Maandag 25/01/2021

Alles staat stil in Andalusië

De crisis gaat van kwaad naar erger in Spanje en al zeker in Andalusië waar Alain Grootaers en Jakobien Huisman wonen. Het journalistenkoppel ziet meer dan cijfers over werkloosheid en zelfmoord. Ze voelen de crisis bij buren, bij vrienden. 'Er zijn hier sterke familiebanden, maar een zwak gemeenschapsgevoel.'

Het begon met een klein kartonnen doosje aan de kassa bij Tulipán, de kleine supermarkt in ons dorp. Monica, de eigenares in haar eeuwige witte schort, had het vlak voor de kassa gezet, goed in het zicht. Een bote de gracias, om geld in te zamelen voor een familie in het dorp waarvan de kostwinner door de crisis zijn job was kwijtgeraakt en geen voedsel meer voor zijn gezin kon kopen. Een paar weken geleden was het doosje ineens weg. Maar vandaag stond het er weer. Toen we vroegen wat daar de reden van was, vertelde Rafa, de flegmatieke echtgenoot van Monica dat de man in kwestie heel even werk had gevonden, maar nu weer op straat stond.

Twee jaar geleden kochten we in een witteheuveldorpje, ergens tussen Málaga en Granada, een finca: een stuk grond met een ruïne erop, die we wilden verbouwen. Niet lang daarna waarschuwde onze buurman, Antonio die omwille van zijn rood gelooide gezicht salmonete (zalmpje) wordt genoemd, in niet mis te verstane woorden dat we een 'mastif' moesten aanschaffen om de cortijo te bewaken. Zo'n uit de kluiten gewassen hond - een kalf bijna - die je hier in Andalusië vaak bij boerderijen aan de ketting ziet liggen. Het waren economisch zware tijden en er waren in de buurt al heel wat cortijo's leeggeroofd, en alleen zo'n hond zou potentiële dieven afschrikken. In niets verhullende bewoordingen beschreef Antonio vervolgens welk lot onze lieve honden beschoren zou zijn als ze in de handen van nietsontziende bandieten zouden vallen. Volgens onze buurman waren dat trouwens allemaal Roemenen, wat we met een korrel zout nemen, want hier zijn het altijd óf de Roemenen óf de zigeuners die het gedaan hebben.

De crisis raakt Spanje diep. We wonen hier nu meer dan drie jaar en in die tijd hebben we de situatie van kwaad naar erger zien gaan. Toen we net aankwamen, in 2009, beleefden we nog de laatste restjes van de investeringen die Spanje op hetzelfde niveau probeerden te tillen als de rest van Europa. Onze dochter kreeg op school - ze ging toen naar het zesde leerjaar - meteen een laptop van de Junta de Andalucia cadeau. Op school werken ze met smartboards en huiswerk wordt doorgemaild naar de leraren. Drie jaar later wordt er flink bezuinigd op onderwijs: de informatisering komt tot een stop, er is geen ruimte meer voor nieuwe aanwervingen en wie vast benoemd is moet dubbele shifts draaien.

Armoede op de loer

Op onze trips naar België zien we dat daar de cafés en restaurants nog behoorlijk vol zitten. De files zijn nog altijd even lang en de donkere dagen voor Kerstmis worden nog altijd gevuld met shoppen. Niet voor iedereen, maar de economie draait tenminste nog. Hier in Andalusië is het intussen een ander paar mouwen. De snelwegen liggen er verlaten bij en winkels gaan failliet. Sommige Spanjaarden hebben geen geld meer om te te leven, laat staan om te gaan shoppen.

Hier springen gewone mensen van het balkon op het moment dat de deurwaarder hun huis in beslag komt nemen omdat ze de hypotheek niet meer kunnen betalen. Zover is het in ons dorpje gelukkig nog niet gekomen, maar de armoede ligt op de loer.

Málaga, de provincie waar we wonen, heeft de hoogste werkloosheidsgraad van heel Spanje, uitgezonderd de Canarische Eilanden; 34 procent van de bevolking zit hier zonder job; onder de jongeren is dat zelfs 55 procent. Het zijn niet slechts cijfers, je zíét het ook. Vooral jongeren zijn het slachtoffer van de werkloosheid. De generatie van de nini's, de ni educación, ni trabajo: zij die noch opleiding noch werk hebben. In de gouden tijden van de grote bouwwoede en de zogenaamde immobiliënbubbel, was dat nauwelijks een probleem. Boeren verlieten het land om in de bouw te werken of zich op te werpen als makelaar. De Roemenen werden massaal naar Andalusië gehaald om het harde werk op het land over te nemen. Papa bouwde en zoon werd met zestien jaar uit school gehouden om mee te werken op de werf. Secundair onderwijs was - eh - secundair. Er is in tien jaar tijd iets veranderd.

De (nieuw)bouw ligt volledig stil en papa is noodgedwongen opnieuw aan het werk op het land. Er zijn nog altijd olijven die kunnen worden geplukt, geiten die kunnen worden gehoed. De Roemenen zijn de laan uit gestuurd, of ze kunnen - als ze geluk hebben - johannesbroodboompeulen gaan plukken die bij de coöperatie een schamele 20 cent per kilo opleveren. Wie weet hoe weinig een johannesbroodboompeul weegt, weet hoevéél je ervan moet verzamelen om één kilo te krijgen.

De nini's zie je zelden werken op het veld. Té verwend door de gouden tijden van de bouwwoede, de zogenaamde 'Bonanza', verklaart onze buurman dit fenomeen. Hij kan het weten, want hij heeft immers zelf zo'n zoon. Nooit gewend om de handen uit de mouwen te steken, zegt een andere Antonio, een ondernemer wiens zoon het vertikte om in zijn restaurant mee te werken voor vijf euro per uur. Liever een dealtje hier en een handeltje daar. En voor de rest zorgt papa.

Belgrap

Presentator: "Goedemorgen María, met Miguel Coil van Radio M-80, qué tal? Waar ben je?"

María: "Ik zit op mijn werk..."

(tataratatatatááá, geluid van toeters en bellen)

Presentator: "Proficiat María!!! Van harte gefeliciteerd!!! María wérkt, María heeft een job, enhorabuena María"

Een ironisch bedoeld belgrapje dat elke ochtend wordt herhaald op de Spaanse radiozender M80. Een argeloze radioluisteraar wordt opgebeld en als hij of zij werk heeft, volgt enthousiast gejoel en een overdosis aan felicitaties. Op een ander uur tijdens de ochtenduitzending meldt diezelfde presentator waar er in héél Spanje nog een handvol vacatures te vinden zijn.

"Over een paar jaar kan je ons verdelen in twee soorten: 'Andalusiërs in de wereld'(een hier erg bekend tv-programma over streekgenoten die hun geluk in het buitenland zochten) en 'Andalusiërs die op straat staan'", verzucht een van mijn Spaanse vrienden op Facebook.

De sfeer is soms grimmig, maar vaker nog laconiek. Van de politiek verwacht men hier niets.

Uitzonderlijk dorp

"Toch niet wéér een stuk over hoe slecht het gaat met ons in Spanje", verzucht Antonio Comunista van bovenop de stelling tegen ons huis. We hebben drie mannen aan het werk voor de verbouwingen van ons huis, drie mensen minder in de statistieken van el paro, zoals de werkloosheid hier heet. Niet dat onze twee Antonio's en Jorge zo snel aan de deur van het OCMW zouden staan, met hun twee rechterhanden en ijzeren werkmentaliteit.

Comunista is uiteraard niet Antonio's achternaam. Het is een bijnaam, een apodo. Als kind stond Antonio bekend om zijn tegendraadse uitspraken, waarop zijn vader hem comunista noemde. Van écht revolutionair gedachtegoed is bij Antonio niet zoveel te bekennen. Behalve misschien een onbestemde fascinatie voor Ché Guevara. En voor Juan Manuel Sanchéz Gordillo, de communistische burgemeester van Marinaleda, die we een paar weken geleden opzochten voor een reportage.

Marinaleda is een dorpje in de buurt van de Andalusische hoofdstad Sevilla. Het dorp is gedurende de afgelopen drieëndertig jaar (zolang als het bewind van hun burgemeester al duurt) uitgegroeid tot een soort van flamenco-socialistisch bolwerkje waar men er wonderlijk genoeg in slaagt stand te houden tegen de golf van pessimisme en financiële rampspoed die het hele land treft.

Terwijl duizenden Spaanse gezinnen uit hun huizen worden gezet omdat ze de hypotheek niet langer kunnen betalen, wonen meer dan vierhonderd gezinnen in Marinaleda in hun met eigen handen en met materiaal van de gemeente gebouwde huis, waarvoor ze slechts 15,52 euro per maand afbetalen. In Marinaleda is slechts 3,75 procent werkloos, terwijl de cijfers in Spanje (24 procent) in het algemeen en in Andalusië (33 procent) de pan uit swingen.

In ons dorpje zijn de Spaanse socialisten (voornamelijk de PSOE, met een kleine wisseling van de wacht door Izquierda Unida) al sinds de introductie van de parlementaire democratie aan de macht. Een goede dertig jaar, dus. Wat zo'n lange tijd politieke alleenheerschappij met een dorp doet, zien we met eigen ogen. We noemen het het TiTaTovenaareffect: alles staat stil.

Verandering is ook niet de specialiteit van de Andalusiërs, laat staan politieke verandering. Ondanks de faam die de hiervoor genoemde Andalusische communist Sanchez Gordillo heeft in internationale socialistische kringen is de man hier veeleer een bekritiseerde curiositeit. Boeren hebben in het algemeen geen boodschap aan zijn flamenco-communisme. De meesten van onze dorpsgenoten hebben wel één of meerdere familieleden in de PSOE, de partij die de zoete vruchten heeft geplukt van de zeven vette jaren maar die ook haar hand diep in de staatskas heeft gestoken. Maar alles is volgens de meeste Andalusiërs beter dan Rajoy, de Spaanse eerste minister van de rechts-conservatieve Partido Popular, de man die het land financieel laat bloeden. En er is geen tussenweg; hier in het diepe zuiden is men niet gewend om out of the box te denken.

Spanje is een zogenaamde hoogcontextuele maatschappij, met sterke familiebanden en zwak gemeenschapsgevoel. Het is, zo ondervinden wij, een cultuur waarin corruptie van nature gemakkelijker gedijt. Wie het tot ambtenaar schopt (in Andalusië nog altijd een zéér gegeerde post) zal er alles aan doen om zijn familieleden, de belangrijkste clan, hogerop te helpen. We dachten Spanje te kennen als toerist, maar als resident leer je het land in al zijn facetten begrijpen. De jaren van de Franco-dictatuur komen dan ineens veel dichter bij. Spanje is een prille democratie waarin de kinderziektes welig tieren. Een solidariteitsinitiatief als het doosje bij de kassa van onze supermarkt is dan ook eerder uitzondering dan regel. Liefdadigheidsacties zijn bijna exclusief het domein van de Engelse expats, die de grootste groep van buitenlanders vormen in onze vallei. Maar hun aandacht gaat veeleer uit naar Spaanse windhonden in nood dan naar hun door de crisis geraakte medemens.

Britse exodus

"Vroeger was het hier beter", zegt John, een Engelsman die we ontmoeten tijdens een Thaise avond in La Vaquería, het huiskamerrestaurantje van Su, de Engelse schilderlerares van onze dochter. Een avond per week kookt zij in haar atelier voor gasten om zo een extra zakcent bij te verdienen. John woont al een jaar of tien in het zonnige zuiden, terwijl zijn partner geld verdient als zakenman in Londen. Als we hem vragen in welk opzicht het toen 'beter' was, komt hij niet verder dan dat het leven in die tijd vooral goedkoper was. Om die reden, én omdat het pond ten opzichte van de euro is gedaald en de bouw is gestopt, is er een ware exodus aan de gang van Britten die noodgedwongen naar hun eiland terugkeren.

De lokale Spanjaarden zien ze met lede ogen vertrekken. De Britse expats zorgden de afgelopen jaren voor het beleg op hun boterham.

Vinden wij het hier nog altijd een stuk goedkoper dan in België, in de drie jaar dat we hier wonen hebben we de prijzen wel aanzienlijk zien stijgen: een koffie in ons dorpscafé ging van 80 cent naar 1 euro en kost nu al 1,20 euro. Met dank aan de btw-verhoging van de regering Rajoy die ook veel basisproducten treft. Benzine is in die tijd bijna een euro gestegen, iets dat je ziet aan het fel verminderde verkeer op de wegen. Butaangas, waarmee gekookt en verwarmd wordt, ging in drie jaar tijd van 11 euro voor een fles naar 16 euro. Voor bemiddelde noorderlingen is het geen onoverkomelijk probleem, maar de inflatie is een ramp voor wie moet scharrelen om rond te komen.

De boer ploegt voort

Zoals meestal in tijden van laagconjunctuur blijven kleine boerengemeenschappen als de onze gespaard van de allergrootste miserie. Wie geen werk vindt, klopt aan bij familie en wie hier geen familie heeft, zoals de Roemenen die vroeger de olijfpluk deden (de onbemiddelde expats) zoekt andere oorden op. Bijna iedereen hier in ons drieduizend zielen tellende dorp heeft een eigen groentetuin, een paar kippen, geiten en één of meerdere varkens. Onze buurman Almería spant wat eigen kweek betreft de kroon. Niet alleen hoedt hij een tachtigtal geiten, hij heeft ook een moestuin om Usted tegen te zeggen. Afgelopen zomer plantte hij onder andere tweehonderd meloenen. Niet voor de verkoop, maar voor zichzelf. Of om uit te delen, zoals aan ons. De crisis kan hem niet deren, hij geeft bijna niets uit behalve een koffietje en één alcoholvrij biertje per dag op café. Hij pendelt tussen zijn land en het dorp met een brommer, wat benzine bespaart. Solidair met zijn arme medemens is hij ook: geld krijgen ze niet, maar wie honger heeft, mag bij hem altijd aankloppen voor groente en fruit. Autarkische boeren van de oude stempel als Almeria komen de crisis wel door.

Ze zijn hier dan ook iets gewend, natuurlijk. Tijdens het fascistische bewind van Franco moesten de Andalusiërs letterlijk gras eten, omdat El Generalísimo het maquis van de communisten en de anarchisten keihard aanpakte. Hij liet door zijn guardia civil gemeenschappelijke broodovens vernietigen en graanvelden platbranden. Voor ons lijkt het allemaal verre geschiedenis, maar in ons dorp leven de lokale hoofdrolspelers van die dramatische tijden nog altijd. Al praten ze er niet graag meer over, soms duiken plots de vreemdste anekdotes op in ogenschijnlijk banale gesprekken. Zo vertelde Paco, een vriendelijke man van midden zestig die lesgeeft in het volwassenenonderwijs, ons onlangs bijna terloops dat hij vijftien jaar geleden van de gemeente de opdracht kreeg om in de buurt een massagraf bloot te leggen van gefusilleerde verzetstrijders. Iedereen wist dat ze er lagen, maar niemand durfde ze op te graven; het zou maar oude wonden openrijten in het dorp. De boer - ook in Andalusië - ploegt dus rustig voort: de boerderijen zijn groot genoeg om opa, oma en zonen, dochters en schoondochters onderdak te bieden zolang dat nodig is.

In de grote steden, waar je niet van het vet van het land kunt leven, hakt de crisis er echter zwaar in. Een gegarandeerd minimumloon is er niet, waardoor er een hele bevolkingsgroep is die ze hier de nimiles noemen, arbeiders en verkoopsters die ni mil euro verdienen, niet eens duizend euro per maand. Na het afbetalen van de hypotheek blijft er dan niet veel meer over om van te leven. Want de huizenmarkt kende hier, met dank aan de ingeweken noorderlingen, zo'n boom dat ook de Spanjaarden diep in de buidel moesten tasten voor hun eigen huis onder de zon. Wie zijn job verliest, hoeft niet lang op steun rekenen. Die is in Spanje in tijd beperkt en bedraagt vaak amper 750 euro. En als uiteindelijk dan ook de werkloosheidsuitkering wegvalt, dan stuurt de bank een deurwaarder en sta je op straat.

Miljoen lege woningen

De ironie wil dat het aantal woningen in Andalusië dat leeg staat wordt geraamd op één miljoen. Oh ja: voor wie denkt koopjes te kunnen doen: vaak zijn dit appartementsblokken waar de gemiddelde fermetteliefhebber zijn neus voor ophaalt. Ons dorpje is door een strakkere ruimtelijke ordening bespaard gebleven van woekerbouw, maar één vallei verder staat een leger aan nooit bewoonde appartementsgebouwen en villa's. Ze zijn ofwel illegaal gebouwd ofwel worden er geen kopers voor gevonden.

Deze leegstand is des te schrijnend als je weet dat er zich vorige maand in drie dagen tijd drie Spanjaarden, waaronder twee Andalusiërs, van het leven beroofden omdat ze door financiële problemen uit hun huis werden gezet. Desahucios heten die 'uithuisdrijvingen' in het Spaans. De drie persoonlijke drama's verhalen over mensen in nood die hun job hebben verloren, gevangen zaten in de wurggreep van de bank en geen andere uitweg meer zagen dan zichzelf van het balkon te smijten minuten voordat hun huis in beslag zou worden genomen door de gerechtsdeurwaarder.

In totaal wordt het aantal zelfmoorden sinds het begin van 2012 met als oorzaak de financiële crisis al op meer dan honderd geschat. Een humanitaire ramp volgens velen. Sommigen spreken zelfs niet meer over zelfmoord, maar over moord. Een Belgische vriend die in de buurt woont fulmineert: "In de jaren dertig hadden sommige bankiers tenminste nog het fatsoen om zélf uit het raam te springen. Met deze schuldencrisis die ze zelf hebben veroorzaakt hebben ze zelfs dáár personeel voor."

De verontwaardiging is groot, zowel in Spanje als daarbuiten, en ze heeft Mariano Rajoy genoodzaakt om de wet op de desahucios aan te passen waardoor mensen in nood uitstel van betaling krijgen en dus niet zomaar uit hun huis kunnen worden gezet. Een goede zaak volgens velen, maar Jorge, een van onze drie bouwvakkers, ziet het anders. "Wat als anderen van die gunstregeling profiteren? Straks betaalt niemand nog zijn hypotheek. Zo is het wel héél gemakkelijk om een appartement aan te schaffen. Waarvoor zou je dan nog werken? Ik vind: wie zich in de schulden heeft gestoken moet het zelf maar oplossen!" En zo denken veel Andalusiërs er over. In tegenstelling tot de indignado's op het Puerta del Sol-plein in Madrid is het gemeenschapsgevoel op de boerenbuiten zo dun als een plakje jamón serrano.

De gloednieuwe reclamefolder van het bekende Spaanse luxewarenhuis El Corte Inglés bevindt zich in het hart van elke Spaanse krant. Mooie, chique producten worden aangeprijsd, met telkens een voorstel voor een afbetalingsplan. Een Dyson-stofzuiger van 399 euro? Die koop je toch met een maandelijkse afbetaling van 30 euro? Het rare is dat banken (zelfs het noodlijdende Bankia) nog altijd reclame maken voor kortlopende leningen, zoals vijfhonderd euro voor de aanschaf van schoolspullen voor je kind. Tegen rentevoeten van 18 procent en meer. Dat iemand die een lening nodig heeft voor een dergelijk doel hoogstwaarschijnlijk al in de schulden zit en niet in staat zal zijn om diezelfde lening - vaak met een wurgcontract - weer af te betalen, daar wordt niet bij stilgestaan, lijkt het. De burger wordt niet tegen zichzelf in bescherming genomen. Dat die burger hier in Andalusië soms geen scholing heeft en niet in staat is om de kleine lettertjes te lezen? Geen bezwaar.

Gefeest zal er worden

Wat is de oplossing voor dit Spaanse probleem? "Besparen én investeren", zegt onze vriend Paco. Hij is een van de weinige mensen in ons dorp die gestudeerd hebben. Zijn leerlingen zijn soms al bejaard en Paco leert hun lezen en schrijven. Sommige van zijn pupillen zijn nooit verder op reis geweest dan naar Málaga. Een van hen, een oudere vrouw, vroeg hem of er voorbij de Maroma, de hoogste berg van onze streek (2.068 meter) óók nog bergen liggen. We spreken Paco tijdens de lunch in ons stamcafé Verdugo, dat ondanks de crisis elke dag goed draait. Bieden andere restaurants sinds het begin van de recessie nu zo'n vijf jaar geleden een menu crisis aan, in Verdugo kostte een dagmenu altijd al slechts 7 euro. Paco vervolgt zijn betoog: "Men zou kunnen besparen op de gigantische linten van beton en asfalt die - doorgaans met Europees geld en vaak onnodig - zijn aangelegd door onze prachtige Andalusische natuur. En er moet zeker bespaard worden op het logge overheidsapparaat. En geïnvesteerd in onderwijs, talenkennis en creativiteit."

En in feesten, natuurlijk. Op een haartje na was het perzikfeest, de Féria de Melocotón, dat ons dorpje elk jaar in augustus viert, afgelast wegens de crisis. De burgemeester kwam gelukkig op tijd tot inkeer. Crisis of geen crisis, gefeest zal er worden.

"Volgende week breng ik conejo mee en paddenstoelen", beloofde Antonio Comunista ons vanochtend. "Jullie steken de open haard aan en dan stoof ik het konijn". We hebben in onze bouwwerf nog altijd geen fornuis, maar dat maakt niet uit. Hier koken ze 's winters gewoon op het haardvuur; een barbecue binnen als het ware. De setas (paddestoelen) plukt Antonio zelf en het konijn schiet hij in de sierra's die zich achter ons uitstrekken. En wij hoeven niets te doen, behalve voor het bier zorgen. Want wij zijn immers Belgen, en boven alles 'stadse mensen'. Als we achter de computer zitten te niksen (lees: broeden op een artikel) zien we hem soms denken: dáár gaan we de oorlog niet mee winnen. Laat staan de crisis.

Alain Grootaers en Jakobien Huisman

Drieëneenhalf jaar geleden trok het journalistenkoppel Alain Grootaers (°1964) en Jakobien Huisman (°1970) samen met hun dochter naar Andalusië, op zoek naar meer kwaliteit van leven. Ze zagen van dichtbij hoe datzelfde

alledaagse leven in het zonnige zuiden ten gevolge van de economische recessie veranderde en wat dat voor de lokale bevolking betekent.

Grootaers en Huisman werken als

freelanceschrijvers voor diverse media en organiseren daarnaast paardrijtochten en wandelvakanties in de Axarquía, de bergachtige streek tussen Málaga en Granada.

www.fincadoncarmelo.com

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234