Zaterdag 15/06/2019

'Alles wat ik maak, komt uit mijn kindertijd'

'Ik ben maar een dwerg tussen al die reuzen', zegt Jan Fabre (57) en hij doelt op Rubens, Van Dyck, Jordaens. Maar tussen het werk van die onsterfelijke schilders hangt en staat nu dat van hem in de Hermitage in Sint-Petersburg. 'Ik heb altijd met de doden geconcurreerd.'

We zijn uit onze taal gevallen (alleen een pijltje zegt dat выход 'uitgang' betekent), we krijgen half oktober een koude proloog op de winter die straks naar ons komt en door de boxen in het hotel klinken de Bee Gees, Mika en Sade in muzak. De regenpijpen zijn opvallend dik. In een Lada kan handsfree bellen met een gouden iPhone nog niet. In een etalage staat een buste van Vladimir Poetin naast kolonel Kadhafi.

Rusland is een ander land, Jan Fabre knikt: "Maar zág je Sint-Petersburg? In de Bloedkapel zag ik mozaïeken waar ik stil van werd. Adembenemend mooi vond ik ze. Ik ben er een paar uur gebleven. Dat werd iets groters dan mezelf. Een paar dagen geleden had ik dat ook bij een documentaire op Canvas van Alain Platel. De kracht van het kwetsbare van de mens kwam daarin naar boven. Dat werden bijna koninklijke mensen."

Groot, kracht, koninklijk: de Hermitage in deze stad van 5 miljoen inwoners is het allemaal. Misschien denk je niet meteen aan kwetsbaar bij deze gebouwen, waar een collectie van 3 miljoen stukken zit. Véél Rubens, Jordaens, Bruegel ook, Leonardo da Vinci, Rembrandt, één - onafgewerkte zelfs - Michelangelo, te veel en te groot voor woorden die indruk maken. Klein word je er wel en dus, dan toch, misschien kwetsbaar. Bescheiden. En Jan Fabre zelf trots: "De president van Servië liep hier deze namiddag rond en die mens herkende me. Blijkbaar volgde hij me al in 1985 en schreef hij tot 1989 stukken over mijn werk. En toen? Toen ging hij in de politiek zeker?"

Middag in Sint-Petersburg. In een zaal waar een paar van de "zeker 60 à 70" arbeiders die Jan Fabre van directeur Michail Pjotrovski en curator Dimitri Ozerkov ter beschikking kreeg, regisseert de kunstenaar waar zijn werk moet hangen. "Ongelooflijk", zegt hij later. "Drie jaar geleden vroeg Pjotrovski me. Hij gaf een serieus budget, uit alles bleek het grote respect voor mijn werk. Wat ik vroeg, deden ze. Wilde ik een Jordaens op een andere plek hangen: geen probleem. In de kelder lag een Rubens opgerold, die wilde ik laten zien. Ze hebben hem speciaal voor mij gerestaureerd en nu voor het eerst opgehangen. Dat is uniek, hoor. En ik kon me ongelooflijk laten inspireren door al die reuzen uit ons eigen land. Echt: tussen hen voel ik me een dwerg."

Zoals dat gaat in kunst, gaat het om dialoog. Contrasten. Spanning. Antwoorden zoeken. Nieuw werk bij oud tonen en zo versterken. Zegt Barbara De Coninck, Fabres artistiek directeur en medecurator: "We wilden niet te conceptueel gaan en niet vervelen door te veel te beleren. Het werk van Jan moet stimuleren om opnieuw naar die oude meesters te kijken en een nieuwe betekenis te vragen. Jan is zelf heel barok. Dit is dus een perfect huwelijk." Hij zegt: "Jordaens schilderde honden als symbool van trouw. Katten werden nooit afgebeeld. Die stonden immers voor de geëmancipeerde vrouw en de heks. De tentoonstelling is als een vlinder. Of als een rorschachtest: oud werk reflecteert in het nieuwe."

Maar een dwerg? Ja, we komen straks bij een klein gouden vogeltje dat een dwergpapegaai is en dat betekent: 'Ik herhaal mezelf niet.' "In die zin is het een zelfportret, maar ironisch", zegt Fabre. "Want natuurlijk herhaal ik mezelf. Dat is een diepe vorm van contact. Zoals je een vrouw kust of streelt. Ook dat is herhaling en diep contact. De tijd is een web van herhaling. Maar de papegaai herhaalt wanneer hij het wil en hoé hij het wil. Zoals elke seconde een herhaling lijkt van de vorige en toch verschillend is.

"Rubens noem ik een reus omdat hij vijfhonderd jaar overleefd heeft en dat wéét je van jezelf niet op voorhand. Maar ik weet wel: time is on my side. Ik mag niet naïef zijn. Ik weet in welke musea en collecties werk van me zit. Dat zal wel overleven en bewaard blijven."

223 werken hangen vanaf volgende week zaterdag in de Hermitage, verspreid over een zaal of achttien: meer dan honderd werken ervan zijn nieuw. Met drie containers via het water naar Sint-Petersburg gevaren, ergens is een kever op de zee wat beschadigd, die zal hersteld worden. In dat nieuw werk: 34 kleine schilderijtjes (La falsification de la fête) over carnaval, geïnspireerd op Bruegels Kermis uit 1564, ze hangen in dezelfde zaal. We zien onder meer de Gilles van Binche en een Franse journalist denkt aan Ensor. Bij Rubens ook nieuw werk, uilen op muurtjes, tussen de grootmeester.

In de Frans Snijders-galerij komen zeventien kleine schedels tussen monumentale doeken van Snijders ("zelfs een bloemkool op de markt doet aan een schedel denken") en dan komen we in de Van Dyck-zaal. Rondom Mes reines, acht gloednieuwe bas-reliëfs van wit Italiaans marmer en in het midden monumentaal een meisje in dezelfde steen met jeansbroek en feesthoed. My Future Queen Elisabeth, volgens Barbara De Coninck.

Fabre lacht: "Van Dyck was de Helmut Newton van zijn tijd. Hij schilderde enkel de aristocratie. En in deze zaal ontving Catharina de Grote hoge gasten. Mijn antwoord daarop zijn die acht panelen, 'mijn koninginnen', allemaal vrouwen die ik goed ken: vriendinnen, partners in crime. Voor mij is dat de burgeraristocratie. En toen dacht ik aan Elisabeth, die later koningin van België zal worden. Dat is Woman Power. Ik denk dat de wereld er beter zou uitzien als ze door vrouwen geleid werd en dat is mijn hommage aan hen. (glimlacht) Voor de koninklijke familie is dit nog een verrassing."

Was 'mogen' exposeren in een museum met die enorme Rubens-collectie een beetje thuiskomen? Je vader nam je als kind mee naar het Rubenshuis.

"Hij liet me schilderijen zien die ik dan kon natekenen. En eigenlijk doe ik dat nog: ik steel van Bosch, Van Dyck, Van Eyck, Rubens... Als ik een lichtontwerp moet maken voor een mise-en-scène van een theaterstuk, dan ligt er altijd een werk van Rubens naast me. Op zijn schilderijen lijkt het of hij spots zette in het decor. Maar ook mijn scarabeeën zijn geïnspireerd door Bruegel, en Bosch heeft invloed op mijn sculpturen."

"Dus ja. Als je mij twintig jaar geleden gezegd zou hebben: 'Fabre, jij gaat nog tegen de foto's van je vader en je moeder spreken', dan had ik je zot verklaard. Nu doe ik dat. Ze staan in mijn huis en als ik thuiskom, zal ik zeggen: 'Dag pa, dag ma: het was fijn in Sint-Petersburg.' Het waren ongelooflijk mooie mensen. Heel arm, maar heel verbeeldingsrijk. Kijk. (Vanonder z'n hemd haalt hij een halskettinkje waaraan een uil bengelt.)

Dat draag ik sinds ik 19 ben. Ik vertrok naarNew York om les te geven aan de School of Visual Arts en mijn moeder gaf me dat hangertje: de uil is het symbool voor het jezelf niet onderschatten."

Als je dan 57 bent, en de afstand tot hun dood wordt groter maar je wordt zelf ouder, kom je dan meer tot hen?

"Je wordt sterfelijker en kwetsbaarder, maar je begint het leven ook mooier te vinden. Ik heb wel altijd met de doden gesproken. De doden zijn altijd mijn sparringpartners geweest. Met hen concurreerde ik, niet met levenden. En toen ik al exposeerde en succes had, zei mijn vader: 'Jeanke, als ge nog eens in Antwerpen zijt, gaan we nog eens rondlopen, dan leer ik je tekenen.' Dat vond ik mooi en daar denk ik nu nog aan. Naar levende kunstenaars heb ik nooit met jaloezie gekeken. Maar wel naar Bosch en Rubens. Jaloers ben ik op hun talent en op hun verbeeldingskracht."

Zijn talent, zegt hij, zit in het respect voor het materiaal. Opnieuw gaan we naar zijn vader: "Hij was een heel goede klassieke tekenaar. Toen ik 13 was, moest ik van hem geblinddoekt voelen. Hoe voelt hout aan? Hoe metaal? Toen ik 17 was, heb ik als performance met mijn neus het tramspoor van aan de Groenplaats tot op het Kiel gevolgd. Dat was niet toevallig. Als klein manneke proefde ik alles. Op tafel, overal mijn vinger in, zoals élk kind. Het verschil was dat mijn vader dat niet verbood. Hij zei: 'Jeanke, proef traag. Proef langzaam.'

"Hij was een heel creatieve mens. We hadden geen geld voor een auto, maar dat in mijn werk al 30 jaar ridders en kastelen te zien zijn, komt ook van toen. Met plankjes van triplex maakte mijn vader forten en kastelen voor me en met restjes van mijn moeders lippenstift kon ik op de schilden van de ridders tekenen."

Zeg je nu: alles wat ik doe, is eigenlijk nog altijd een gevolg van die kindertijd?

"Maar natuurlijk. Als kind wilde ik eerst postbode worden en later chemicus. Postbode omdat de zoon van mijn meter dat was en ik die in de Seefhoek zag rondrijden. Hij mocht overal binnen, kreeg een pintje, bracht de brieven. Dat sprak me aan. Toen ik 10 was, kreeg ik een chemiedoos en een microscoop en ik bouwde in de kelder mijn eerste laboratorium. Wat doe ik nu als kunstenaar? Ik werk met allerlei materialen, precies als een chemicus, en dan breng ik mijn werk naar de mensen. Als een postbode.

"Eigenlijk ben ik een heel provinciaal kunstenaar. Wie beïnvloedde mijn wereld? Mijn ma en pa, een nonkel die acteur was in het Koninklijk Jeugdtheater; hij gaf me een elpee met werk van Karel Appel op. Dat is mijn universum. En ik lijd niet aan de ziekte van internationalitis zoals veel kunstenaars en schrijvers wel doen. Het werk dat ik maak, speelt zich nog altijd in een cirkel van 100 meter rond de Seefhoek af. En mijn laboratorium van toen, reist nu de wereld rond als kunst."

We zitten met die provinciale kunstenaar in Sint-Petersburg. Waar hij, net als in het Louvre in 2008, als eerste levende kunstenaar mag exposeren. Dit jaar was er een grote expo in Firenze. Hij was even curator op het Hellenic Festival in Athene, al gaf hij die job na een paar dagen zelf terug. De president van Servië zei hem daarnet in de gangen: "Ik wil je een prijs geven. Kies zelf maar. Wil je ridder zijn of iets anders?" Dat doet hem lachen: "In Italië kreeg ik vorig jaar nog twee prijzen, waaronder de Michelangelo-prijs. In Spanje een prijs van de koning. In Rusland ontving ik ooit een award van Poetin en in juni het diamanten ereteken van Sint-Petersburg. Als achtste kunstenaar ooit maar! Alleen in België krijg ik geen prijzen."

En toch provinciaal? Hij knikt. "Absoluut. Want net daarin zit het universele. Denk je dat de Hermitage geen geld genoeg heeft om grote Amerikanen of Britten te vragen te doen wat ze mij vroegen? Natuurlijk wel. Maar blijkbaar vinden ze mijn werk universeler. Dat kun je trouwens ook zeggen van Thierry De Cordier, Luc Tuymans, Michaël Borremans of Berlinde De Bruyckere. Allemaal net zo provinciaal en met een eigen universum. Dat maakt de Belgische en Vlaamse kunst zo sterk. We zijn geen beweging. We staan op onszelf. En ik heb groot respect voor mijn collega's."

In een interview in Humo zei Fabre vorig jaar: 'De culturele wereld was snobistisch, achterbaks, vals, zat vol fijne maniertjes.' Dat ging over de verleden tijd. "Dat is nog altijd hetzelfde, maar toen ik 16 was en ik een galerie binnenkwam, deden ze bijna de deur toe omdat ik Antwerps praatte en geen Frans. Ik ben nog altijd niet goed in talen en toen ik dertig jaar geleden bij mijn eerste expo slecht Frans sprak, dachten ze dat ik extreemrechts was. Terwijl ik gewoon graag mijn eigen dialect sprak. Nog altijd."

En je niet extreemrechts bent. Wat in Antwerpen nochtans kon of kan.

"Zot! Bijlange niet. Maar ik mag niet zeggen dat ik ooit last had van de politiek. Ik heb al dertig jaar mijn eigen compagnie en in de raad van bestuur zit geen enkele politicus. Wil ik niet. Ik ben een eenmansbeweging die onafhankelijk is. Mensen weten waarvoor ik sta en ik steek dat niet onder stoelen of banken. Ik ben al dertig jaar oprecht en duidelijk. Ze laten me doen."

"Eindelijk gebeurt er nog eens iets in Sint-Petersburg", zegt Filip Cumps, Belgische consul-generaal in deze stad waar Vladimir Poetin werd geboren, waar Dostojevski en Tsjaikovski een tijd woonden en waar Axel Witsel voetbalt. Het oude KGB-gebouw, waar Poetin werkte, is nu een extra deel van de Hermitage. Ook daar werk van Fabre: groot zijdedoek met Bic, een houten kist toont dat het uitgeleend werd door de Deweer Gallery in Otegem.

We zien rolstoelen, krukken en looprekjes met Fabre-groen, silhouetten van gaas waarop beenderen. Nieuw werk, oud werk, uit musea en privécollecties van Otegem tot Tokio. "We zijn erg benieuwd naar hoe de gewone Rus, die Jan niet kent, zijn werk zal ontvangen", zegt Barbara 's avonds bij een glas Russische rode Raevskoe Renaissance-wijn. Hij rookt ondertussen een sigaret en vertelt van zijn huis in Kroatië. Hoe hij dat ooit vond? "Ach, door de anarchie van de liefde, hè."

Zijn werk hier zien Russen dus in een museum. Niet zoals zijn naald met kever op het Leuvense Ladeuzeplein, de schildpad in Nieuwpoort of De man die het kruis draagt in de kathedraal van Antwerpen. Of op de Singel. Allemaal beelden in de openbare ruimte. "Die vind ik heel belangrijk," zegt hij, "omdat het werk vervolledigd wordt door de toeschouwers."

Dat legt hij zo uit: "Die priester had dat beeld in Antwerpen gezien, vond het mooi en kwam er nog eens met de bisschop naar kijken. Ik zei dat ik niet praktiserend katholiek was, maar die priester zei: 'Ons huis staat open voor alle kleuren.' Een paar honderd jaar na Rubens daar iets mogen zetten, vond ik mooi. Hij zei ook nog: 'Ik twijfel zelf nog elke dag. Rubens is groter dan onszelf, maar ik respecteer de mens die komt twijfelen, zoeken en denken.' Openbare werken brengen mensen samen. Ze mogen best subversief zijn, maar net daarin zit het streven naar de verzoening. Daar moet kunst over gaan. Over het humane. Als we dus een goede minister van Cultuur hadden, dan gaf die de kunstenaar geen geld om te produceren, maar om te dromen. Want door in kunst te investeren, kun je een maatschappij gezond houden."

Hebben we geen goede minister van Cultuur, dan?

(voorzichtig:) "Ik heb er al veel zien passeren. Ik kan alleen hopen dat ze genieten van de functie die hen toebedeeld wordt. En dat ze er iets aan hebben. Nu, er zijn er die al werk van mij kochten voor ze minister van Cultuur waren. Patrick Dewael had bijvoorbeeld al tekeningen van me voor hij die post bekleedde."

Maakt het voor jou uit te weten wíé jou koopt?

"Ik vind dat wel belangrijk en ik hou het in de gaten. Zelfs in Japan en Amerika. Bepaalde rijken van wie het gedachtegoed me niet ligt, probeer ik te vermijden. Maar dat lukt niet altijd. Een grote Duitse industrieel met een extreemrechts oorlogsverleden wilde al jaren iets van me kopen. Daar stak ik lang een stokje voor, maar via een Italiaanse galerie kon hij met drie stromannen uiteindelijk toch kopen. Tja. Dan hoop ik dat mijn werk het werk doet. Ik probeer esthetica en ethica met elkaar te verzoenen. Misschien dat het zo ondergronds die man toch aan het denken zet."

"Het heeft ook wel iets", zegt hij dan. "Grote schoonheid met grote kracht en grote kwetsbaarheid gaat door elke vorm van status of protocol heen. Toen ik in het koninklijk paleis het plafond met keverschelpen bekleedde ('Heaven of Delight', RVP) werd ik op straat uitgescholden voor 'koninginnenneuker' of 'landverrader van de Vlaamse zaak'. Zelfs in mijn eigen crèmerieke wilden ze me niet meer bedienen. Ik ben ettelijke keren fysiek aangevallen, kreeg dreigbrieven thuis en mijn voordeur werd beklad.

"Maar toen later die schildpad in Nieuwpoort (Searching for Utopia, RVP) stond, stapte ik op een avond door het stadspark en hoorde ik weer roepen. Ik dacht: 'Daar gaan we weer.' Maar toen riep die man: 'Fabre, ik heb op uw schildpad gezeten, fantastisch!' Dat was dus prachtig. Kunst snijdt door elke laag van de bevolking, door elke vorm van standing of macht. En het kan levens redden."

Qua 'dicht bij de mensen' kon Fabres performance, begin deze maand, in Lyon wel tellen. Op een velodroom deed hij 'Een poging het werelduurrecord van Eddy Merckx uit 1972 niet te verbreken'.

Dat werd een ongelooflijk geslaagde namiddag: Fabre reed 27 kilometer in een uur, Merckx toen 49,421.

Waarom? "Mijn tentoonstelling Stigmata, eerst in Rome, reist nu rond en kwam in Lyon. Waar het béste museum voor hedendaagse kunst in Frankrijk staat. Ik ken die mensen, samen met Jan Hoet had ik er al eens een expo opgezet. Ze vroegen me een nieuwe performance, maar na een toer langs de kathedraal en het park en de ondergrondse, zag ik niet meteen iets. Tot ik aan de achterkant van het museum een oude velodroom zag. Toen dacht ik: 'Ik wil daar een hommage aan Eddy Merckx brengen.' Zij vonden het een geweldig idee. En toen moest ik dus wel iets doen."

Waarom Eddy Merckx?

"Mijn jeugd zit vol zaterdagen en zondagen naar de koers kijken op tv. Naar mijnheer Merckx. Als hij verloor, heerste er tristesse in huis en waren we daar een week niet goed van. Hij kon zo ongelooflijk afzien. En die beelden van zijn uurrecord in '72 maakten grote indruk.

"Als kunstenaar wil ik altijd alles fysiek doormaken, en in mijn hommage aan mijnheer Merckx wilde ik dat ook doen. Maar ik geloof ook in het idee van de mislukking en het falen. Ik heb mijnheer Merckx gecontacteerd via een collectioneur. Hij kende mijn naam wel, maar had zelf geen werk. (fijntjes:) Nu wel. Hij is een legende, eigenlijk de Rubens van de sport. Daarom zeg ik altijd mijnheer Merckx. Hij was erbij in Lyon, bracht ook Raymond Poulidor en die speaker van de Tour (Daniel Mangeas, RVP) mee. Het werd een prachtige schoonheid van het falen."

Dat deed je wel in pak en das en met een witte worstenhelm op je hoofd.

"Ik had nog nooit op zo'n pistefiets gereden, mijnheer Ferdi Van Den Haute en zijn zoon hebben me dat geleerd op de Eddy Merckx-piste in Gent. Dat is heel technisch, ik kon eerst niet snel genoeg rijden om in die bochten niet om te vallen. Maar op den duur ging dat. Alleen: de dag voor mijn recordpoging had ik een voorstelling van theaterstuk Mount Olympus, dat 24 uur duurt, en waar ik het licht in de gaten hield. Ik had dus twee uur geslapen en had wat last van bronchitis. Ik kan je verzekeren dat ik na tien minuten geen adem meer had. En toen moest ik nog vijftig minuten doorgaan. Op een fiets waarop je moet blijven trappen en waarbij je niet op de trappers kunt blijven staan."

Iemand had hem gezegd: haal je de 36 minuten, dan haal je ook het uur. Dat lukte. Elke ronde at hij een biefstuk, als hommage aan 'de kannibaal'. Dat vlees viel zwaar. "Maar ik ben geen intellectuele kunstenaar, wel een fysieke. Ik denk met mijn lichaam." Dat heeft hij gevoeld. "Tot de volgende ochtend om 6 uur voelde ik mijn teelballen en mijn penis niet meer. (Staat op, zet een paar wijdbenige wankelende stappen langs het tafeltje waar we praten.) Zo ben ik die avond naar de opening van mijn tentoonstelling moeten gaan."

Alles is weer in orde met hoofd en wat er aan zijn krachtig lijf hangt: "Geen zorgen meer", knipoogt hij.

Is er sprake van veroudering? Of van gestremde ideeën? "Ik ben nog maar een embryo", zegt Fabre. "Ik begin pas. Ik heb dozen vol ideeën en ik heb zelfs al zes kunstwerken gemaakt voor na mijn dood. Die staan bij een notaris geregistreerd. En verder ben ik een broekschijter. Bloed, sperma, urine: ik laat het allemaal regelmatig controleren. Dat vind ik wel belangrijk. Ik heb een denkend lichaam en dat moet in orde zijn. Zo kan ik helder werken. En een brein is een heel sexy orgaan. No imagination, no erection. Al vind ik de puinhoop in mijn lichaam ook wel schoon. En dus is ook ouder worden dat. It takes a lifetime to become a young artist."

Buiten is de Russische nacht wat je er nu al van verwacht: ijskoud. Morgen spoort de kunstenaar naar Moskou voor een workshop aan acteurs die de Jan Fabre-methode onder de knie willen krijgen. Dan terug naar Sint-Petersburg voor de opening van de expo volgende week. En dan? In eigen stad gaat binnenkort Nachtschrijver in première, een literaire voorstelling met Gene Bervoets, Clara Cleymans en Tiny Bertels. Daarna moet hij naar Chicago. Dan naar Tokio. "Maar ik reis voor mensen", zegt hij. "Als je al 25 jaar met dezelfde galerie in Tokio werkt of ook al dertig jaar met die van Daniel Templon in Parijs, begin je mensen te kijken. Dan reis je niet meer naar steden, maar naar die mensen.

"Al heb ik in veel steden natuurlijk wel mijn favoriete plekken, restaurants of kroegen. In Rome is dat bijvoorbeeld de Bar de Paris, mijn favoriete stripteasebar. Dat is overigens niet toevallig. Ik ben een nachtmens en alle cafés en restaurants sluiten in Italië om 1 uur. Alleen die stripteasetenten zijn dan nog open. (lacht) Natuurlijk kijk ik dan graag eens naar de mooie vrouwen, maar vooral kun je daar goed praten met artiesten en muzikanten en dansen op Frank Sinatra. Hier in Sint-Petersburg is trouwens ook een goeie."

Hij is een nachtmens, dat is geweten: slapen doet Jan Fabre later wel. Of soms, tussendoor, in een powernapje op de vloer van de Hermitage. Daar bestaat een foto van. De nacht is om te praten, te drinken, te tekenen, te ontwerpen, te schrijven, de verbeelding te laten groeien. De nacht begint voor hem nu. Waar die zal eindigen, hier vertrekkend uit het Ekaterina Hotel, is onzeker. Je weet het nooit. "In één seconde kun je van een vierkant een vliegend tapijt tekenen en daarmee ben ik dan weg."

Jan Fabre: Knight of Despair/Warrior of Beauty, van 22 oktober tot 30 april 2017, Hermitage Museum, Sint-Petersburg, hermitagemuseum.org

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden