Vrijdag 22/11/2019

'Alles is zo bitter serieus geworden'

Courbois Your Enthusiasm

Kitty Courbois (78) is als actrice vooral bekend bij onze noorderburen. In België behoort ze tot het collectieve geheugen als ex-minnares van Hugo Claus. Op haar 78ste is de ADHD-diva nog steeds niet van het theater weg te slaan, en klinken haar vurige memoires als verhalen van gisteren. 'Verveling is het ergste wat me kan overkomen.'

Toen ze een tijd geleden, uit onmin met de huisbaas, samen met haar dochter en kleindochter naar de andere kant van Amsterdam verkaste, kwam ze bij het pakken van de dozen ook weer vele hoofdstukken van haar leven tegen. Die waarin ze - twee aparte hoofdstukken - een jarenlange, stormachtige verhouding met Hugo Claus had, kende ze nog goed.

Aan de warme vriendschap met haar medespelers en zielsverwanten, Ramses Shaffy en zijn toenmalige partner Joop Admiraal, laaft ze zich nog dagelijks, dus ook die opfrissing raakte geen onbekend terrein aan. Dat alles wat ze inpakte, direct of indirect met theater was verbonden, verraste haar uiteraard evenmin. Kitty Courbois, die ook in talrijke films en tv-series speelde, 'is' theater. Zonder haar geen Nederlands Toneel. Zonder haar geen Toneelgroep Amsterdam, want toen ze bij haar vaste gezelschap de gezegende leeftijd voor pensioen had bereikt, vroeg Ivo Van Hove, die er sinds 2001 directeur is, haar plechtig om te blijven. Ruim tien jaar later kan Van Hove nog altijd op haar rekenen, en zij op hem.

Maar toen stuitte ze op een medisch dossier uit haar kindertijd. En toen was ze compleet verrast. "Ik was dit hoofdstuk helemaal vergeten, ik had het onderdrukt!"

Vandaag schertst Kitty Courbois: "Waarschijnlijk waren mijn platvoeten de druppels die het emmertje deden overlopen. Die operatie aan mijn voeten heeft mijn behoefte aan onafhankelijkheid, beweging en fantasie nog versterkt!"

De binnenzijde van uw voeten maakt geen boog?

"Maakten geen boog. Nu wel. Ik ben als kind aan die kwaal geopereerd. Daarmee is het begonnen. Enkele jaren na de oorlog sneed in een Nijmegens ziekenhuis een chirurg in mijn voeten. Ik was twaalf. Ik heb het dossier van die dokter, dokter Bär, teruggevonden toen ik verhuisde. Ik zeg je: je wilt niet weten wat hij en de zijnen destijds met mij en mijn voeten hebben uitgehaald.

"Ze hebben mijn spieren overgesneden. God weet wat ze met mijn pezen hebben gedaan en wat ze met mijn zenuwen hebben uitgericht. Het is bijna een boekje op zich, dat dossier. Als ik het lees, denk ik: hoe bestaat het dat ze toen een kind zo veel gruwel en pijn konden aandoen? Al die ellendige pijn was ook nog eens geheel onnodig. Dat is nog het ergste van alles. Vandaag wordt een kind niet meer aan zo'n platvoetkwaal geopereerd, die slagers van destijds zijn door andere, meer menselijke oplossingen vervangen!

"Maar dat wilde ik niet zeggen. Na die operatie lag ik meer dan een half jaar met beide voeten in het gips. Ik, die vandaag, zelfs op mijn leeftijd nog, zeker het etiket ADHD opgeplakt zou krijgen, veranderde in een soort standbeeld. Nog altijd kan ik niet stilzitten. Ik verveel me ontzettend snel. Verveling is het ergste wat me kan overkomen, bijna even erg als platvoeten. Ik wil altijd iets anders, iets nieuws. Daarom speel ik zo graag. Nu nog. Als ik niet speel, verveel ik me. Vele collega's hebben een hekel aan het toeren met de bus, ik niet, ik houd ervan om aan een raam te zitten en naar buiten te kijken, naar dat immer veranderende landschap.

"Wijlen Joop Admiraal, met wie ik samen met Ramses Shaffy veel heb opgetreden, zei: 'Toneelspelen houdt je van de straat', en zo is het. Het houdt me bezig, vult en vervult me.

"Maar die voeten dus. Ze maakten dat ik als jong meisje maandenlang in mijn eentje voor het raam zat in een straat waar niets gebeurde. We woonden in een simpel huis in Nijmegen; ik samen met mijn broer en zussen, en met m'n pleegbroers en -zussen, op een bepaald moment waren dat er ook zes. Ik kon niet lopen. Ik kon niet eens uit mijn stoel. Mijn oudere zus moest me verschonen. Heen en weer naar het toilet: het was een half jaar lang mijn enige route. Mijn knieën verloren, door al dat zitten, hun kracht. Het was verschrikkelijk. En ik snapte er ook niets van, van al die pijn die ik blijkbaar moest lijden. Ja, ook ik ken verhalen van kinderen die maar al te graag ziek thuis bleven, omdat ze er ondergedompeld werden in zorg en liefde. Bij ons gold het tegendeel: thuis blijven was de hel."

Omdat u geen kant op kon?

"Dat ook. Maar moeder was een hele taaie. We hadden een gefrustreerde en depressieve moeder. Kinderen maakten haar niet echt gelukkig. Toch had ze er meerdere, en er kwamen er altijd bij, iedereen was altijd welkom. Ze kon niet nee zeggen. Zo zei ze dus ook 'ja' tegen de priester, als die mijn katholieke moeder weer een pleegkind aansmeerde.

"M'n moeder werd nog bitterder toen mijn vader stierf en toen we echt arm werden. Mijn vader overleed aan kanker in hetzelfde jaar als dat waarin ik aan mijn voeten werd geopereerd. Ik heb toen echt mijn deel gehad. Gelukkig mocht ik nadien naar de kostschool. Ook die maatregel was een deal met de priester, want mijn moeder kon de Nijmeegse kostschool, waar ik heel graag was, natuurlijk niet betalen.

"We moesten thuis elke ochtend naar de kerk. We hadden een knipkaart, die door de pastoor dagelijks 'gemerkt' werd. We gingen allemaal keurig, alleen mijn oudere broer ontsnapte er wel eens aan. Ik heb die verplichte kerkgang nooit erg gevonden. Al moet ik je zeggen dat ik pas later heb begrepen dat die mis het enige moment was waarop mijn moeder alleen kon zijn. Ik denk dus dat ze ons vooral daarom verplichtte; omdat ze dat uurtje nodig had, veel meer dan dat had ze niet.

"Ik houd nog altijd van kerken. Ik ben verlekkerd op de geur van wierook. Eender waar ik ben, ik zal er altijd een kerk, kathedraal of basiliek binnenlopen om de sfeer op te snuiven. De gregoriaanse gezangen uit mijn kindertijd hebben trouwens zeker mijn gevoel voor taal, klank en ritme gevormd. Dat ik later erg snel Italiaans heb geleerd, heeft daar ook zeker mee te maken. Maar nu spring ik van de hak op de tak. Dat heb ik altijd. Ik probeer bij het onderwerp te blijven, maar lukken wil het nooit."

U zat een halfjaar lang aan een stoel bij het raam gekluisterd.

"Ik las heel veel aan dat raam. Tekenen kon ik niet, dus dat deed ik niet. En ik schreef verhaaltjes en hield dagboeken bij. Ik heb die dagboeken nog, in een koffer. Misschien moet ik ze aan mijn dochter geven. Ik heb aan dat raam de kracht van fantasie ontdekt: in je hoofd kun je andere mensen zijn, een meisje dat door de straten rent, bijvoorbeeld.

"En ik wilde ook zo snel mogelijk zelfstandig zijn. Op eigen benen staan, letterlijk en figuurlijk. Toen ik na dat halfjaar van het gips werd bevrijd, moest ik echt weer leren lopen. Er waren in die tijd geen fysiotherapeuten. En mijn moeder had geen tijd. Ik heb mezelf weer leren lopen. In Katwijk aan zee viel ik honderden keren, en stond ik even vaak weer op. Vandaag kan ik nog altijd niet op een strand met steentjes lopen. Ik voel dan die pijn weer, en die vreselijke tijd die ik door dat medisch dossier in mijn geheugen heb opgefrist."

Wat is uw grootste angst op het podium?

"Dat ik zal struikelen. Of dat ik mijn tekst niet meer ken."

Is het al gebeurd?

"Het eerste is me - hout vasthouden - nog nooit overkomen, zelfs niet met die rare voeten van me. Het tweede heb ik een keer meegemaakt. Ik denk dat ik mijn tekst maar enkele seconden kwijt was. Maar die seconden leken een halfuur."

Had u als kind al acteertalent, of iets wat daarop kon wijzen?

"Als er op school een stuk werd opgevoerd, mocht ik 'paal' spelen. Toneel kon me niets schelen, interesseerde me niet. Zingen interesseerde me wel. Ik heb erg veel gezongen, ook met mijn broer (Pierre Courbois, gerenommeerd en toonaangevend jazzmuzikant, mvds). Ik zing nog steeds veel. Zingen gaat vanzelf, toneelspelen is hard werken. Het is eerder toevallig dat ik ben gaan acteren.

"Door op te treden met mijn broer kwam ik in contact met sleutelfiguren in de entertainmentsector. Ik trad toe tot een groepje dat sketches opvoerde voor arbeiders die de polders aanlegden. Die sketches sloegen aan. Ik leerde nog meer mensen uit de sector kennen. Een van hen moedigde me aan om het toelatingsexamen voor de toneelschool in Arnhem te doen. De rest is geschiedenis."

U geeft nu zelf al twintig jaar lang les aan de toneelschool in Arnhem.

"Ja, en ik zie het jaar na jaar. De studenten die talent hebben, haal je eruit nog voor ze met de opleiding beginnen. Ze hebben geen les nodig. Het komt bij hen van binnenin. Ze hebben charisma. Over charisma gesproken. Ik heb jullie schitterende Julien Schoenaerts gekend. Hij zei tegen me: 'Tegen niemand vertellen, Kitty, maar als ik speel, denk ik soms aan het boodschappenlijstje.' Ja, echt waar. Ik heb een andere manier van spelen dan Julien. Maar er zijn acteurs die ongelooflijk sterk en geloofwaardig acteren, terwijl ze zich op het podium gewoon afvragen of ze nu straks spaghetti zullen eten, of aardappelpuree met worst."

Hoe geeft u les aan studenten als u vindt dat het echte talent geen les nodig heeft?

"Ik heb geen methode. Ze mogen doen wat ze willen. Maar ik stel twee voorwaarden. Eén: ik moet je geloven, ook als je liegt en twee: ik moet je verstaan.

"Ik heb Medea, die haar kinderen vermoordt, destijds zo geloofwaardig vertolkt dat ik me tegenover Ischa Meijer, die me interviewde, moest verdedigen. Hij werd heel fanatiek. Hij gekscheerde, op het fanatieke af: 'Geef maar toe, je hebt in het echt ook je kinderen vermoord.' Dat vertel ik aan studenten. En dat ik naar Griekenland heb gereisd, ter voorbereiding van dat stuk. Ik heb de plekken bezocht waar de tovenares volgens de mythe had vertoefd. Omdat ik dat nodig had om me haar, Medea, te verbeelden.

"Evengoed zeg ik aan studenten dat ik nooit goed ben geweest in het vanbuiten leren van teksten. Ik vind het een rotwerk. Daarom dat ik heel lang van te voren al begin te lezen en te stampen, stampen, stampen. Als de regisseur in een later stadium nog aan de tekst sleutelt, heb ik een probleem: ik krijg mijn al eerder aangeleerde versie niet meer uit mijn hoofd. Theaterteksten sla je op in je langetermijngeheugen. Voor het onthouden van tekst voor film en tv doe je een beroep op je kortetermijngeheugen. Die twee vereisen een andere manier van werken, gebruiken een ander deel van je hersenen.

"Bij mijn film- en televisiewerk vraag ik me nooit af: 'Waarom doe ik het?' Bij theater stel ik die vraag de hele tijd. Maar het plezier dat aan theater is gekoppeld, is groter, anders, directer. Je kunt de aandacht van het publiek voelen, je voelt al die ademhalingen, al die blikken die op je zijn gericht. Dat geeft een kick. Toch helpt film me ook op het toneel. Soms krijg ik een scène niet onder de knie. Ik heb ervaren dat het me helpt als ik die scène benader zoals ik dat in de film zou doen. Als ik mezelf zie zoals ik door de camera word opgenomen, lukt het me op het podium wel. Ook dat vertel ik allemaal."

U hebt talrijke malen met Ramses Shaffy op de planken gestaan.

"Ik mis hem enorm. Ik hield van hem. Hij van mij. Ik mis vele mensen. Ook van de dood van Joop Admiraal, lang Ramses partner en medespeler, heb ik zwaar afgezien. Toen ik in de jaren zestig met de piepjonge Ramses en Joop in zee ging, zei men: 'Wat moet je met die twee?' Maar we zijn tot aan het einde bevriend gebleven.

"Ramses - wat een charisma, wat een stem en wat een taalgebruik! - was de enige acteur die je aankeek op het toneel. Andere medespelers kijken je niet aan, ze kijken door je heen. Ramses zocht je ogen. Ramses was ook de enige die ons, acteurs, op het toneel vreselijk aan het lachen kon brengen. Het kon hem niets schelen als het publiek zag dat de acteurs het bijna uitproestten. Alles maakte volgens hem deel uit van het spel.

"We speelden Shakespeares Midzomernacht. Ramses was Lysander. Op een avond zegt hij niet : 'O Helena, volmaakte God gelijke, waarmee kan ik je ogen vergelijken, maar 'O Helena, vol van vuur, eindelijk zie ik je blanke borsten puur.' Wij hielden het op die planken niet uit. Je zag ons schuddebuiken op het podium. Toen hebben we het doek even moeten dichtdoen. Voor zo'n onverwachte en in wezen onnodige tussenkomst betaalden we in die tijd een boete aan de directie. Een dergelijke straf was toen gangbaar in het theaterwezen, ja, ik meen het.

"Vandaag bestaat bij acteurs die ontspanning, zoals Ramses die kon doen ontstaan, niet meer. Er wordt tijdens het spel niet meer gelachen. Alles is zo bitter serieus geworden. Ik weet niet hoe dat komt. Acteurs zijn banger geworden. Bang voor een ontslag. Bang om vervangen te worden door een ander. Bang om het gezicht te verliezen, wat dat ook mag betekenen. Ik betreur die evolutie ten zeerste. Het verdwijnen van die creatieve vrijheid is een verlies voor de hele gemeenschap. Er ontstaat iets moois als mensen die goed zijn in hun werk zich vrij mogen voelen, en dat mooie is besmettelijk, iedereen heeft er iets aan."

U hebt vele mensen rondom u verloren. Een daarvan is Hugo Claus.

"Jan Decleir en ik sloten het boekenbal van 2007 af. Jan las een gedicht van Claus voor. Ik keek naar Jan, ik hoorde zijn stem, ik dacht: wat lijkt hij erg op Hugo, zeg. Later, in de coulissen, zei Jan me: 'Hij gaat niet wachten op het einde.' Ik begreep meteen wat hij bedoelde."

Een kleine halve eeuw geleden waren jullie minnaars.

"We hebben twee keer een verhouding gehad, met een tussenpauze van zeven jaar. De eerste keer dat ik verliefd op hem werd, was tijdens de toneelbewerking van zijn roman Vrijdag, einde jaren zestig. Hugo was toen getrouwd. Ik ook. Onze verhouding verliep dus stiekem. Hij kroop mijn hotelkamer binnen en weer buiten. De tweede keer waren we beiden gescheiden, toen kon onze affaire meer openheid verdragen.

"Jarenlang heb ik elk weekend bij Hugo in Gent doorgebracht. Hij heeft bij mij in Amsterdam gewoond. In Gent zat Hugo elke voormiddag te schrijven. Eerst luisterde hij even naar klassieke muziek. Dan speelde hij een spel patience tot alle kaarten weggespeeld waren. En vervolgens ging hij schrijven tot het lunchtijd was. Daarna gingen we ergens tafelen.

"Hugo heeft me kreeft leren eten. Hugo vond kreeft zo fantastisch lekker dat hij wilde dat ik er ook van hield. Maar ik heb nooit van kreeft gehouden. Hoe vaak hij me ook uitnodigde, ik bleef het vies vinden. Maar dat zei ik hem niet. Ik deed met hem mee. Ik likte mijn lippen af en zei dat ik het lekker vond. Ik weet niet waarom ik hem niet gewoon zei dat ik geen kreeft lustte, ik was natuurlijk verliefd, en ik bewonderde Hugo. Als je hem zag genieten, genoot je zelf ook.

"Hugo heeft erg zijn best gedaan om me aan het schrijven te krijgen. Hij zei: 'Je moet beginnen met 'er was eens' en daarna loopt het vanzelf. Hij meende dat. Soms liet hij me delen van zijn werk lezen, romans of gedichten waaraan hij bezig was. Hij heeft me meerdere passages uit Het verdriet van België, dat in de jaren tachtig nog in wording was, voorgelezen. Toen Het verdriet van België klaar was, riep hij door de kamer: 'Kitty, wat moet volgens jou het laatste woord van deze roman worden, waar zullen we mee afsluiten?' 'Toch', riep ik voor de grap terug. Het was het eerste woord dat in me opkwam.

"Het grappige is dat bepaalde literatuurcritici allerhande ideeën hebben ontwikkeld over de betekenis van die 'toch', want dat laatste woord van de roman zou de inhoud van het hele boek op de helling zetten. Mooier kon niet voor Hugo. Alles was voor hem een spel, en welk spel kon voor hem leuker zijn dan dat met critici die in zijn werk, aldus Hugo zelf, soms de raarste dingen zagen."

U spreekt nu zonder rancune over Claus. Toen Claus, omdat u een eind maakte aan de relatie, de roman Het jaar van de kreeft aan u wijdde, sprak u anders.

"Dat boek van 1972 gaat over ons. Hij laat me erin sterven, op dezelfde manier - aan kanker - als mijn moeder gestorven is. Hij wist van mij hoe mijn moeder gestorven was en heeft dat trieste gegeven misbruikt. Ik ben daar erg boos om geweest. Het was zijn wraak op mijn zucht naar vrijheid.

"Ik ben überhaupt niet goed met mannen. Ze blijven meestal niet langer dan drie jaar. Als een man mij zegt: 'Jij was wel erg laat thuis gisternacht', is het resultaat dat ik de volgende nacht niet thuiskom.

"Het jaar van de kreeft is zowel tot een toneelstuk als tot een film bewerkt. Luk Perceval brengt het nu zelfs met Toneelgroep Amsterdam. Ik ben destijds gevraagd om in de film van Het jaar van de kreeft (1975) mezelf te spelen. Ik heb geantwoord: 'Alleen als Hugo himself mijn tegenspeler wordt, doe ik mee.' Mijn variant op 'nee, bedankt' dus.

Ik weet niet of ze Hugo mijn eis hebben voorgelegd. Uiteindelijk hebben Willeke van Ammelrooy en Rutger Hauer 'ons' gespeeld. Ik heb de film nooit gezien. Ik wil hem niet zien. Maar ik neem aan dat zij dat goed hebben gedaan."

U hield van België en van onze films. Wat hebben wij wat Nederland niet heeft?

"Ivo Van Hove bijvoorbeeld! Ivo heeft ervoor gezorgd dat de schouwburg van Amsterdam weer vol jonge mensen zit. Niemand kreeg dat voor elkaar. Hij wel. Hoe komt dat? Omdat hij een Belg is. Omdat hij meer verbeelding heeft. Omdat hij over het vermogen beschikt om dingen te laten gebeuren op een manier die hij misschien niet kan verklaren, maar waarvan hij wel heel zeker is.

"Ik maakte veel ruzie. Met de huisbaas. Met vele mensen, ook met medespelers en regisseurs. Maar met Ivo Van Hove en zijn onmisbare scenograaf Jan Versweyveld heb ik nog nooit ruzie gemaakt. Ik heb veel in België gespeeld, theater en film. Hoeveel keer zal ik in een film niet Jan Decleirs vrouw zijn geweest?! Ik kan ze niet tellen. Maar dat is dus wat Belgen voor elkaar krijgen. Je kunt op Belgen niet boos zijn, toch niet lang!"

Volgende week: François Beukelaers

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234