Zondag 25/07/2021
Archiefbeeld.

InterviewVakantieliefde

‘Alles klopt met haar, met haar gebeurt er altijd wat, er is altijd iets om te lachen’

Archiefbeeld.Beeld Pexels

Corine Koole sprak met twee mensen die in een zomer smoorverliefd op elkaar werden. Hoe ging het verder? En hoe kijken ze daar nu op terug? Vandaag: Lou (48) en Taco (44) en hun zomer van 1996.

Lou

“De eerste keer dat ik Taco zag was 25 jaar geleden tijdens een bouwkamp. Ieder jaar werd binnen een straal van 600 kilometer van onze woonplaats een aantal Franse gemeenten aangeschreven met de vraag of een groep jongeren uit onze regio iets kon bijdragen aan het onderhoud van hun kerk en altijd was er wel een gemeente die toehapte. Dit jaar, 1996, was het Jésonville, een onopvallend lintdorp in de Vogezen.

“Een vriendin van me zat al jaren in de organisatie, en telkens vroeg ze me mee, maar elke keer dacht ik: wat moet ik als atheïstische femme fatale met rode lippenstift op een katholieke klusvakantie? Dat ik dit jaar wel meeging, kwam vooral omdat het bouwkamp bijna niks kostte en ik ook nog naar Lowlands wilde.

“In de bus zat Taco twee banken links voor me. Hij droeg een baggy skate-T-shirt en sneakers van Vans, een merk waar toen nog bijna niemand van had gehoord. Hij zat in zijn eentje op een bank en leek zich daar comfortabel bij te voelen. Leuke jongen, dacht ik. Niet dat ik uit was op een vakantieflirt, mijn vriendinnen hadden me met hun ervaring in verkering geleerd dat de liefde niets dan een groot tranendal was, maar Taco leek anders.

“In de dagen erop vormden zich de klusgroepen: je had de ploeg ‘muren stuccen’, de schilderijengroep, de beeldengroep – achteraf idioot hoe wij ons, weliswaar met toestemming van de gemeenschap, ongehinderd door enige ervaring zomaar met al die oude kunstschatten konden bemoeien. Taco en ik trokken ons uiteindelijk het lot aan van een vergeten smeedijzeren altaarhek dat buiten tegen een muur stond te roesten.

“In de twee weken die het kamp duurde, zaten we iedere dag tegenover elkaar op de grond, op een armlengte afstand van elkaar. Elk aan een andere kant van het hek, we loerden naar elkaar door de spijlen. Natuurlijk hebben we ook gesproken, maar het zijn vooral de stiltes die ik me het meest herinner. Het samen schuren, verf mengen; eindeloos mengen, daar konden we zomaar drie dagen mee bezig zijn. Nog wat geel erbij, en nog wat, net zo lang tot we de kleur hadden die we allebei goed vonden.

Ik keek in zijn mooie ogen, waar ik intelligentie in zag en een weldadige kalmte en introversie die ik, als lawaaiige onrustige 24-jarige, geheel ontbeerde. Ik begon het katholieke bouwkamp steeds leuker te vinden. Maar ik bleef mezelf voorhouden dat verliefdheid en liefde overschatte verschijnselen waren. Eén keer had ik ooit een vriendje gehad en van hem waren me vooral de eindeloze lijst afspraken en concessies bijgebleven.

“Twee weken gingen voorbij, Taco en ik werkten samen zelfs ’s avonds door om het hek op tijd af te krijgen en schreven onze namen onzichtbaar in de onderkant van het ijzer. De eerder argwanende dorpsbewoners werden steeds toeschietelijker en herkenden in het altaarhek een origineel werk van Jean Lamour, een beroemde 18de-eeuwse siersmid uit de Elzas, en kwamen ons kersen brengen en verse taartjes. En wij tweeën zagen op een dag zomaar hartjes in het krullende smeedijzer.

“De laatste avond was het ‘bonte avond’, maar die hebben we niet meegemaakt. We waren rond een uur of zeven naar een boer gegaan, die we de ‘bel-ouder’ noemden en bij wie we tegen betaling en in tijd begrensd door een keukenwekker, met het thuisfront mochten bellen. Die jonge boer woonde in Jésonville tussen alleen maar tachtigplussers en vond het wel gezellig, wat jongeren over de vloer, hij bleef maar zelfgestookte eaux de vie schenken; poire, pomme, cerise en vooral de plaatselijke mirabelle. Tot Taco en ik totaal beschonken terug naar onze tenten liepen, bij de tennisbaan struikelend en zoenend in elkaars armen belandden en uiteindelijk in slaap vielen op het kunststof tennisveld, naast de plek waar we kampeerden.

“De volgende ochtend vroeg was het tijd om op te breken maar een paar dagen later zagen we elkaar alweer bij een snelle reünie. Tot mijn schrik had hij een schattig blond meisje bij zich, en ik dacht, wat een zak, waarom heeft hij niet gezegd dat hij verkering had, zie je wel, verkering is waardeloos. Drie weken hebben we elkaar daarna nog gezien. De vriendin was snel aan de kant gezet, maar hij was vijf jaar jonger dan ik, ik geloofde niet dat hij zich op zijn leeftijd al kon binden, als we er nu een eind aan maakten, zou ons dat beiden een hoop onvrijheid en pijn besparen.

“Maar toen we elkaar het jaar erop weer ontmoetten bij hetzelfde bouwkamp en twee weken lang elkaar van een afstand met onze ogen volgden zonder enkele toenadering, werd het mijn vriendin te veel, en terug in Nederland nam ze Taco apart en zei: ‘Zeg, ben je blind of zo, Lou heeft het alleen maar over jou, ga er eindelijk op af, verlos jezelf en ons allemaal.’

“En zo gebeurde, op een dag stond hij voor mijn neus in de bioscoop waar ik werkte, met een arm vol rozen en een fles rode wijn. ‘Klopt het wat je vriendin zei?’ vroeg hij en ik zei: ‘Wat zei ze? O, ik geloof dat ik het wel weet’, en vloog hem in de armen.

“Inmiddels zijn we bijna twintig jaar getrouwd. Zonder het smeedijzeren hek in Jésonville was het nooit iets tussen ons geworden. Het hek staat in onze trouwring gegraveerd.’

Taco

“Ik was 19 en hield niet van strand. Om ’s zomers toch weg te kunnen, ging ik ieder jaar mee met de bouwgroep. Mijn moeder had daar een advertentie van gezien in het stadsblaadje. Voorzien van slijptollen, boren en ander gereedschap gingen jongeren die nooit eerder een hamer hadden vastgehouden, naar een dorp in Frankrijk om daar de kerk te renoveren. De combinatie van gebrek aan kennis en de grote hoeveelheden alcohol die er dagelijks vloeiden, maakten het achteraf gezien volslagen onverantwoordelijk. Maar toen deed niemand er moeilijk over en het ging altijd goed.

“Dat jaar, in 1996, ging Lou mee; een enorme meevaller, want er zaten die keer veel rare types in de bus. Toch meed ik haar, ze was me te leuk. Ik had thuis een vriendinnetje. Dat zei ik haar ook. Maar mijn verkering liet haar koud, zij had geen belangstelling voor me. Lou was een prachtig vrij meisje met groenige, blije ogen en rode lippenstift. Vijf jaar ouder dan ik, werelds en ondernemend. Later die zomer zou ze naar festivals gaan waar ik als negentienjarige alleen maar over had horen vertellen maar nu in Jésonville bogen we ons samen twee weken lang zittend in het gras over het oude altaarhek. Eerst met staalborstels het roest eraf, daarna schuren en schilderen. Alles met haar was fijn, het maakte niet uit wat we zeiden, gewoon zwijgen was al heerlijk.

null Beeld Sasa Ostoja
Beeld Sasa Ostoja

“De plaatselijke bevolking, die nogal was geschrokken van de enorme geluidsinstallatie die de kerk met harde muziek vulde, zag hoe het hekwerk opknapte en bracht ons eaux de vie en taart. Eén keer was er een man op een paard in een blote bast en tuinbroek die Lou een klein vogeltje gaf. Daarna galoppeerde hij weer weg. Op een of andere manier maakte dit incident haar in mijn ogen nog aantrekkelijker, haar uitbundigheid zorgde altijd voor verrassingen. We begonnen steeds meer tijd met elkaar door te brengen en onder het mom van tijdsdruk, – het hek moest af – werkten we ook ’s avonds door.

“Pas de laatste avond hebben we gezoend. Bij een jonge Parijse boer mochten we naar huis bellen. Hij liet ons proeven van zijn in de kelder gestookte drank, van calvados tot eau de vie, en bood ons aan in het hooi te overnachten. Waarom zei hij dat? Wat wist hij? We hadden hem niks over ons verteld, want er viel niks te vertellen. Maar kennelijk zag hij iets wat wij zelf niet zagen: in de tijd dat we elkaar door de spijlen van het hek hadden begluurd waren we smoorverliefd geworden.

De opwinding die pril verliefden kenmerkt zonder het zelf door te hebben, had ons verraden en was voor hem als buitenstaander onmiskenbaar. Zijn hooi-aanbod sloegen we af, we namen nog een eau de vie en liepen slingerend naar de tenten. Vlak voor het kampeerterrein lieten we ons vallen op de tennisbaan en begonnen te zoenen en te vrijen, en bleven daar de hele nacht.

“Het was een geweldige eerste zoen, die me ondanks de dronkenschap is bijgebleven. Ineens wist ik: dat met dat meisje thuis stelt natuurlijk niks voor, in Lous nabijheid was ik veel meer op mijn gemak. Met Lou ging het samen lachen, beslissen over de kleur van de verf van het hek bijvoorbeeld, het werk, allemaal vanzelf.

“Terug thuis kregen we verkering. Die duurde drie weken. Toen maakte ze het uit. Op een dag, we zaten op de grond bij Lou thuis, zei ze dat ze wilde stoppen. Ze was er het type niet naar om zich te binden. Ik was verbluft, want voor mij hield verkering allang geen beperking meer in, maar het tegendeel.

Een heel jaar ging voorbij, toen zagen we elkaar weer bij het volgende bouwkamp. Natuurlijk vond ik haar nog steeds even leuk, maar ze had me afgewezen, daar had ik het heel moeilijk mee gehad. Ik meed haar, iets wat me alleen verbaal goed afging; met mijn ogen volgde ik haar waar ze maar ging.

“Ik dacht mijn heimelijke liefde goed te kunnen verbergen, maar net als toen bij de boer moet die van mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want terug in Nederland kwam op een feestje een van haar vriendinnen naar me toe en zei, ‘Alsjeblieft, Taco, doe me een plezier, zie je dan nog steeds niet dat Lou heel erg gek op je is? Doe er iets aan.’ Ik begreep het niet, hoe kon ze me leuk vinden als ze me keer op keer afwees? Haar vriendin rolde met de ogen en met een fles wijn en rozen, ging ik de avond erop naar de IMAX-bioscoop waar Lou werkte. Ze zat achter de balie te bellen, ze bleef maar bellen, ik bleef maar wachten, tot ze eindelijk ophing en ik naar binnen liep. Sinds dat moment is het nooit meer uit geweest. Een half jaar later woonden we samen, een jaar later zijn we getrouwd.

“Een tijdje geleden hebben we allebei onze baan opgezegd en zijn samen een goudsmidatelier begonnen. Alles klopt met Lou, met haar gebeurt er altijd wat, er is altijd iets om te lachen, altijd zijn er kleine wondertjes om ons over te verbazen. En nog steeds is het spannend. In dat opzicht is er weinig veranderd sinds de man op het paard daar in Jésonville en de boer die nog voor wij het doorhadden, zag dat we van elkaar hielden.’

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234