Donderdag 20/06/2019

Opvoeding

Alles wijst erop dat voor het eerst in eeuwen een nieuw soort puber rondloopt

Huiswerkklas in het Regina PacisInstituut in Laken. Aan de hand van experimentjes wordt pubers (1ste en 2de middelbaar) uitgelegd hoe hun brein werkt en hoe ze beter kunnen studeren. Beeld Eric de Mildt

Is een puber in tijden van onbeperkte internettoegang en sociale media anders dan een puber van een decennium geleden? Ja, zeggen experts. En dus worden lesprogramma’s en gerespecteerde boeken over pubers aangepast. “Het is een mythe dat pubers probleemloos omgaan met al die vrijheid.”

Maak altijd genoeg spaghettisaus. Dat was enkele jaren geleden het advies dat kinderpsychiater Peter Adriaenssens gaf aan vaders die meer contact wilden met hun puberdochter. Want als er altijd spaghettisaus in de diepvries zit en de vriendinnen zijn in huis, kun je hen uitnodigen aan tafel. Als de vriendinnen van de dochter zeggen dat ze een leuke pa heeft, denkt dochterlief al snel: hm, misschien valt hij wel mee.

Adviezen over hoe om te gaan met pubers zijn er met hopen. Pubers zijn dan ook geen makkelijke mensen. Nooit geweest. Getuige daarvan een citaat van Socrates (vijfde eeuw voor Christus). “Onze jeugd heeft een sterke hang naar luxe, heeft slechte manieren, minachting voor het gezag en geen eerbied voor ouderen. Ze spreken hun ouders tegen, houden hun mond niet in gezelschap en tiranniseren hun leerkrachten.”

Sneller volwassen

Niets nieuws onder zon, zou je denken. En toch. In Nederland kreeg een alom gerespecteerde ‘survivalgids’ voor ouders met pubers onlangs een update. Het puberbrein binnenstebuiten, de bestseller van Yvonne van Sark en Huub Nelis, heet nu Het nieuwe puberbrein binnenstebuiten. De specialisten in jongerencommunicatie bij Youngworks herschreven hun bestseller van tien jaar geleden. Omdat het nodig was, zeggen ze.

Het brein van een puber is op zich niets veranderd, maar de context waarin hij opgroeit, is in niets te vergelijken met vroeger. Hij kan 24 uur per dag online, heeft meer te besteden dan zijn ouders indertijd en meer vrijheid dan de generaties voor hem. 

Het lijkt dan ook alsof jongeren sneller volwassen zijn. Jonge pubers weten nu al dingen waar vorige generaties pas achter kwamen op het einde van hun puberteit. Ze weten vaak meer over seks, drank en drugs dan hun ouders. Ze wekken de indruk minder naïef te zijn en te weten wat er in de wereld te koop is. Ze vormen een ogenschijnlijk zelfverzekerde generatie die alles afweet van nieuwe media en technologie. Alles duidt erop dat voor het eerst in eeuwen een nieuw soort jongere rondloopt.

Het gevolg is dat volwassenen onzeker geworden zijn in hun rol van opvoeder, vindt Van Sark. “Het autoritaire opvoedingsmodel uit de twintigste eeuw maakte tien jaar geleden plaats voor een onderhandelingsmodel. Kinderen kregen meer ruimte, vrijheid en verantwoordelijkheid om zichzelf te ontwikkelen en keuzes te maken.”

Niet alleen ouders dachten er zo over, ook het onderwijssysteem werd in die zin gemoderniseerd. Er kwam meer ruimte voor zelfstandig leren en eigen keuzes maken.

Sturen of niet?

Maar de jongste jaren zagen onderzoekers een kanteling: er werden steeds meer vragen gesteld bij die vrijheden van pubers. Kunnen ze er wel mee omgaan? Mogen we al die verantwoordelijkheid wel bij hen leggen? Moet er toch niet wat meer gestuurd worden? Van Sark: “Wie goed kijkt, ziet dat er in de opvoeding net iets anders nodig is dan loslaten. Tot 12 jaar hebben kinderen veel zorg nodig en moeten we hen goed begeleiden. En daarna eigenlijk nog veel beter.”

Het is volgens haar een mythe dat pubers goed kunnen omgaan met al die vrijheid. Pubers hebben, misschien nog meer dan jonge kinderen, net veel nood aan structuur en kaders. Terwijl de huidige samenleving hen vooral veel vrijheid, keuzemogelijkheden en complexiteit biedt. A disaster waiting to happen.

Dat het een mythe is, ondervinden Naïma Van den Broeck en Katleen Van Autgaerden zowat elke dag. Beiden zijn leerkracht in het Regina Pacisinstiuut in Laken en verdiepen zich al enkele jaren in het puberbrein. Er is een grote mismatch tussen wat pubers kunnen en wat leerkrachten in het middelbaar willen dat ze doen, vinden ze. 

“Leerkrachten vinden het niet meer dan normaal dat hun leerlingen in staat zijn te plannen, niet afgeleid te raken en ook aan zelfreflectie te doen”, stelt Van Autgaerden. “Maar een doorsnee puber mag nog zo gemotiveerd zijn om huiswerk te maken, als een vriend hem vraagt mee de stad in te gaan, en houdt niemand hem tegen, dan is hij weg. Uit zichzelf is het bijzonder moeilijk om aan verleidingen te weerstaan.”

Olifant

Meer nog, het puberbrein is van nature totaal ongeschikt voor ons onderwijssysteem. Hersenen worden als het ware van achteren naar voren in het hoofd ontwikkeld. Vooraan zit de frontale kwab, met daarin de prefrontale cortex. Het zenuwcentrum, zeg maar, dat de executieve vaardigheden aanstuurt. Dat zijn vaardigheden als plannen, risico’s en consequenties goed inschatten, focus houden, doelgericht werken en in staat zijn tot zelfreflectie. 

Bij jongeren onder 25 jaar zijn die vaardigheden niet of nog niet helemaal ontwikkeld. Van den Broeck: “Het is een beetje zoals een computer. Als je er een koopt, dan is die wel klaar. Maar je moet er wel een en ander op organiseren voor je kunt werken. Dat is met een puberbrein net hetzelfde.”

Pubers maken vooral gevoelskeuzes, meent Van den Broeck. “Wij leggen hen dat uit aan de hand van het beeld van de olifant en zijn berijder. In het centrum van hun hersenen zit een olifant van 6 ton. Dat is het onbewuste, alle automatische handelingen, het instinct en de emotie. Dat is bij pubers erg goed ontwikkeld. De berijder van die olifant zit vooraan in de nogal rommelige prefrontale cortex. Zo’n puber zit dus met een hyperactieve olifant en met een berijder die duidelijk zijn rijbewijs nog niet heeft.”

Het gevolg: emoties kunnen hoog oplopen. Stemmingswisselingen, woede-uitbarstingen, het ene moment is alles geweldig, het andere is alles stom. Een weg tussenin lijkt vaak niet bestaan. 

Het hoort er allemaal bij. Want de ontwikkeling van de delen van het brein die gaan over de rationele en cognitieve processen lopen nu eenmaal achter op de ontwikkeling van de emotionele delen. Pubers reageren dus primairder. Er komt ook veel meer binnen, ongefilterd ook. En vaak komt het al even ongefilterd weer buitenVan den Broeck: “Het is een emotionele achtbaan. Doe daar nog eens de hormonenwerking bij, en je krijgt vooral dramaqueens en –kings met lange tenen.”

Bruggetjes maken

Een mismatch dus. Al is er wel hoop: als je eenmaal weet hoe dat brein werkt en wat de gevolgen daarvan zijn, kun je ook oplossingen zoeken. In Laken doen ze dat in de Einsteinklas, een huiswerkklasje waarin aan ‘puberbreinvriendelijk leren’ gedaan wordt. 

De tieners die naar het klasje komen, krijgen niet alleen huiswerkbegeleiding, maar ook uitleg over hoe het werkt in hun bovenkamer. Van den Broeck: “We leggen hen uit dat een brein leert aan de hand van bruggetjes. De ene zenuwcel moet info doorgeven aan de andere. Maar dan moet die een ravijn oversteken. Daar heb je een brug voor nodig. Als je voor de eerste keer iets nieuws leert, krijg je een touw. Dat is nog niet stevig. Door het twee of meerdere keren te leren, wordt het een brug. De bedoeling is dat je vaak oefent en zo een stevige autosnelwegbrug maakt. De brug die je niet meer gebruikt, verdwijnt ook weer. Dan moet je van vooraf aan beginnen.”

De Einsteinklas is ontstaan uit noodzaak, stellen beide leerkrachten. Van Autgaerden: “We zijn vertrokken vanuit een vraag die enorme leefde in de leraarskamer: waarom zijn onze leerlingen niet gemotiveerd? Willen ze dan geen goede punten halen? Hoe komt dat? Bleek dat die leerlingen dat wel degelijk wilden, maar vaak niet wisten hoe. Sommigen werken bijvoorbeeld hard voor een toets en halen een 6 op 10. Daardoor raken ze gedemotiveerd. En de ouders vragen zich af: ‘Wat heb je dan die twee uur op je kamer zitten doen?’ Als ze zeggen: ‘Ja maar, ik heb hard gestudeerd’, is het antwoord: ‘Duidelijk niet hard genoeg.’ Terwijl dat eigenlijk niet klopt.”

Beide leerkrachten verdiepten zich in het puberbrein en kwamen tot een aantal tips voor jonge pubers om efficiënter te studeren. Zoals spiekbriefjes maken. Pubers zijn cognitief niet altijd in staat een grote hoeveelheid lesstof ingeprent te krijgen. Het maken van een spiekbriefje maakt dat ze alles moeten bekijken, moeten inschatten wat ze wel onthouden en wat minder goed, en dat ze dat compact samenvatten. Het is een ideale manier om leerstof te verwerken. Wie een spiekbriefje maakt, heeft dat doorgaans niet eens meer nodig tijdens de toets.

“Elkaar ondervragen is ook een goede manier”, legt Van den Broeck uit. “Neem een woordenlijst van Frans. Veel leerlingen blijven naar die lijst staren en die woordjes opdreunen. Als iemand je opvraagt, moet je zelf de informatie ophalen in je hersenen. Dat is precies wat je ook bij een toets of examen moet doen.”

Beeldend werken helpt ook. “Vorige week had een leerling problemen met de cursus godsdienst. Dat waren grote lappen tekst en hij kreeg het niet geleerd. We weten dat hij graag tekent en vroegen hem de tekst in tekeningen te gieten. Hij heeft de hele huiswerkklas getekend. Op het einde van de huiswerkklas kon hij de hele tekst navertellen.”

Dempen

Puberbreinvriendelijk onderwijs is inderdaad waar we naartoe moeten, vindt ook Yvonne van Sark. Pubers, zeker jonge, hebben hulp nodig. De processen die nodig zijn om dingen te onthouden en te focussen op grote gehelen leerstof zijn nog allemaal erg in ontwikkeling. “Je kunt natuurlijk niet zeggen: ze kunnen dat nog niet, dus doen we het nog niet, want dan ontneem je hen de mogelijkheid om te oefenen. De vaardigheden die ze nog missen, kunnen ze wel aanleren door het vaak te doen.”

Hoe ga je dan wel het beste om met pubers, als ouder of als leerkracht? Het lijkt de vraag van 1 miljoen. “Als ik zou kunnen, ik sloeg de puberteit van mijn kinderen over”, vertrouwde een hooggeplaatste ambtenaar onlangs een reporter van Karrewiet, het jongerennieuws van Ketnet, toe. Het is een uitspraak die Yvonne van Sark vaak hoort.

Ze weet als ouder van twee pubers zelf maar al te goed dat het een uitdaging is om met bijvoorbeeld de stemmingswisselingen om te gaan. De ene keer is de puber het zonnetje in huis, de andere keer plots en meestal zonder aantoonbare reden een donderwolk.

De kunst is daar als wat dempende factor tussen te zitten, meent Van Sark. “Tuurlijk zijn er vaak wrijvingen. Maar je kind zoekt vooral veiligheid. Je kunt het laten zien dat er meer is dan van die hoge pieken en diepe dalen. En ja, ouders hebben een duidelijke rol te spelen. Hoe vaak zeggen we niet: pas op, dit vind je nu heel leuk, maar heb je ook daaraan en daaraan gedacht? En wat gaat dat kosten? En wat met je huiswerk? Als plaatsvervangende frontaalkwab is dat de rol die je moet spelen. Jij moet er zijn om meer orde, structuur en vooruitdenken te bieden. En neen, dat is niet altijd zo dankbaar.”

Maar ouders doen het volgens haar best wel goed, nu ze beginnen door te hebben dat die vrijheid-blijheid bij pubers minder goed werkt. “We zien de jongste jaren dat het autoritatieve opvoedingsmodel dominant aan het worden is. Dat betekent dat je in goed contact bent met elkaar, maar dat er wel duidelijke grenzen zijn. En dat je ook met elkaar bespreekt hoe je die handhaaft. Ja, de puber wordt ondersteund in zijn autonomie, maar moet zich wel aan duidelijke regels houden. Het is een opvoedingsstijl die goed voorbereidt op onze westerse maatschappij.”

Risico’s

Nog een opvallende verandering: bij veel ouders van pubers en toekomstige pubers zijn er veel zorgen over ‘het gevaar’ dat hun kind staat te wachten. Er zijn dan ook veel alarmerende berichten – denk maar aan comazuipen, cyberpesten, sexting, om maar enkele te noemen. Tieners nemen grote risico’s, bleek onlangs toen een jongen de dood vond nadat hij in een opwelling op een elektriciteitspaal was geklommen.

Maar dat jongeren risico’s nemen, hoort nu eenmaal bij de ontwikkeling, meent Van Sark. “Bij jongeren wordt het beloningscentrum in de hersenen sneller getriggerd: ‘Als ik dit doe, dan krijg ik die beloning.’ Het vooruitzicht op de beloning doet het. Het moet ook vooral nu, meteen en niet straks. ‘Als ik daarop klim, heb ik een te gek uitzicht, kan ik coole foto’s nemen en dan vindt iedereen mij grappig, ondernemend en stoer.’ Allemaal vormen van beloning. Waarschuwingen komen niet zo goed binnen. Ze zien het waarschuwingsbord en denken ‘O, ik mag dat niet doen’, maar in het moment krijgt het eerste toch de bovenhand.”

En al helemaal als er vrienden staan te kijken. “We zien dat online ook – denk maar aan de hype van de challenges. Neem de wastabletchallenge. Iemand bedenkt dat het grappig is om een wastablet op te eten. Anderen volgen. Bij jongeren is de aantrekkingskracht van ‘wat als’ sterker dan van ‘oei als ik dit doe’. En dat zorgt ervoor dat ze zeker tussen hun 14de en 18de meer risico’s nemen.”

Al hoeven ouders niet meteen te panikeren. Lang niet alle jongeren nemen immense risico’s in hun puberteit. Dat is eigenlijk maar een relatief kleine groep. Maar over de pubers die niet in de gevangenis, de goot of een orgie belanden, hoor je nu eenmaal zelden.

Risicogedrag is dus normaal bij pubers. Het is zelfs wenselijk. Het maakt dat ze alle nieuwe dingen waarmee ze geconfronteerd worden aandurven in plaats van bang in een hoekje te kruipen. “Naar een nieuwe school gaan of een eerste stage lopen, dat is best risicovol. Je krijgt van ouders en anderen ook allerlei waarschuwingen mee: dat het gevaarlijk is op de weg, dat je moet oppassen voor dit en voor dat. Als je dan kunt denken ‘ach, het komt wel goed’, dan helpt dat. Het maakt dat je nieuwe dingen durft te proberen. Het puberbrein doet dus precies wat het moet doen in deze levensfase.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden