Zondag 08/12/2019

'Alles is theater'

Hij zal de ochtend van ons gesprek uitgeput besluiten met 'ik ben moe'. Tot hij een boek vastgrijpt en daaruit 'Melopee' voorleest, zangerig én krakend, op een gehavende wijze sterk. Aanwezig zoals alleen hij dat is, met wuivende rosse kop en die - voor even - bij Van Ostaijen geleende dandyblik. Guido Lauwaert. De acteur en schrijver is binnenkort eindelijk weer op een groot podium te zien.

Marijke Libert/ Foto Stephan Vanfleteren

Guido Lauwaert: "Ik wou altijd wel iets gezegd of gedaan hebben. Noem het met een vies woord ambitie, maar dan los van statusdrang. Ik was vooral een bezig manneke met inspiratie. Van op de lagere school druk doende met clubjes oprichten. Broeden en uitbeelden, schrijven en performen. Achter de gordijnen kijken en mezelf tonen. Dat moet ik bij mijn moeder hebben opgepikt. Zij speelde amateurtoneel in de Mechelse parochiekring. Mechelen was mijn geboortestad. De stad waar zovelen van weg liepen. Herman de Coninck, ik ook. Maar dit terzijde. Er kriebelde van alles in mij en dat moest eruit. Dat ik misdienaar was, hielp. Ik 'diende' al vroeg het podium."

Een grote drang naar decorum?

"Naar toneel tout court. Ik wou niet echt iets beleven in een kerk, wel vooraan staan, participeren zonder mee te balken volgens Het Boek. Een kerk is voor mij altijd een theater geweest. Johannes Paulus II was nog maar een maand paus of ik stond al in Rome. Dié moest ik zien. En ik héb hem gezien, ik stond op een meter van hem in de Sint-Pieterskerk tijdens zijn audiëntie. Ik wou hem een hand geven, hem oprecht feliciteren met zijn prachtige show en zo. Nu, net voor ik zijn hand kon aanraken, stortten zich twee nonnekes op zijn hand, begonnen die ring te kussen en er van alles mee te doen. Ik had ze een lap kunnen geven. Toch had mijn interesse niets met God te maken, de paus was voor mij een showmaster, de heilige mis een voorstelling, de audiëntie één groot optreden. Bij uitbreiding was de hele wereld theater. Je deed mee of niet."

Was het spielerei, gekoketteer, een Reviaans trekje, wat stak eronder?

"Onrust. Ik was altijd onrustig. Ik dacht: ooit, als ik op mijn sterfbed lig, wil ik kunnen besluiten dat ik ten minste iets meegemaakt en gedaan heb. Mijn leven was er een met ups en downs. De meeste downs zijn nu geruimd. Ik ben verguisd geweest, jarenlang uitgelachen en uitgespuwd, maar de voorbije jaren is er iets van... Ik zou het bijna erkenning noemen. (schudt het hoofd) Nog zo'n vies woord."

Zoals u worden artiesten niet meer gemaakt. Dat brandende vuur, die identiteit en contestatie. Voor de een misschien gedateerd, voor de ander aanstekelijk.

"Ik heb dingen georganiseerd in mijn tijd. Nu komen alle culturele, literaire initiatieven van uw generatie, die net onder mij. De generatie van Luc Coorevits, Het Beschrijf, Behoud de Begeerte, Villanella."

In Behoud de Begeerte zit toch ook een beetje uw genetisch materiaal?

"Tja, Luc Coorevits is nog bij mij stage komen lopen, op een Nacht van de Poëzie."

Die Nachten zijn bijna legendarisch, althans volgens de overlevering.

"Wat wil je. We kregen drie keer Vorst Nationaal vol voor gedichten en we hebben Gerard Reve aan Vlaanderen voorgesteld, in Kortrijk begot."

Was het echt zo'n chaos toen?

"Het was georganiseerde chaos. Er was geen scenario, alleen ik en de presentatoren kenden de basisorde. De dichters niet, dus die zwermden uit, werden dronken. Sommigen kwamen zo zat als een kanon aan mijn schouder hangen van 'Guido, wanneer moet ik op, ik sta hier al drie uur te wachten'. Nog anderen waren grieten aan het versieren of werden door grieten versierd en waren onvindbaar. Op de tweede Nacht van de Poëzie in 1975 liep er een meisje rond met een baby op de arm. Op haar rug hing een papier met 'Herinnering aan de Nacht van de Poëzie, 1973'."

Welke waren de memorabelste Nachten?

"De eerste en de tweede. Maar ook de derde en vierde, in 1980 en 1984. Oorspronkelijk was het de bedoeling om de twee jaar te gaan, steeds in een andere stad. In 1973 begon het slecht. Slechts 1.500 kaartjes van de 7.000 verkocht. Ik keek op voorhand tegen een financieel debacle aan. Ik huurde Vorst Nationaal 'de huit heures le soir jusqu'à l'aube'. Tot het ochtendgloren. Van acht tot acht. Ik wou de jongeren niet op straat zetten om middernacht, daarom zouden we doorgaan tot er weer openbaar vervoer was. Nadeel was dat ik twee keer Vorst moest huren. Een keer tot middernacht, een tweede leer van middernacht tot 's morgens. Duur hoor.

"De burgemeester van Vorst, Jacques Lepaff van het FDF, heeft uiteindelijk voor de grootste reclame gezorgd door de week voor het gebeuren 'die manifestatie van de Vlamingen' te verbieden. Tot in de Kamer heeft dat heisa gegeven. Er volgden interpellaties, er was zelfs een vergadering bij de koning in Laken. Mijn eerste 'Nacht' was een staatszaak geworden. Op vrijdagmiddag schorste de vicegouverneur van Brabant de beslissing van de burgemeester. Op zaterdag stikte het in en rond Vorst van de rijkswachters. Je kunt je voorstellen welke ambiance dat gaf bij de artiesten en het publiek. In een loge in de catacomben van Vorst zaten Simon Vinkenoog, Jules Deelder en Johnny van Doorn zo te blowen dat telkens als je de deur opendeed een dikke wolk ontsnapte. Aan de overkant stak een grotere loge vol rijkswachters. Die zaten er voor het geval er opstand was, ze mochten enkel buiten om te plassen.

"Toen kwam het bomalarm. Monsieur Lauwaert... une bombe... kwam de directrice in paniek melden. De huurder moest beslissen: ontruimen of niet. Niet, dus. Ik liet wel toe dat rijkswachters in burger op onderzoek gingen. Ze kropen rond onder het podium, kwamen proestend van het stof zonder bom weer boven. Terwijl boven hen de dichters geweldig hun best deden om de sfeer erin te houden."

Hoe zat dat inhoudelijk, die eerste aflevering in 1973?

"Magisch. Stampvolle zaal, drukte in de wandelgangen. Jo Decaluwé zat wel danig te prutsen met de regie dat ik hem heb moeten buitengooien. Ik ben dan voor de microfoon gaan staan met de vraag 'is er iemand in de zaal die dit kan regisseren'. Een jonge gast stak zijn vinger op. Hij is later nog voor de VRT gaan werken, als specialist explosies.

"Een van de performers was Paul Koeck. Hij installeerde op het podium een boksring, liet er twee mannen tegen elkaar vechten: de arbeider tegen de kapitalist. Hij speelde scheidsrechter en trok voortdurend partij voor de kapitalist. Die hele zaal stond op zijn kop."

Zowel gekte als breekbaarheid. Het motto luidde: veel ambiance, nooit geld, altijd boel.

"(mijmerend) Die nacht maakte ik ook een blunder van formaat. Er stonden dus veertig, vijftig dichters op mijn lijst. Op een gegeven moment komt Freddy de Vree bij mij en zegt met zijn lijzige stem (imiteert): 'Guido, ik heb nog een dichter bij die ook graag een paar gedichten zou komen voorlezen.' Ik, al over mijn toeren, antwoord: 'Freddy, asteblieft, daar staat mijne kop nu niet naar.' Later pas heb ik beseft dat het om Marcel Broodthaers ging. Ik had hem geen kans gegeven om voor te lezen. Daar heb ik tot de dag van vandaag spijt van. Toen echter had ik weinig tijd voor wie dan ook. Ik moest weer naar de volgende dichter toe. Vooral die van de Bezige Bij dienden in het oog te worden gehouden. Uitgever Geert Lubberhuizen had Campert, Deelder, Kopland en nog een hoop auteurs in een bus gestopt en van Amsterdam naar Brussel laten voeren. Met als enige opdracht naar mij toe: 'ik wil ze niet allemaal zo zat als een kanon maandag in Amsterdam terugzien, let er een beetje op.' De Bezige Bus, noemden we het. Ze zijn veilig teruggekeerd."

Elke Nacht draaide traditioneel uit op een financieel fiasco

"Bij drie van de vier edities was het geld op nog voor het evenement ten einde liep. Aan de eerste Nacht van de poëzie heb ik nog vijftigduizend frank verdiend. Ik heb het meteen moeten afgeven aan de deurwaarder die op verzoek van mijn ex-vrouw achterstallige alimentatie kwam ophalen."

Op uw tweede Nacht stelde u Gerard Reve aan Vlaanderen voor.

"Het was de eerste keer dat hij hier optrad. Ik bracht ooit ook Komrij naar Vlaanderen. Idem voor Deelder, al hebben we zijn stem op de eerste Nacht in Vorst niet echt gehoord. Hij werd de hele tijd uitgejouwd, kon geen zin afmaken. Met Reve was het natuurlijk anders. Op een dag kwam hij recht uit Frankrijk mijn kantoortje in Kortrijk binnen wandelen. Hij spreidde zijn armen en zei 'Ik heb getekend, doe met mij wat u wilt'. Later belde hij zijn vriendjes bij de Nederlandse kranten op, met de boodschap dat hij in Vlaanderen, op de Nacht van de Poëzie, zijn geloof zou afzweren. Dat haalde ook onze pers. De burgemeester, de inwoners van Kortrijk en bij uitbreiding heel katholiek West-Vlaanderen stond op zijn achterste poten. Dus, die bewuste avond kreeg ik burgemeester en politie op bezoek met het verzoek de Nacht te verbieden wegens godslastering. Drie uur heb ik zitten onderhandelen met die gasten.

"Intussen stroomde het volk binnen. Er hing boven de kassa een affiche 'Wie betaalt wat hij kan, is waard dat hij komt'. Dat was voor de studenten die weken daarvoor commotie hadden gemaakt in de studentencafés omdat de tickets te duur waren. Ze mochten dus 'vrij doneren'. Alleen, omdat ik met de burgemeester zat te soebatten, hield ik de kassa niet in het oog. Later is gebleken dat de gemiddelde toegangsprijs die we kregen 19,5 frank was terwijl we 30 nodig hadden om uit de kosten te geraken. Frans Verleyen en Karel Anthierens hebben toen nog al hun redacteurs bij Knack gevraagd iets te geven. Maar het fiasco was geschied. En ik zat daar met hopen vijffrankstukken waarin ik de dichters moest uitbetalen, Jan Van Rompaey is dat nog komen filmen. Reves gage was gelukkig al eerder geregeld."

Wat gebeurde er op het podium?

"Wat dacht je? Vollen bak sfeer en de gebruikelijke chaos. Dronken dichters in de coulissen. Na middernacht werd dan Reve binnengebracht, een stoet begeleidde hem. Hij had een zwart overhemd van mij aangetrokken, schreed naar het podium. Hij hield een paar papieren in de hand, waar hij verzen op genoteerd had. Hij las die voor en liet nadien de papieren vallen tussen de toehoorders. Hele gevechten werden geleverd om die handgeschreven gedichten te be- machtigen. Dan las hij ineens 'de blijde boodschap' voor (citeert): 'Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie, en dacht: zijne heiligheid zal toch wel gewag maken van het toenemend verval der zeden, en ja hoor, amper was hij begonnen of ik hoorde al, decadentia, moralis...' Reve besloot met: 'Ik vind dit leven al geweldig, straks nog het eeuwig leven in de hemel, je vraagt je wel eens af, waar hebben wij het aan verdiend.' En weer dwarrelde een papier de gretige massa tegemoet. Fan-tas-tisch."

Na 1975 is het stil geweest rond Lauwaerts Nacht.

"Ik had er even genoeg van. Op een bepaald moment kreeg ik geld van de Nationale Loterij. Ik had hen gevraagd in mijn huis in Gent op hun kosten een piano te zetten voor de artiesten die bij mij verbleven. Ik heb nog Allen Ginsberg een week lang onderdak gegeven. In ruil vroeg de Nationale Loterij voor hun vijftigste verjaardag nog een keer de Nacht van de Poëzie te organiseren. In Vorst Nationaal."

En daar hebt u weer uw broek aan gescheurd

"Inderdaad. De Nationale Loterij gaf één miljoen frank. Waarop sponsors in rijen kwamen aanschuiven. Zoals de brouwerij Hoegaarden. Iedereen is zo zat als een kanon geworden van het gratis witbier in de artiestenbar. Maar ze waren wel nog nuchter genoeg om me extra geld af te troggelen. Ze vernamen dat de Nationale Loterij achter de organisatie zat en meenden dat ik de hoorn des overvloeds in bezit had. Ik gaf ze allemaal iets meer, en uiteraard klopte de rekening weer niet.

"Die nacht las Paul Snoek voor in zijn gebruikelijke machostijl en werd hij ineens gestoord door een jong gastje dat op de eerste rij stond. Waarop Snoek riep: als je het beter kunt, kom het dan maar eens uitleggen. Die jonge gast kroop op het podium en deed een geweldige act, waarna Paul Snoek afging als een gieter. De jongeman bleek Kamagurka te zijn. De zaal stoomde. Helemaal gek werd het publiek toen John Massis opkwam om na de fraaie dichtersfrasen ijzers te komen plooien."

Is het volgens u ooit te ver gegaan?

"Nee, ik heb van niets wat daar gebeurde spijt. Tenzij over de katers nadien en het feit dat ik er langere tijd psychologisch doorzat door dat financiële gedoe. Zo ben ik na die eerste Nacht drie maanden in de gevangenis gevlogen wegens niet betalen van onderhoudsgeld. Ook daar openbaarde zich voor mij een nieuw soort theater.

"Niets bleef me bespaard. Mijn opvallend uiterlijk, mijn manier van zijn, droeg daartoe bij. En die rosse kop natuurlijk, exponent van de vurigheid. Als kind al hoor je scanderen 'hé rosten, achter de beerkar gelopen?'. Ik denk dat de Einzelganger toen werd geboren. Roodharig zijn was mijn voor- en nadeel. Bepaalde vrouwen vielen echt op ros. (glimlacht) Ik was een echte charmeur, hoor. Het heeft me nooit aan vrouwen ontbroken."

Met welke schrijvers en dichters had u de beste contacten, persoonlijk?

"Met Pernath, Marcel Van Maele, maar ook met blueszanger Roland, dat soort alternatieve gasten trok me aan. Jotie T'Hooft heb ik een paar maanden voor zijn zelfmoord leren kennen, er vurige gesprekken mee gevoerd en er mooie brieven van gekregen."

'Ik heb dit wel bezongen, maar nooit een cent gehad', Wim De Craene.

"Ik heb nooit iets bijgehouden of gespaard maar ook niet één keer in mijn leven één frank belasting betaald. Ik heb moeten bedelen voor subsidies. Als ik er kreeg, waren die niet toereikend. Ik heb dikwijls in de miserie gezeten door al die literaire initiatieven, dus ik heb besloten dat ik nooit voor de staat zou zorgen, door er belastinggeld aan te geven. Anderzijds heb ik ook nooit honger of dorst gehad. Ik kreeg altijd ergens een boterham, zelfs een bed als het moest. En heus niet alleen bij de vrouwen. In de beginjaren van Knack zwierf ik al eens in Brussel rond. Toen zat ik overdag veel op de toenmalige redactie aan de Tervurenlaan in dat oude herenhuis. Op de achtergrond zoemden de stemmen van de redacteurs tijdens hun vergaderingen, elders in het huis liep mijn bad vol. Ik kwam baden bij Knack. Dat kon toen allemaal."

Wanneer bent u voor uzelf gaan zorgen?

"Toen ik veertig werd zei Hugo Claus me: 'Guido, wordt het niet stilaan tijd om aan jezelf te denken.' Dat sloeg in als een bom. Ik kreeg een schok, zoals Paulus op weg naar Damascus na die blikseminslag. Ik dacht: het is waar, ik heb voor iedereen zitten organiseren, me uitgesloofd, er nooit iets aan verdiend. Na een korte denkfase ben ik beginnen te schrijven, maakte ik theaterbewerkingen, onder meer van Elsschot. Lijmen. Ik heb de beste contacten gehad met de erven Elsschot, met wijlen Walter de Ridder, de oudste zoon. Ik belde hem met de vraag 'mijnheer De Ridder, ik speel Lijmen van uw vader, ik wil eens afspreken over de rechten en zo'. Ik mocht naar hem toe gaan, naar de Van Pelstraat. Daar vroeg hij hoeveel ik kon betalen, ik stelde 10 procent van de inkomsten voor. Ik herinner me nog dat hij zijn zus opbelde met de woorden "Adèle, ik em hier ne jonge gast ba maaj, die speelt Laajmen van ons vokke.. wat denkte.. Tien procent zegt aa. Ik zal dan maar een papiereke opmoaken zeker?" Dat soort dingen maak je dan mee (schudt het hoofd) Prachtig, prachtig. En vele lekkere wijnen gedronken, bij de familie Elsschot.. Zo zat als een kanon geweest. Alweer."

Waarom zoveel gedaan voor anderen en zo laat voor uzelf gezorgd? Lijfsbehoud zit toch in een mens, maar ook ambitie, ergens willen geraken met het eigen talent?

"Ik had die overtuiging, verbetenheid, geloof dat ik iets móést doorgeven. Poëzie, woord. Fataal was dat ik mijn eigen leven niet georganiseerd kreeg. Anderen leerden dat op latere leeftijd wel. Claus zei me ooit: 'Zolang ik schrijf, ben ik een artiest, zodra ik klaar ben word ik een grutter.' Dat kruidenierschap heeft zijn vrouw Veerle op zich genomen. Ook mijn vriendin, de moeder van mijn dochter die ik bewust mee wil opvoeden, heeft voor mij alles in orde gebracht. Ik kon met de beste wil van de wereld geen geld houden. Ik kwam uit Nederland met zakken vol guldens en trok recht naar de Gentse Hotsy Totsy club van wijlen Guido Claus, broer van. Daar werd dan de hele nacht gezopen. Onder meer op de kap van Lauwaert."

Het is niet goed afgelopen tussen u en Hugo Claus.

"Helemaal niet goed afgelopen. Nadat ik het boekje Avenue Claus had geschreven. Hij was toen pas bij Veerle. Het boek was een spielerei. Ik beschreef een zogenaamd nieuw initiatief van de stad Gent: een toeristische tournee langs de huizen waar Claus ooit had gewoond, met een bus vol journalisten. Iedereen werd er bij naam genoemd. Ook het elfde en laatste huis werd genoemd dat op Veerles naam was gekocht. Claus zelf vond het een mooi boekje. Hij vroeg me wel, de ouwe katholiek, om er veertien huizen van te maken. Een calvarie. Wat ik ook prompt aanpaste. In elk geval, Veerle was razend. Ze heeft me nooit echt kunnen uitstaan. Ik had ooit in een column voor Het Laatste Nieuws geschreven dat het haar grote droom was een van de grootste auteurs te hebben."

Als zo'n vriendschap wegvalt, welk gevoel geeft dat dan.

"Ik vind het jammer, uiteraard, maar ik lig er niet wakker van. Ik heb nooit in mijn leven ergens van wakker gelegen. Ik zou in een nieuw leven identiek hetzelfde doen, maar terwijl ik dit zeg, voel en weet ik dat dit een domme uitspraak is. Ik bedoel: ik heb gedaan wat ik had willen doen. Anderzijds schrok ik enorm toen mijn dochter Joyce laatst zei: ik wil iets doen zoals papa. Ik schrok. Ineens zag ik wat ik allemaal had doorgemaakt. Ik huiverde. Maar ze bedoelde niet dat ze wou leven zoals ik, wel dat ze geen nine to five job wou, dat ze iets wou laten gebeuren in haar leven, dat zij haar leven niet door anderen wou laten bepalen."

Joyce is naar James genoemd.

"Natuurlijk. En naar de bron van vreugde. Joy. Ik heb ook een zoon die Hugues heet, hij werd geboren enkele maanden na de dood van Pernath. (twijfelt) Het is altijd geweldig fout gelopen met mijn exen en dus met de kinderen. Met één zoon heb ik nog regelmatig contact, met mijn andere zoon en dochter niet. Mijn schuld. Ik was geen huiselijk persoon, was altijd bezig, bracht nooit duidelijkheid. Niet echt een referentie. Ik bleef aangevuurd door drift, door nooit tevreden kunnen zijn."

Is dat dan de ultieme kwetsuur, de kinderen?

"Dat is het echte drama. Je kinderen niet meer zien. Wat ik deed op of naast podia, heeft geen residuen achtergelaten. Dat behoorde tot de rubriek 'het leven is theater'."

Lichamelijk zit u sinds een vijftal jaar wel met een residu, een zware hartkwaal. U wacht dezer dagen op een tweede ruilhart

"Een hartlijder ben ik. Door het leven, de woeling, door drift en drank én door een genetische component, want mijn vader stierf na zijn derde infarct. Achttien jaar geleden kreeg ik mijn eerste hartinfarct, dat stelde men toch vast in het ziekenhuis. Een tijd later besloot ik nog eens naar het ziekenhuis te gaan omdat ik me echt niet goed voelde. De cardioloog liet me naar intensieve zorgen overbrengen. Ik vond het wat overdreven allemaal. Ik zat er rechtop wat te schrijven en boeken te lezen, tot ik indommelde om later wakker te worden met allemaal hoofden boven mij. Ik hoorde mijn cardioloog zeggen 'hij komt er door'. Ik had een hartstilstand gehad. Was het thuis gebeurd, we zaten hier niet meer bij elkaar. Ik had overbruggingen nodig. Een eerste keer werd mijn borstkas open gezaagd. Ik heb later zelfs zo'n operatie meegemaakt en gezien dat ze er echt met de schijf in gingen, zo van... bzzzt. Het ruikt ook echt verbrand. Dik vijf jaar geleden ging mijn borstkas nog eens open, voor een nieuw hart, het oude was op en versleten. Moet je eens zien (toont een borstkast vol pluizig hennakleurig haar en in het midden meanderend, het lange litteken)."

En werd het wilde beest door het zieke hart getemd?

"Het is niet zozeer getemd, het beest heeft zich verplaatst. Naar literatuur, schrijven, naar de pen. Verder vind ik het steeds minder belangrijk om in de clinch te gaan. Ik had bijvoorbeeld een vast abonnement op in de contramine gaan met de flikken. Tot ik besefte: dat zijn ook maar mannekes die wezenlijk niets te zeggen hebben. Het is beter tegen wetgevers en rechters te ageren. Vorig jaar nog deed ik het tegen een rechter. Ik had een verkeersovertreding, iets te snel gereden. Ik betaalde de boete niet, uiteraard werd die samen geklasseerd met de belastingbrief, in de vuilnisbak. Herinneringen, deurwaarder, politierechtbank. Ik stond er, zonder advocaat uiteraard. Op zijn Elsschots, zoals in Het Been. 'Zaak Lauwaert tegen de staat.' En dan die dwaze vraag: 'Mijnheer Lauwaert, waarom betaal je die boete niet?' Ik zeg: ik heb geen geld én ik betaal nooit boetes. Die rechter weer: maar je bekent dat je fout bent? Uiteraard, zeg ik. En waarom dan niet betalen? Tja, uit principe, natuurlijk, de staat zal nooit nog één cent van mij krijgen. Ik ben nooit gewaardeerd door de staat, dus ik waardeer de staat evenmin. Weggeven, al wat je wilt, maar aan de staat storten. No way!"

Nu wacht u op iets wat iemand noodgedwongen voor u achterlaat, zijn of haar hart. Uw eerste ruilhart werkt niet naar behoren.

"Vijfenhalf jaar geleden kreeg ik het. Men zei dat ik veilig zou zijn voor vijftien jaar. Maar het is al op, en er zijn afstotingsverschijnselen. Ik sta weer op de wachtlijst voor transplantatie. Die eerste keer werd ik op een avond gebeld. Ik kwam recht van de Patersholfeesten. 'We hebben een hart voor u.' Een mooie boodschap. Daarna ging het allemaal heel snel. Het hart zelf heb ik nooit gezien, ook niet mijn oude hart."

Volgende vrijdag staat u, op het podium in Vooruit, na al die tijd weer voor een groot publiek. Voor het evenement Zogezegd. Met welk gevoel?

"Een gevoel van geluk, denk ik, wegens de waardering. Dat houdt me recht in deze ellendige periode van wachten op de telefoon met 'we hebben een hart voor u'. Ik weet nu, er valt met mij steeds meer 'te leven'. Er is appreciatie, na het gewroet. Het was een lastig parcours en nu is er ineens het gevoel van 'gelukt' zijn, wat staat tegenover die miskenning van jaren."

"Ik ben moe", zegt Guido Lauwaert ineens. Ik kijk op de klok. We hebben ruim vier uur gepraat. Het is voor beiden voorbij gevlogen. Met ongelijke slotsom, ik opgeladen, hij leeg. Beiden zijn we wel dankbaar om het mogen geven en krijgen. Zo sluiten we ook af. Diezelfde (woens)dag, 's avonds, komt een eerste mail binnen met zijn nagedachten. En met een besluit: "Ik voel me nog altijd een zwerver. Soms word ik onrustig, dan wil ik weg, ondanks die prachtige vriendin van mij en die dochter. Maar de verte blijft lokken, het onbekende. De hartproblemen verhinderen dat, plus de eerbied voor die twee vrouwen hier die zo ontzettend van me houden. Het brengt twijfel mee, soms een gevoel dat ik mezelf verraden heb. Uiteraard heb je ook de leeftijd. Daarstraks had ik nog extra nagedachten, maar die ontglippen me momenteel. Misschien dat ik je nog mail, als ze mij opnieuw te binnen schieten. Ja zeg, je moet ze niet gebruiken, jij schrijft, niet ik... Allez, gedaan. Stoppen. Lezen en rusten. Een fijne avond gewenst,"

Donderdagochtend de laatste mail.

"Morgen, Marijke. Je zult al wel begrepen hebben dat theater mijn tweede thuis is. Nu, de Nachten van de Poëzie (..) en alle andere literaire initiatieven waren eenmalige voorstellingen. (...) Het was een poging om te ontsnappen aan de gulden middenweg, de lelijkste weg die er is. Groet uit Gent, Guido."

Zogezegd, 6 april, Vooruit, Gent. Tickets en info 09/267.28.28, www.vooruit.be

Er is appreciatie, na het gewroet. Het was een lastig parcours en nu is er ineens het gevoel van 'gelukt' zijn

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234