Dinsdag 20/10/2020

Column

Alles wat ertoe deed, zagen we niet want dat hadden mijn grootouders opgegeven

Beeld Hollandse Hoogte / Sabine Joosten

Aya Sabi (1995) woont in Genk, studeert in Maastricht, schrijft columns en debuteerde in 2017 met de verhalenbundel Verkruimeld land.

Op 13 oktober werd ik 23 en twee weken later was ik twee van mijn mensen aan het oneindige verloren: mijn tante en mijn grootvader. Ik voelde me twee jaar ouder, maar nog steeds bleef het leven even vreemd. Ze komen niet meer terug. Dat is echt alles wat ik weet. Maar je gelooft. Dat het goede mensen waren en dat je zelf ook goed moet zijn om ze opnieuw te mogen tegenkomen. We hebben meer dan duizend theekannen gedeeld, een heel veld aan muntbladeren, maar het was niet genoeg, het zou nooit genoeg geweest zijn.

Af en toe gaat er een pijnscheut door mijn lijf. Dan steekt het. Als ik na het dodengebed ‘dit zijn zijn kleindochters’ hoor, waarna onbekende vrouwen mij tegen zich aandrukken, allemaal minstens twee keer 23 jaar, genoeg mensen verloren om te weten hoe dit voelt, genoeg lijf ook om me aan te warmen. Ik ken de helft van deze vrouwen niet en toch is het troostend. Het betekent dat veel mensen bereid zijn voor hem te bidden. Hij was een goede man, zegt iedereen me en het kan niet anders dan dat ze het menen, want mijn opa was inderdaad uitzonderlijk. Ik stik in mijn tranen. Even daarvoor had ik nog de slappe lach, maar het laatste wat ik wil is dat anderen me zien lachen tijdens het dodengebed voor mijn eigen grootvader. Grootvaders gaan, maar de tradities blijven. En hoewel ik niet kan kiezen hoe mijn emoties uit mijn lijf barsten en ik de enige ben die alle recht heeft om mijn eigen rouw vorm te geven en alleen ik de rauwheid van mijn eigen pijn ken – het was míjn grootvader, verdomme – verdwijnt mijn gezicht toch in een zakdoek en doe ik alsof ik aan het huilen ben. De ruimte waar ze, eenmaal naar buiten gedragen, de kist in schuiven, is te klein. Hij kan zo toch niet ademen. De deuren worden dichtgeslagen en de lijkwagen rijdt weg. Het steekt. De zakdoeken zijn op. Ik gebruik de mouw van mijn djellaba.

Voor de rest weet ik het niet meer zo goed. Een paar maanden geleden lag mijn opa tussen de ziekenhuislakens van Casablanca. Een man die zijn beste rugjaren in Nederlandse kaas- en worstfabrieken heeft gesleten, die net een gezin gesticht had maar alles achterliet om de oversteek te wagen. Naar het land van melk en honing. Waar geluk op straat te rapen was. Dacht hij. Beroofd van een moedertaal, zelfs geen letters om mee naar huis te schrijven. Af en toe belde hij naar de radio of sprak hij een cassettebandje in, want hij was hiér en alles wat enige betekenis had, was daar. 47 jaar na zijn oversteek vroeg ik het hem voor het eerst. We spraken er nooit over. We deden alsof het nooit gebeurd was. Alsof we uit de lucht waren komen vallen of uit een hol gekropen waren, en daar waren we dan. Alles wat ertoe deed, zagen we niet want dat hadden mijn grootouders opgegeven.

Tot deze zomer. Duizenden euro’s hebben we achtergelaten in een ziekenhuis in Casablanca, waar ze de ene dag het een zeiden en de volgende het ander, waar we eerst een cheque moesten uitschrijven voor ze ook maar iets zouden doen, waar ze mijn opa zolang mogelijk op de intensive care hebben gelaten omdat er zo meer aan hem te verdienen viel, waar ze elke dag kwamen aandraven met een nieuwe regel, een privéziekenhuis waar de lift voor de zieken iedere tien minuten blokkeerde omdat hij te klein was voor het ziekenhuisbed, terwijl mensen uit alle hoeken van de wereld daar hun neus lieten corrigeren voor veel te veel geld. Maar er was niet genoeg personeel om mijn opa te wassen, om hem zijn eten te geven. En toen hebben ze hem naar huis gestuurd zonder zijn hartmedicijnen, zonder zijn bloedverdunners, zonder zijn insuline. Een paar dagen later moest hij terug naar datzelfde ziekenhuis met een suikerspiegel en een bloeddruk die te hoog waren om te detecteren. Ik dacht dat ik hem kwijt was.

Ik wil kwaad zijn. Ik kan alleen denken aan mijn opa die hier zijn rug kapot heeft gewerkt voor een schamel pensioen, om uiteindelijk toch daar zonder enige zorg af te takelen. Dat wat hij ontvlucht was hem uiteindelijk toch had ingehaald. Dat het werk en de vernederingen die hij decennia had doorstaan, niet meteen betekenden dat hij ook een betere zorg zou krijgen op zijn oude dag. Het hoofd gebogen, dankbaar voor het werk dat niemand anders wilde doen. Hij ging niet alleen te vroeg omdat we hem zo missen nu hij weg is, hij ging te vroeg omdat hij betere zorg verdiende.

Ik wil zo kwaad zijn, maar ik ben te moe. Overdag zet ik thee voor de gasten die binnenkomen met suiker en pannen vol couscous. In het huis van de overledene mag er niet gekookt worden. De buurt komt langs. Drie dagen lang doen we niets anders dan mensen ontvangen. De theeglazen worden nooit terug in de kast gezet. Er staat altijd een dienblad klaar. De theekannen blijven warm. De amandelkoekjes zijn nog zoeter nu de dagen bitter zijn. ’s Nachts huil ik mezelf in slaap.

Er is niets wat me wakker houdt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234