weten."

Wat is er zo absoluut onbespreekbaar aan de ziekte?

"Het is een schande, een vernedering voor de familie", legt Oupa uit. "Wij, Afrikaanse mensen, hebben tijd nodig om te geloven dat er iets met ons lichaam aan de hand is. Wij zijn geneigd te denken dat het een vloek is."

"Als een meisje het heeft, is het dubbel zo vernederend", zegt Maselo. "Mijn moeder zou zeggen: mijn huis uit, want je bent een slet!"

Sondo protesteert: "Dat zou ik niet accepteren. Ik zou vragen: waarom? Geef de ziekte de schuld, niet mij!"

"Het punt is", zegt Maselo, "dat aids niet bespreekbaar is omdat seks al moeilijk bespreekbaar is."

"Ouders slaan je tot moes als je daarover begint!", roept Oupa.

"Toen ik begon te menstrueren wist ik van niks", zegt Stephanie. "Ik was doodsbang. Het enige wat mijn moeder zei, was: als je nu met een jongen slaapt, kun je een cadeautje verwachten. Een baby, bedoelde ze."

"Sommige jongeren vragen ons om het bewijs voor het bestaan van aids", zegt Obed. "Ze zeggen: ik geloof het pas als ik het zie! Anderen reageren agressief. Als ik vraag: wat zou je doen als je wist dat je besmet was met het virus, zeggen ze: het verspreiden natuurlijk! Ik wil niet alleen dood."

"Zelfs de koning sterft niet alleen, is een gezegde hier", zegt Oupa ernstig.

De volgende ochtend, 7.15 uur. De groep wringt zich in de stationcar van dokter Tempelman en dan gaat het hobbeldebobbel over de zandwegen van KwaNdebele. Elandsdoorn, Dennilton, Moutse. In het laatste dorp moeten ze zijn, bij de Thejane Secondary School. De leerlingen van de hoogste klassen hebben zich verzameld in de 'aula', twee aangrenzende klaslokalen met doorgebroken tussenmuur. Het is stampvol. Vooraan zitten de jongste meisjes kaarsrecht op de stoel. Achteraan, lacherig, springen de oudste jongens van het ene been op het andere. Het is de eerste keer dat zoiets op school gebeurt. Toneel over aids. Over seks dus.

Het theatergroepje komt swingend binnen. Zingend, neuriënd: "Take care! aids is coming around de corner!" (Pas op, aids is vlak om de hoek). Dan is het stil. Om de beurt stapt een van de acteurs naar voren en spreekt:

"Ik kan geen aids krijgen, want ik ben besneden!"

"Sangoma's (traditionele genezers) kunnen aids genezen!"

"Muti (traditioneel medicijn) kan aids genezen!"

"Aids is de vloek van Afrika!"

"Als je met een meisje slaapt dat nog maagd is, genees je van aids!"

"Aids bestaat niet!"

De acteurs draaien zich om en laten een stilte vallen. Een kind begrijpt: dit waren de leugens, de mythes. Nu komt de waarheid. In het theaterstuk wordt het verhaal verteld van twee zussen, de ene verstandig, de andere losbollig. De verstandige waarschuwt de losbollige: pas op met je vele vriendjes, straks heb je nog aids. De losbollige lacht: aids, dat is toch een sprookje? De verstandige legt uit wat aids is en dat ze condooms moet gebruiken. De losbollige, overtuigd door haar verstandige zus, brengt de boodschap over op een van haar vriendjes. Ze wil het voortaan alleen met condoom doen. Het vriendje lacht haar uit. Op het einde van het verhaal gaan ze allebei naar de dokter voor een HIV-test. Het vriendje blijkt positief, de tot inkeer gekomen zus negatief. Ze dankt haar verstandige zus: je hebt mijn leven gered! Slotrefrein: Turn around! Use a condom! (Draai je om / Verander je gedrag. Gebruik een condoom)

De leerlingen gaan terug naar hun eigen klas voor het vragenuurtje. Elke acteur neemt een klas voor zijn rekening. Hij legt uit wat aids is, wat het doet met je lichaam, wat het verschil is tussen aids en HIV. Hij geeft cijfers over de verspreiding van het virus in Zuid-Afrika, in hun eigen provincie Mpumalanga, in hun eigen school. Hij rekent hardop uit: volgens de statistieken zijn hier op deze school nu 385 leerlingen besmet. De leerlingen slikken. Dat komt hard aan. Dan mogen ze vragen stellen. Maar eerst, zegt de acteur, moet de lerares de klas verlaten, want anders voelen de leerlingen zich niet vrij. De lerares verlaat onwennig de klas. Alleen de jongens stellen vragen. Ze zijn achterin de klas bij elkaar gaan zitten en zien nu kans hun seksuele ervaringen tegen het licht te houden:

"Iemand die voortdurend zweet, heeft die aids?"

"Als je twee vriendinnetjes tegelijkertijd hebt en de ene is positief en de andere negatief, kun je dan toch besmet raken?"

"Als een jongen van vijftien seks heeft met een meisje van achttien, kan hij dan besmet worden, ook al heeft hij nog geen zaad?"

"Word je besmet als je voor het zingen de kerk uitgaat?"

"Wat doe je als je penis te klein is voor een condoom?"

Bij het verlaten van het klaslokaal fluisteren de meisjes onder elkaar. Waarom stelden zij geen vragen? De meisjes schudden het hoofd. "Wij zijn te verlegen. We durven geen vragen te stellen waar de jongens bij zijn." Wat hadden ze willen vragen? "Ik had willen zeggen", zegt een van de meisjes ernstig, "dat seks voor het huwelijk een zonde is. Dat je je moet onthouden." De andere meisjes zwijgen.

Op een afstandje staat de lerares. "Is dat wel goed?", peinst ze hardop, "om kinderen zo jong met condooms in aanraking te brengen?" Nee, seksuele voorlichting of voorlichting over aids zit niet in het curriculum van de school. Nee, ook niet in de biologieles.

Elisabeth Lesu, een zelfbewuste, jonge lerares van achtentwintig jaar, wil graag persoonlijk vertellen wat er aan de hand is op scholen in dit land. Ze werkt op de Kgothala Secondary School, de school van Sizakele Mdebele, het meisje dat in het Philadelphia Ziekenhuis ligt met aids. Als enige van haar school heeft Elisabeth zich het lot aangetrokken van Sizakele.

"Sizakele is een heel enthousiast en actief meisje, leidster van het schoolkoor. Zingen is haar passie. Maar nu is ze een schaduw van zichzelf. Ze werd ziek in juli, in de vakantie. Ik wist dat niet en zocht haar pas eind augustus op. Ik vond een zwaar ziek meisje thuis in bed. Van haar beste vriendin hoorde ik dat ze zich al in juni niet goed voelde. Ze klaagde over pijn in haar onderlichaam, maar ze hield dat verborgen voor haar grootmoeder. Haar gezinssituatie is heel moeilijk. Haar grootmoeder is eigenlijk niet haar echte grootmoeder. Het is de oudere zus van haar adoptiemoeder. Haar echte moeder heeft haar afgestaan bij de geboorte. Haar adoptiemoeder stierf een paar jaar geleden. Sindsdien leeft ze met de gogo (bejaarde vrouw) en met haar dochtertje, want Sizakele werd zwanger op haar twaalfde. Maar de gogo is slecht te been en zo goed als blind. Sizakele ging steeds verder achteruit. Ik heb geprobeerd het vertrouwen van Sizakele te winnen. Ik heb haar voorzichtig gevraagd: ken je de man die jou besmet heeft? Ze zei: ja, maar ze noemde geen naam. Toen smeekte ze: alsjeblieft, zeg het tegen niemand. Haar beste vriendin zei tegen me: ik ken maar twee mensen die haar besmet kunnen hebben: de vader van haar kind of een leraar van school.

"Kijk, dit is nou Zuid-Afrika. Mijn eigen collega's misbruiken hun leerlingen, jonge meisjes uit arme gezinnen die bij de populaire groep willen horen. Een verhouding met een leraar geeft ze status, ze krijgen cadeautjes, nieuwe schoenen, hippe kleren, en bovendien kunnen ze er zeker van zijn dat ze slagen voor hun examens. Vroeger werd je van school gestuurd als je als leraar zoiets deed. Tegenwoordig kun je gewoon blijven zitten. Niemand maakt zich er druk om. Erger is dat zij verspreiders van het aids-virus kunnen zijn en die jonge meisjes besmetten. Dat is misdadig. Ik had zo gehoopt dat Sizakele dapper genoeg zou zijn om naar buiten te treden met haar ziekte, dat ze het haar klasgenoten zou vertellen, ze zou waarschuwen."

Elisabeth zoekt de grootmoeder van Sizakele op in haar huis. De armoede heeft aan de wanden, het dak, de schaarse meubels geknaagd: alles is verzakt, verveloos, kapot. De gogo zit roerloos aan de keukentafel. Op het grote houtfornuis staat een pan maïspap, tegelijk middag- en avondmaal. Het dochtertje van Sizakele speelt ergens buiten. Elisabeth praat zachtjes met de oude vrouw. Ze legt uit dat het het beste voor Sizakele is dat ze voorlopig in het ziekenhuis blijft. De oude vrouw zegt: het doet pijn, ze is als mijn eigen kind. Ze schuifelt door het huis en toont het meisjeskamertje van Sizakele. Een klein boudoir met spiegel, posters van lokale zwarte popsterren aan de wanden. En een fotootje van Sizakele zelf, een levenslustig, vriendelijk jong meisje. De gogo gaat zitten, het fotootje in haar hand. Ze kijkt schuin omhoog naar Elisabeth en zegt: "Je hebt me nog niet verteld welke ziekte ze heeft."

Comfort Ntlogeleng (21) woont sinds de bevalling van haar dochtertje weer thuis, in Dennilton, een zusterdorp van Elandsdoorn. Haar studie economie aan de universiteit in Pretoria heeft ze moeten onderbreken. In haar lichte blouse en met de hagelwitte band in haar haar oogt ze als een kerngezonde, jonge moeder. Gezond is ze, maar met een flinke dosis medicijnen. Na de bevalling kreeg ze last van hevig opgezette klieren. Ze bracht een bezoek aan de kliniek van dokter Tempelman. Daar werd met haar gesproken over het HIV-virus. Comfort stemde in met een test. Ze was ervan overtuigd dat ze negatief was, maar de test bleek positief. "Ik was diep geschokt", vertelt ze. "Ik had me twee jaar geleden al een keer laten testen en toen was ik negatief. Ik had geen reden om te verwachten dat het nu anders zou zijn."

Comfort is al vier jaar samen met dezelfde vriend, de vader van haar kind. Een keertje heeft ze een fout gemaakt, geeft ze toe. Maar dat was meer een reactie op het feit dat haar vriend vreemdging. Ook hebben ze in het begin condooms gebruikt. "Maar op zeker moment zei mijn vriend: ik heb genoeg van die rubbers, let's do the real thing."

Haar dochtertje bleek gelukkig HIV-negatief. Comfort heeft haar de naam Kholofelo gegeven: 'Hoop'. Ze is gestopt met borstvoeding om te voorkomen dat ze het virus alsnog op het kind overdraagt. Zelf slikt ze antiretrovirale medicijnen. Die krijgt ze via het medisch fonds van haar moeder, die in het onderwijs werkzaam is. Niemand, noch haar moeder noch het medische fonds, hoeft te weten waarvoor de medicijnen dienen. Ze krijgt ze uit een speciaal aids-programma waaraan een klein aantal medische fondsen in Zuid-Afrika meebetaalt en dat anonimiteit garandeert. De vraag is alleen: hoelang zal het programma blijven uitbetalen? De kosten zijn hoog: 2.000 rand per maand. Voorlopig heeft Comfort geluk. Zonder de medicijnen zou ze nog een jaar of zes te leven hebben, blijkt uit de bloedtesten. "Voor mij is dit een tweede kans", zegt ze. "Er zijn zo weinig mensen voor wie de medicijnen beschikbaar zijn. Misschien maar 5 procent van alle geïnfecteerden."

Ze heeft het nog aan niemand verteld. Ook niet aan haar vriend. Ja natuurlijk vrijt ze nu met condooms. Haar vriend is niet wantrouwend: sinds ze zwanger raakte, gebruikten ze toch al condooms als voorbehoedmiddel. Maar over hem maakt ze zich niet zo druk. "Binnenkort vertel ik het hem. Als hij me dumpt, dan moet dat maar. Ik ben een ander mens geworden." Ze maakt zich meer zorgen over haar moeder, die ze binnenkort in vertrouwen wil nemen: "Zij zal het heel, heel erg vinden."

Comfort heeft haar verhaal verteld in de kliniek van Hugo Tempelman. Hier is ze anoniem. Op de terugweg naar huis is ze opgetogen, opgelucht. Ze denkt erover zich aan te sluiten bij het theatergroepje van Tempelman. "Ik zou willen dat het gevaar van aids werkelijk doordringt tot mijn leeftijdgenoten. Niet als het al te laat is, zoals bij mij." Ze wil doorgaan met haar studie economie in Pretoria en ooit bij de centrale bank gaan werken, of op de beurs. Als God het wil. Terug op kamers in Pretoria dus? Comfort aarzelt. "Misschien. Maar dan niet meer in Mamelodi (het grootste township van Pretoria). Te gevaarlijk voor vrouwen." Na een pauze zegt ze: "In het huis dat ik met een ander meisje huurde, ben ik op een nacht overvallen. Drie jongens met vuurwapens. Ze namen ons alles af: geld, sieraden, kleren. En daarna namen ze onze trots af." Verkracht? Comfort knikt. "Om die reden deed ik twee jaar eerder al een HIV-test."

Stof waait op in de straten van Elandsdoorn. Zeventig paar kindervoetjes dansen de toyi-toyi door het zand. Ze zingen uit volle borst, in het Zoeloe. Geen heldhaftig schoollied, maar een ernstig refrein: "Aids is een vreselijke ziekte, dus pas op!" Spandoeken met anti-aids-teksten worden fier omhooggestoken, alsof het om een optocht van de beste leerlingen van heel KwaNdebele gaat. Het lied eindigt, even staan de kindervoeten stil. Dan klinkt als uit een mond: 'Viva condoms! Viva condoms!' En hup, daar dansen ze weer, terug naar de lagere school.

Maria Mokoena, het hoofd van school, staat glunderend langs de straat. "Prachtig, nietwaar", zegt ze. Dan fronst ze haar wenkbrauwen: "De ernst van de boodschap dringt heus nog niet door tot al die kinderhoofdjes, maar je kunt hier niet vroeg genoeg mee beginnen."

Een paar keer per jaar nodigt Maria Mokoena een aantal sociaal werkers uit om voorlichting te geven over aids. Leerlingen van de hoogste klassen (negen tot twaalf jaar) krijgen dan samen met hun ouders een hele middag uitleg over de ziekte. "Het heeft toch totaal geen zin om daar pas mee te beginnen als kinderen zestien zijn", zegt ze krachtig. "Kinderen zijn hier al vanaf elf, twaalf jaar seksueel actief! Veel ouders werken in Johannesburg, de kinderen wonen bij een oudere broer of zus, of bij de grootouders, en genieten een grote vrijheid. Daar moet je je hoofd niet voor in het zand steken."

Sizakele opent haar ogen. Heldere ogen in een vermoeid gezicht. Even is ze in verwarring door de vreemde gezichten aan haar bed. Dan herstelt ze zich en knikt naar Elisabeth. Aan Elisabeth Lesu, haar lerares en vertrouweling, had ze laten weten dat ze akkoord ging met een bezoek van een krant uit België, omdat ze vindt dat jonge mensen overal ter wereld gewaarschuwd moeten worden.

Ze praat zacht tegen Elisabeth in het Zoeloe. Ze zegt: "Ik weet dat ik elk moment dood kan gaan. Ik hoop dat ik nog wat tijd heb. Als ik uit het ziekenhuis kom en wat beter ben, zal ik proberen zo normaal mogelijk te leven. Ik zal voor mijn dochtertje en mijn grootmoeder zorgen en weer gaan zingen. Ik ben niet kwaad op de persoon die me besmet heeft. Het kan iedereen overkomen. Boosheid heeft geen zin."

Als we afscheid nemen, pakt ze Elisabeth nog even bij de hand en fluistert iets in haar oor. Buiten vertaalt Elisabeth haar woorden: "Ze zei dat ik jullie moest zeggen: wees voorzichtig, denk goed na, dan zul je gezond blijven."

Een week later belt dokter Tempelman: goed nieuws. Abraham, het spook van Elandsdoorn, heeft helemaal geen aids! "Ik heb hem eens op de onderzoekstafel gelegd", vertelt hij. "Hij bleek twee stoma's te hebben die zwaar zijn gaan infecteren. Slordig werk van het staatsziekenhuis. Ik heb de boel eens goed schoongemaakt. De goeie man is al vijf kilo aangekomen!"

Het slechte nieuws is dat Abrahams familie het nog niet wil geloven. Tempelman belde Abrahams vader, de advocaat, met de mededeling dat zijn zoon dringend hulp nodig heeft. De vader antwoordde: "Ik wil mijn zoon niet meer zien." "Dan kunt u uw zoon straks begraven", zei Tempelman. "Dat is dan zijn zaak", zei de vader.

Een maand later belt Tempelman opnieuw. Sizakele is overleden.

'Vrouwen zijn de onschuldige slachtoffers'

Zuid-Afrika aan de vooravond van het jaar 2000. De Zuid-Afrikaanse regering probeert aids sociaal aanvaardbaar te maken. Acceptatie van en zorg voor medeburgers met aids, dat is, naast algemene informatie over de ziekte, steeds het motto geweest in de aids-campagne. Voor dorpen als Elandsdoorn, driehonderd kilometer van de Zuid-Afrikaanse hoofdstad, is dat een stap te ver. Langzaam wordt het pijnlijk duidelijk: de regering heeft een cruciale fase overgeslagen in haar benadering van het aids-probleem. Het is een te westerse, te stedelijke benadering, te zeer gericht op 'bewustwording', op kennis van de ziekte, alsof kennis automatisch tot aanvaarding en tot gedragsverandering leidt.

Voor veel Zuid-Afrikanen is de uiterst voorzichtige aids-boodschap van de regering ('Laten we niemand met aids stigmatiseren; wees trouw aan je partner; en als het niet anders kan, gebruik condooms') een lege frase. Het lijkt alsof men in de ANC-gelederen is vergeten dat bijna de helft van de bevolking ongeschoold is en dat het dagelijkse leven van het gros van de Zuid-Afrikanen nog altijd ver afstaat van de gepropageerde regeringsidealen, hoe nobel ook.

Eindelijk, op de valreep van het jaar 2000, daagt er het begin van een inzicht. Daarvoor moest eerst het water tot de lippen stijgen. Volgens nog optimistische schattingen zijn 3,5 tot 3,8 miljoen Zuid-Afrikanen besmet met het Hiv-virus. Dat is 9 procent van de bevolking. Schrikwekkender is echter de groei van het aantal nieuw-geïnfecteerden. Dagelijks komen er 1.500 tot 1.600 gevallen bij, dat wil zeggen meer dan een half miljoen nieuw-geïnfecteerden per jaar. Deze explosieve groei verbaasde zelfs een internationale organisatie als UNaids, het aids-programma van de Verenigde Naties. "We begrijpen niet helemaal hoe het kan", gaf Peter Piot, hoofd van UNaids, eind vorig jaar toe. Hij voorspelde dat Zuid-Afrika het ergste te wachten staat. "Het wordt een menselijke tragedie van een omvang die het land niet eerder gezien heeft."

De Zuid-Afrikaanse regering sloeg bij het naderen van Wereld Aids Dag vorig jaar december zelf eens aan het rekenen: een miljoen aids-doden in het jaar 2001, meer dan vier miljoen in 2006. Het aantal aids-wezen, nu al circa 100.000, zal in 2003 gestegen zijn tot bijna 600.000, in 2008 tot 1,6 miljoen. Het aantal sterfgevallen onder kinderen van een tot vier zal, als gevolg van de besmetting van moeder op kind, in het jaar 2003 gestegen zijn met 150 procent.

De nieuwe regering-Mbeki (aangetreden in juni van dit jaar) begint te beseffen dat het uur U geslagen heeft. De nieuwe minister van Gezondheid Manto Tshabalala-Msimang noemde "de oorlog tegen Hiv / aids prioriteit nummer een". Ze beloofde een landelijk aids-voorlichtingsprogramma voor scholieren gericht op gedragsverandering, naast een meer algemeen 'life skills'-programma, dat aandacht moet besteden aan (in Zuid-Afrika moeilijk bespreekbare) onderwerpen als seks, voorbehoedmiddelen en de (machts)relatie tussen mannen en vrouwen.

Van uitvoering van de plannen is nog weinig zichtbaar. Bovendien komen ze, zacht gezegd, rijkelijk laat. Diverse onderzoeken wijzen uit dat de snelste groei van het virus plaatsvindt onder tieners: vijftien- tot negentienjarigen. Het aantal geïnfecteerden in deze categorie groeide in 1998 met 21 procent. In 1997 was dat nog 12,7 procent. Uit onderzoek blijkt ook dat meer dan 90 procent van de tieners inmiddels op de hoogte is van het bestaan van aids. In de praktijk wordt de ziekte echter nog steeds hardnekkig ontkend. "Wat wil je", zegt een Zuid-Afrikaanse arts snerend, "de president houdt een keer in het jaar een speech, en dat is dan de aids-campagne voor het hele jaar."

Dat is meteen ook de reden waarom er steeds meer initiatieven uit de Zuid-Afrikaanse gemeenschap zelf komen. Een van de breedst opgezette initiatieven is het Soul City-project, dat gefinancierd wordt door het Zuid-Afrikaanse bedrijfsleven, met steun van de Europese Unie. Het project gaat uit van de gedachte dat jongeren eerst zelfstandig en verantwoordelijk moeten leren denken voordat een aids-boodschap als 'gebruik condooms' werkelijk aan kan slaan. Het project omvat informatie- en discussiemiddagen in buurtcentra, een dagelijks radioprogramma en een tv-soap, waarin speciale aandacht wordt besteed aan de empowerment van jonge meisjes, de kwetsbaarste groep.

Zo wordt in de dertiendelige tv-soap onder meer het gevaar aangekaart van sugar daddies (suikerooms), oudere mannen die jonge meisjes financieel (en vaak ook emotioneel) in de watten leggen in ruil voor seks. Het is een probleem dat zich in Zuid-Afrika wijd aan het verspreiden is. Hippe kleren, dure auto's, mooie huizen: het ligt in Zuid-Afrika binnen oogbereik en veel zwarte jongeren stellen het 'nieuwe Zuid-Afrika' gelijk aan materiële welstand. Voor jonge meisjes uit arme gezinnen is een sugar daddy de snelste weg om status te bereiken; het besef dat ze zelf iets zouden kunnen bereiken door werk of studie is (ook al door het slechte onderwijs in de zwarte wijken en het gebrek aan banen) zelden aanwezig.

Het gevolg is, zegt dokter Shereen Usdin, de projectmanager van Soul City, dat een hoop meisjes in een relatie terechtkomen waarin ze financieel volledig van hun weldoener afhankelijk zijn, zeker als ze ook nog zwanger worden. "In zo'n relatie heeft een vrouw geen enkele macht als het gaat om aids-preventie. Ze heeft niets in handen om haar partner te dwingen een condoom te gebruiken." In de Soul City-soap beëindigt een meisje een relatie met een sugar daddy en start samen met een vriendin een eigen bedrijfje. "Wij reiken jonge meisjes de voordelen aan van financiële en emotionele onafhankelijkheid", aldus Usdin. "En dat is de basis van aids-preventie."

Aisha Oosthuizen werd het slachtoffer van een sugar daddy. Ze is vijftien jaar en Hiv-positief. Twee maanden geleden beviel ze van een zoontje. De baby werd acht weken te vroeg geboren en bleek aids te hebben. Het kind wordt nu verzorgd in Cotlands, een opvangtehuis voor aids-baby's in Johannesburg dat grotendeels gefinancierd wordt uit donaties. Aisha zelf verblijft in Uitkoms Huis, een tehuis voor ongehuwde moeders in Johannesburg. Daar vertelt ze haar verhaal.

"Ik woonde bij mijn moeder en mijn stiefvader. Mijn stiefvader keek alleen maar om naar zijn eigen kinderen. Mij noemde hij een 'kaffer', omdat ik donkerder ben dan hij, maar we zijn allemaal kleurlingen. Toen werd ik zwanger en heeft mijn moeder me het huis uit gezet. Ik heb een maand lang in het wc-hokje achterin de tuin gewoond. Zonder water, zonder eten. Toen ben ik weggelopen. Door een sociaal werkster ben ik hier terechtgekomen.

"Ik heb Nene leren kennen via zijn jongere broer. Hij was een lieve man, een Portugees. Iedereen noemde hem Livingstone. Hij handelde in diamanten. Door hem voelde ik me zoals een vrouw zich moet voelen. Van mijn moeder heb ik nooit liefde gehad. Thuis werd ik als een hond behandeld. Ik kreeg nooit geld voor kleren. Ik ging niet meer naar school want ik kon het schoolgeld niet betalen. Ik moest altijd bedelen bij anderen. Maar ik ben nooit op Nene's geld uit geweest. Liefde was alles wat ik nodig had. Van een vriendin hoorde ik dat Nene getrouwd was en dat hij acht kinderen had. Daar schrok ik wel van. Ik kende al die kinderen van hem, maar ik wist niet dat dat zijn familie was. Hij was ergens in de veertig en had al kinderen van in de twintig. Later hoorde ik dat hij nog meer kinderen heeft, bij andere meisjes. Hij is nu naar Angola gevlucht, zeggen ze. De politie zit achter hem aan, want hij heeft nog meer meisjes besmet.

"Nee, ik heb nooit aan aids gedacht. Ik was toen nog zo dom. Ik was pas dertien jaar. Ik dacht ook: dit is een nette man. Ik was alleen bang dat hij me zwanger zou maken. Maar hij zei: nee, ik slik daar pillen tegen. Condooms wilde hij niet gebruiken. Hij zei: dat doen we niet in onze cultuur.

"Toen ik zwanger bleek, zei de oudste zoon van Livingstone: doe maar een abortus, want als zijn vrouw erachter komt, vermoordt ze je. Maar ik wilde geen abortus. Ik ben gelovig en mijn geweten zou me geplaagd hebben. Toen kwam ik hier en de huismoeder raadde mij aan een bloedtest te doen. Ik wist niet goed wat dit betekende. Toen ik positief bleek, hebben ze het mij uitgelegd. Ik schrok heel erg. Ik wist nooit veel over aids.

"Vlak na de bevalling werd mijn baby ziek. Hij was nog te jong om een bloedtest te krijgen, maar ik wist meteen dat hij aids had. Nu is het beter dat hij in het opvangtehuis is. Daar weten ze hoe ze hem moeten verzorgen. Ik zoek hem zo vaak mogelijk op. Ik weet dat hij gauw dood kan gaan, maar hij blijft toch een geschenk van de Heer. Zelf ben ik erg bang om dood te gaan. Ik wil graag de school afmaken. Ik zou willen studeren en dan rechter worden. Of een tehuis opzetten voor straatkinderen. Ik hou nog steeds van die man. Ik kan er niks aan doen. Maar hij moet wel naar de gevangenis, want hij heeft meisjes zoals ik ziek gemaakt."

De scheve machtsverhouding tussen mannen en vrouwen verklaart voor een groot deel de snelle verspreiding van het Hiv-virus onder (jonge) vrouwen in Zuid-Afrika. De meeste Zuid-Afrikaanse vrouwen verkeren niet in de positie dat ze hun promiscue partners kunnen dwingen tot veilige seks. Het hoogste risico lopen vrouwen van migrantenwerkers (zoals mijnwerkers) en vrachtwagenchauffeurs. De mannen zijn veelal maanden van huis en hebben (commerciële) seks met andere vrouwen. Ook het waanzinnige aantal verkrachtingen in Zuid-Afrika (volgens officieuze politiecijfers twee per minuut) speelt een rol bij de groei van het virus onder jonge vrouwen. Een bijkomende factor is dat vrouwen gevoeliger zijn voor (in Zuid-Afrika welig tierende) seksueel overdraagbare infecties als syfilis en gonorroe, die de vatbaarheid voor het virus vergemakkelijken.

De groei van het aantal geïnfecteerde jonge vrouwen leidt op het ogenblik tot een van de meest urgente problemen in Zuid-Afrika: de overdracht van het virus van moeder op kind. Volgens verscheidene onderzoeken is inmiddels een op de vijf vrouwen die een zwangerschapskliniek bezoeken Hiv-positief. In rurale provincies als KwaZulu-Natal en Mpumalanga is dat percentage zelfs hoger: een op vier. Elke dag worden tenminste tweehonderd baby's geboren die Hiv-positief zijn

Bij haar aantreden in juni beloofde de nieuwe minister van Gezondheid dat ze de beslissing van haar voorganger Nkosazana Zuma om geen gratis AZT te verstrekken aan Hiv-positieve zwangere vrouwen opnieuw in overweging zou nemen. AZT is een antiretroviraal medicijn dat de kans op overdracht van het virus van moeder op kind tot de helft kan beperken. Zuma, nu minister van Buitenlandse Zaken, lokte vorig jaar fel protest uit toen ze een aanbod van AZT-patenthouder Glaxo Wellcome afsloeg om het medicijn tegen gereduceerde prijs te leveren. Zuma vond dat er 'te weinig bewijs' was dat AZT daadwerkelijk hielp, ondanks overtuigende onderzoeksresultaten. Bovendien vond ze het middel nog steeds 'te duur'. Het aanbod van Glaxo Wellcome zou de prijs van een AZT-behandeling reduceren tot 400 rand (2.700 frank). De normale prijs bedraagt 3.000 tot 5.000 rand (20.000 tot 33.000 frank).

Belangengroepen van aids-patiënten, mensenrechtenorganisaties en artsen reageerden woedend op de weigering van de minister en verdachten haar van onmenselijk cynisme. Dacht Zuma soms heimelijk: als de moeders straks doodgaan, zitten wij met al die gezonde wezen? Of stelde ze als geharde politica politiek boven kinderlevens en wilde ze gewoon niet buigen in het slepende conflict met de Verenigde Staten over patentrechten op aids-remmende medicijnen? In dat conflict vindt Zuid-Afrika dat het het recht heeft de medicijnen tegen een goedkoper tarief uit een ander land dan de VS te importeren, of desnoods zelf te produceren. De VS achten dit een schending van het intellectueel eigendomsrecht.

Inmiddels is de regering-Clinton van dat standpunt teruggekomen. De VS zullen niet langer protest aantekenen als de Zuid-Afrikaanse regering de Amerikaanse farmaceutische industrie passeert bij haar medicijnaankopen. Goed nieuws voor de huidige minister van Gezondheid, van wie iedereen hoopt dat ze snel de knoop doorhakt over AZT-verstrekking aan Hiv-positieve zwangere vrouwen. De medische wereld wacht met groot ongeduld: het is toch zonneklaar dat 400 rand (2.700 frank) voor een AZT-behandeling niet in verhouding staat tot de ziekenhuiskosten, straks, van duizenden kinderen met aids? Nu al kampen veel ziekenhuizen met het probleem dat meer dan de helft van de bedden wordt bezet door aids-patiënten.

Maar de regering blijft talmen. Tot verbijstering van de medische wetenschappelijke wereld in Zuid-Afrika trok president Thabo Mbeki eind oktober ineens de werking van AZT in twijfel. Volgens hem toonde wetenschappelijke literatuur aan dat AZT mogelijk giftige bijwerkingen heeft. "Het is gewoon weer een smoesje om het verstrekken van AZT te traineren", was de geërgerde reactie van verscheidene medici. Een van hen diende een klacht in tegen de regering bij de mensenrechtencommissie

In het Chris Hani Baragwanath-ziekenhuis in Soweto, Johannesburg, knikt dokter Lala tevreden. "Heel goed", mompelt hij, terwijl hij de zes weken oude Noline zachtjes beklopt en bevoelt. Hij richt zich tot de moeder van Noline. "Geen problemen? Is ze niet ziek geweest?" De moeder schudt haar hoofd. "Mooi", zegt dokter Lala, "dan zullen we nu opnieuw een bloedtest doen." Het halsje van Noline wordt vrijgemaakt. De ader in de hals prikt het makkelijkst bij een baby. "Deze bloedtest", legt Lala uit terwijl hij de naald zet, "is een belangrijk moment. Als deze negatief is, is het kind met bijna honderd procent zekerheid gezond. Tenzij de moeder borstvoeding geeft."

Dokter Sanjay Lala is een van de acht Zuid-Afrikaanse dokters in de Hiv-onderzoekseenheid van het Baragwanath-ziekenhuis. De eenheid onderzoekt (het voorkomen van) Hiv-besmetting van moeder op kind en tegelijk verleent ze medische hulp aan Hiv-positieve moeders en hun baby's. Lala houdt zich bezig met een proef met het medicijn Nevirapine, dat aan HIV-moeders gegeven wordt tijdens de bevalling. De resultaten zijn vooralsnog verheugend, zegt Lala, die onlangs de Nelson Mandela Award ontving voor zijn onderzoek. "Sinds ik in mei met de proeven begonnen ben, blijken drie baby's geïnfecteerd terwijl ik tien HIV-baby's verwachtte. Dat betekent dat Nevirapine de kans op besmetting met twee derde heeft verkleind."

Nevirapine kan een geweldige doorbraak betekenen in het terugdringen van de moeder-op-kind-besmetting, omdat het middel slechts 220 frank per dosis (tegenover 2.700 frank voor een AZT-behandeling) kost. Vooral voor HIV-moeders die laat in hun zwangerschap (na 36 weken) bij een kraamkliniek aankloppen, kan het de redding voor het kind betekenen.

Het Baragwanath-ziekenhuis test alle zwangere vrouwen die daarvoor de toestemming geven op het HIV-virus. Wie positief is, wordt doorgestuurd naar de HIV-onderzoekseenheid. In het geval van Baragwanath (het ziekenhuis voor Soweto en omgeving) gaat het om 25 tot 30 procent van de vrouwen. Daarvan komt slechts een heel klein deel uiteindelijk bij de eenheid terecht. De meeste moeders komen niet terug voor het resultaat of raken 'zoek' in de fabriek van het ziekenhuis (17.000 bevallingen per jaar). Wie op tijd binnenkomt, krijgt een combinatietherapie van AZT en 3TC. Na de bevalling wordt de moeders op het hart gedrukt geen borstvoeding te geven; poedermelk is gratis beschikbaar en zo nodig krijgen ze een medisch briefje mee voor familieleden die niet begrijpen waarom de moeder niet de borst geeft. De eindresultaten van de combinatietherapie, die al twee jaar loopt, worden binnenkort verwacht, maar de tussenresultaten zijn bemoedigend.

De dokters van de onderzoekseenheid beseffen dat hun werk een druppel op een gloeiende plaat is. "Uitermate frustrerend", noemt Lala het dat er inmiddels genoeg middelen zijn om de moeder-op-kind-besmetting te stuiten maar dat de Zuid-Afrikaanse regering maar blijft talmen vanwege de centen.

"Het bewijs dat de medicijnen kosteneffectief zijn, is inmiddels geleverd", aldus Lala. In de onderzoekseenheid zit geen cent van de staat; ze wordt volledig betaald door de farmaceutische industrie. "Het wordt tijd dat de regering financieel in ons programma stapt", zegt Lala. "Wij kunnen het niet meer alleen bolwerken. Iedere dag komen er meer HIV-positieve moeders binnen. Deze vrouwen zijn doorgaans onschuldige slachtoffers. Het zijn de mannen die door hun promiscue gedrag het virus verspreiden."

Petra Quaedvlieg is correspondente voor De Morgen in Johannesburg . Filip Claus is fotograaf voor de Morgen. Dit is het derde deel van een zesdelige serie over aids in Afrika. De volgende afleveringen verschijnen op zaterdag 27 november, woensdag 1 december en zaterdag 4 december.

'Als een meisje het heeft, is het dubbel zo vernederend', zegt Maselo. 'Mijn moeder zou zeggen: mijn huis uit, want je bent een slet!'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234