Vrijdag 26/04/2019

Veiligheid

Als burgers de oren en ogen van de politie zijn: “’s Nachts een sms over een witte camionette, dat maakt mij bang”

Het aantal buurtinformatienetwerken blijft nog altijd stijgen. Beeld rv

De buurtinformatienetwerken (BIN), waarbij burgers zelf hun buurt observeren en de politie inseinen bij verdachte zaken, bestaan 25 jaar. En er komen er nog elke week bij. Zijn ze een voorbeeld van burgerparticipatie, of vergroten ze net het onveiligheidsgevoel?

“Dan zit je daar om 4 uur ’s nachts naar je gsm te turen, met daarop de vraag om uit te kijken naar een verdachte witte camionette. Wat moet een mens daarmee?” 

Annelies Lanoy uit Zandhoven is lid van het buurtinformatienetwerk in haar wijk. Toch heeft ze er een dubbel gevoel bij. “De hele buurt is lid van dat netwerk, dan wil je natuurlijk niet de ambetante zijn die achterblijft”, vertelt ze. “En ja, het is wel een geruststellend gevoel te weten dat de buren mee een oogje in het zeil houden. Ook de politie stuurt ons berichten als ze dat nodig vindt. Maar als ik midden in de nacht een sms’je van de politie krijg over een witte camionette, dan word ik pas echt bang.”

Er zijn nog wel enkele negatieve kantjes, merkte ze. Zoals die keer toen haar jongere broer in een aftandse Mazda voor haar deur zat te wachten tot ze thuis kwam en plots twee verontruste buren op zijn raampje tikten met de vraag wat hij daar stond te doen. 

Een buurman alarmeerde ooit het netwerk omdat voor zijn voordeur een verdachte auto stond met daarin twee onbekende personen die lange tijd in de auto bleven zitten. Toen de politie kwam kijken, bleek het de dochter van zijn overbuur te zijn die afscheid van haar nieuwe vriendje aan het nemen was.

Lanoy is er niet uit wat ze ervan moet denken. “Die buurman kon natuurlijk niet weten dat het de dochter van zijn overbuur was in die wagen. Maar je krijgt toch een sfeertje waarbij alles wat niet als normaal beschouwd wordt meteen ook verdacht wordt. Ik hoor vaak van vrienden die langskomen: als je hier door de wijk rijdt, voel je bijna fysiek hoe vele ogen meekijken van achter de gordijnen. Dat is een vies gevoel.”

Dat buren onder elkaar verdachte zaken melden, laat staan zelf op een autoruit gaan tikken, is nochtans niet de bedoeling van een buurtinformatienetwerk, klinkt het bij de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken, die de officiële netwerken registreert en ook monitort. 

“Een BIN functioneert binnen een weloverwogen strak reglementair kader”, legt woordvoerder Gaetan Willems uit. “Er moet altijd eerst een filtering zijn door de politie. Een BIN-lid dat iets verdachts opmerkt, moet contact opnemen met de politie en niet met de andere BIN-leden. Het is de politie die beslist of de informatie van belang is voor de andere BIN-leden. Als dat zo is , stuurt de politie alle leden een bericht.”

In principe dus. Want sinds de komst van WhatsApp en andere communicatiemiddelen is het voor de politie uiteraard moeilijk om te controleren welke berichten tussen buren uitgewisseld worden. 

BIN-sticker

In de beginjaren van het BIN was dat probleem er nog niet. Meubelverkoper Bertrand Pouseele uit Poperinge herinnert het zich nog levendig. “Alles ging via de telefoon. Elke BIN’er had daarvoor een speciale sticker op zijn toestel plakken.”

Pouseele richtte het allereerste netwerk op, in 1994 om precies te zijn, exact 25 jaar geleden. Dat was uit bittere noodzaak, vindt hij nog altijd. De regio Menen-Ieper werd in die tijd geteisterd door de Kappa-bende, Noord-Franse jongeren die gewelddadige raids uitvoerden op vooral sport- en kledingwinkels en juwelierszaken. Het onveiligheidsgevoel in de streek was groot, vooral omdat noch de politie, noch de rijkswacht – want van een eengemaakte politie was nog geen sprake – een antwoord had.

Bertrand Pouseele, pionier van de BIN's en meubelverkoper uit Poperinge. Beeld Damon De Backer

De frustratie groeide en kon niet weggenomen worden met sussende woorden of door een alarminstallatie te plaatsen. Toen bij een overval een dode viel, greep Pouseele als voorzitter van de lokale handelsvereniging in. Hij stapte naar de rijkswacht en stelde voor om naar het voorbeeld van de Britse Neighbourhood Watch een Belgische variant te maken. Niet zoals over de plas met patrouillerende burgers die zelf ingrepen, maar een communicatienetwerk waarbij burgers de politie snel konden informeren en omgekeerd.

Het eerste BIN was een succes, meent Pouseele. De leden werden geregeld midden in de nacht gevraagd hun buitenverlichting aan te schakelen en de radio luid te zetten. Het aantal overvallen verminderde. In de maanden erna volgden andere West-Vlaamse buurten het voorbeeld van Poperinge. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte (sp.a) vroeg Pouseele en zijn medestanders zelfs om het idee over het land te verspreiden. Ze kregen subsidies en trokken van gemeentehuis naar gemeentehuis om het concept te promoten.

Olievlekeffect

Het aantal netwerken groeide zienderogen, maar de BIN’s kregen ook bakken kritiek. Politiediensten wisten niet altijd wat ze aan moesten met al die meldingen van alerte burgers, het bezorgde hen vooral meer werk. En na berichten over BIN’ers die zelf achter vermeende overvallers aan gingen om ze bijna te lynchen of die eigenhandig patrouilleerden in hun buurt, sprong ook de politiek begin jaren 2000 op het thema. 

Het gevolg was dat er strengere regels kwamen én een opvolging vanuit de FOD Binnenlandse Zaken. Wie een BIN wil oprichten, moet een coördinator aanstellen en het netwerk ook officieel registreren. Uit die registraties blijkt dat het aantal netwerken nog altijd in stijgende lijn gaat. De Morgen kon cijfers van de FOD Binnenlandse Zaken inkijken en stelde vast dat er in 2017 885 BIN’s waren. Vorig jaar waren er 969, dit jaar kwamen er in anderhalve maand al 14 bij, wat het totale aantal op 983 brengt.

De provincie Antwerpen steekt er met 525 BIN’s duidelijk bovenuit. Op de tweede plaats staat Oost-Vlaanderen met 268. In Limburg zijn er de minste. 

Volgens het BIN Kenniscentrum, opgericht door politieambtenaren die verantwoordelijk waren voor de netwerken in hun regio, zijn er redenen voor die cijfers. “In 2006 besloot het provinciebestuur van Antwerpen nieuwe BIN’s concreet te ondersteunen”, stelt voorzitter Benno Gekiere. “De provincie nam ook de uitbouw van het communicatieplatform voor haar rekening. In andere regio’s kwam dat op de schouders van de politiezone, de gemeenten of de BIN’ers zelf terecht. In 2017 is de provincie Antwerpen daarmee gestopt. Maar er blijven netwerken bij komen.”

In andere regio’s zijn er dan weer geen BIN’s te vinden. In Gent en Leuven zijn geen BIN’s officieel geregistreerd. Het zijn niet toevallig steden die jarenlang een socialistische burgemeester hadden of nog hebben. Ook al stimuleerde sp.a-kopstuk Vande Lanotte de uitbouw van de netwerken, toch waren velen in zijn partij daar niet voor gewonnen, omdat ze de problemen niet oplosten, maar eerder verplaatsten. Want als de ene wijk een BIN heeft en daarmee inbrekers wil afschrikken, voelen de nabijgelegen wijken de druk stijgen om er ook een op te richten. Ze willen vermijden dat de criminelen bij hen komen. 

De voormalige burgemeester van Gent, Daniël Termont (sp.a), heeft nooit van BIN’s moeten weten. Hij vond de netwerken ronduit gevaarlijk, en was er voorstander van dat burgers met meldingen meteen de politie belden. “Dan kun je onmiddellijk patrouilles sturen. Zonder omweg gaat dat sneller.”

Overbodig

Volgens de FOD Binnenlandse Zaken komen er zowat wekelijks officiële BIN’s bij. Dat is merkwaardig, aangezien de criminaliteitscijfers de afgelopen jaren systematisch daalden. Er is dus niet noodzakelijk een link tussen concrete feiten en de beslissing van een buurt om een netwerk op te richten. BIN’s worden ook opgericht in buurten waar zelden tot nooit criminele feiten gebeuren.

Pionier van het eerste uur Bertrand Pouseele heeft dan ook vragen bij de recente cijfers. Zelf heeft hij zijn BIN ondertussen opgedoekt. “Door de huidige communicatiemethoden is zo’n netwerk eigenlijk niet meer nodig”, stelt hij. “Ons netwerk ontstond nog voor er sociale media of smartphones waren. Nu zijn die er wel. Elke politiezone is tegenwoordig goed bereikbaar voor burgers. Bovendien communiceert de politie zelf snel via de sociale media. En daarnaast is er nog B-alert, een alarmsysteem bij noodsituaties. Die waterval aan info maakt BIN’s zowat overbodig.”

Dat er nog altijd bij komen, moeten we volgens hem dan ook meer in politieke hoek zoeken. Pouseele: “Het is opvallend dat de aandacht voor de buurinformatienetwerken in verkiezingstijden toeneemt. Je moet eens naar de verkiezingsfolders van de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen kijken. Sommige politici pakken uit met het aantal BIN’s op hun grondgebied. Alsof ze een trofee of zoiets zijn.”

Corebusiness

Sommige politieke partijen promoten het systeem inderdaad openlijk. De N-VA en in mindere mate ook Open Vld hadden het in hun verkiezingsprogramma’s voor de gemeenteraadsverkiezingen staan. Volgens die partijen getuigt het lidmaatschap van een BIN van burgerzin en verhoogt het het verantwoordelijkheidsgevoel bij inwoners. Volgens andere verhogen de BIN’s net het onveiligheidsgevoel, wat voor partijen die daar hun corebusiness van maken natuurlijk handig meegenomen is.

De cijfers van Binnenlandse Zaken geven ook enkel kwantitatieve info. Volgens het BIN Kenniscentrum zijn naar schatting 120.000 mensen lid. “Zo’n netwerk kan uit een paar honderd mensen bestaan, maar evengoed uit twee man en een paardenkop”, weet pionier Pouseele. “De vraag is dan ook hoe actief zo’n BIN is? Soms zijn bewoners lid van een BIN in hun buurt zonder dat goed te beseffen. Laat staan dat er echt iets gebeurt binnen het netwerk.”

Er zijn vrij veel slapende BIN’s. Dat geeft ook voorzitter Gekiere van het Kenniscentrum toe. Meestal ontstaat zo’n netwerk vanuit een concrete aanleiding, zoals een inbraak of de angst voor inbraken. Maar naarmate de inbraken minder frequent voorkomen of de angst afneemt, dreigen de BIN’s in een slaapstand te verzeilen. “Het is veel makkelijker er één op te richten dan er één levendig te houden", stelt Gekiere onomwonden. “Dus proberen we vanuit het Kenniscentrum het BIN nu een nieuwe functie te geven, nieuw leven in te blazen, zeg maar.”

Het Kenniscentrum heeft een plan klaar om meer op preventie te werken. “We denken aan cybercriminaliteit, brandpreventie, alles rond veilig wonen. Mensen kunnen tips krijgen, zoals de raad om elke donderdag van de maand de rookmelders af te stoffen, om maar iets te zeggen. We willen ook samenwerken met Child Focus bij het opsporen van vermiste kinderen. Daarvoor kunnen de netwerken heel nuttig zijn.”

En het BIN 2.0 krijgt binnenkort ook een eigen communicatieplatform. Zo zijn de netwerken klaar voor de 21ste eeuw, meent Gekiere. Want verdwijnen mogen ze volgens hem niet. “Of ze nu actief werken of niet, het is wel zo dat wie lid is van zo’n netwerk zelf aangeeft zich minder onveilig te voelen. Het zou dus jammer zijn mochten we dat gevoel, ook al is het dan subjectief, wegnemen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.